vragen VVD en EVA BA 2 juni vaststelling eerste wijziging delegatiebesluit.pdf
Een raadslid stelde op 15 juni 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard (7 vragen).
In het kort
7 vragen en wat het college antwoordt
- Op basis van welke afweging is ervoor gekozen uitsluitend de beleidsinhoudelijke wijzigingen van het omgevingsplan aan de raad ter besluitvorming voor te leggen en niet… → Het bestaande delegatiebesluit is bedoeld om een efficiëntere uitvoering van de Omgevingswet te bevorderen.
- Wat is de reden dat deze wijziging van het omgevingsplan op dit moment aan de raad wordt voorgelegd? → Hoewel sprake is van overwegend beleidsneutrale wijzigingen, betreft het omgevingsplan een omvangrijk juridisch instrument.
- Waarom wordt voorgesteld het delegatiebesluit gelijktijdig met deze wijziging van het omgevingsplan aan te passen? → Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag om niet eerst het delegatiebesluit te wijzigen en vervolgens op basis daarvan wijzigingen in het omgevingsplan door te voeren?
- In hoeverre behoudt de raad na vaststelling van de Nota Parkeernormen de mogelijkheid om de daarin opgenomen normen te wijzigen? → Welke procedurele stappen zijn daarvoor vereist?
- Kan worden toegelicht welke gevolgen artikel 5:14 heeft voor situaties van woningsplitsing, samenvoegen van woningen en mantelzorg? → Is het correct dat deze activiteiten op grond van de voorgestelde verbodsbepaling niet langer rechtstreeks zijn toegestaan?
- In artikel 5:13 wordt verwezen naar een aantal bestemmingsplannen. → Heeft dit gevolgen voor de toepasselijkheid van de regeling binnen dat plangebied?
- De voorgestelde regeling voor ‘wonen’ lijkt mede te steunen op de definitie van huishouden. → Daarnaast heeft de VNG een modeldefinitie voor het begrip ‘huishouden’ opgesteld.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Vragen B&A Ruimte 2 juni: vaststelling eerste wijziging omgevingsplan en delegatiebesluit VVD:
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Op basis van welke afweging is ervoor gekozen uitsluitend de beleidsinhoudelijke wijzigingen van het omgevingsplan aan de raad ter besluitvorming voor te leggen en niet de overige wijzigingen?
Antwoord van het college
Het bestaande delegatiebesluit is bedoeld om een efficiëntere uitvoering van de Omgevingswet te bevorderen. Op grond van het huidige delegatiebesluit is het college bevoegd om het omgevingsplan te wijzigen in een aantal door de raad aangewezen gevallen, waaronder het verwerken van door de raad vastgesteld beleid, visie en ontwikkelkaders en het doorvoeren van technische wijzigingen.
In de huidige situatie geldt daarbij als voorwaarde voor het verwerken van door de raad vastgesteld beleid, visie en ontwikkelkaders dat in het betreffende beleidsdocument, visie of het ontwikkelkader (of bijbehorend besluit) expliciet moet zijn opgenomen dat het college bevoegd is om het omgevingsplan aan te passen. Een groot deel van de bestaande beleidsdocumenten is echter vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vóór vaststelling van het delegatiebesluit. In deze documenten is een dergelijke bepaling veelal niet opgenomen. Hierdoor moeten wijzigingen die uitsluitend dienen ter uitvoering van door de raad vastgesteld beleid alsnog aan de raad worden voorgelegd voor een wijziging van het omgevingsplan.
Met de voorgestelde wijziging van het delegatiebesluit vervalt deze voorwaarde. Daarnaast wordt een nieuwe delegatiegrond toegevoegd voor beleidsneutrale wijzigingen. Hierdoor kan het college bestaande regels inhoudelijk niet wijzigen, maar in het kader van de transitie naar het omgevingsplan moeten worden verwerkt, zelfstandig opnemen in het omgevingsplan.
De raad blijft bevoegd voor beleidsinhoudelijke en kaderstellende wijzigingen. Omdat de raad over beleidsneutrale wijzigingen en de uitvoering van eerder vastgesteld beleid inhoudelijk al een besluit heeft genomen, is een afzonderlijk raadsbesluit voor de verwerking daarvan in het omgevingsplan niet noodzakelijk.
Een voorbeeld hiervan is de verwerking van door de raad vastgesteld beleid, zoals de Nota Parkeernormen. De raad stelt het beleid vast: het vervolgens juridisch verwerken van deze normen in het omgevingsplan betreft een uitwerking van een door de raad genomen besluit. Hetzelfde geldt voor het overzetten van bestaande planregels naar het nieuwe omgevingsplan zonder inhoudelijke wijziging. De inhoud van deze regels wijzigen niet: alleen de juridische plek binnen het omgevingsplan verandert.
Delegatie aan het college maakt een efficiëntere en snellere actualisatie van het omgevingsplan mogelijk en ondersteunt daarmee een voortvarende uitvoering van de Omgevingswet, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de kaderstellende rol van de raad.
Vraag 2
Wat is de reden dat deze wijziging van het omgevingsplan op dit moment aan de raad wordt voorgelegd?
Antwoord van het college
Hoewel sprake is van overwegend beleidsneutrale wijzigingen, betreft het omgevingsplan een omvangrijk juridisch instrument. Hoe is geborgd dat de raad voldoende gelegenheid heeft gehad om zich een oordeel te vormen over de inhoudelijke en juridische consequenties van de voorgestelde wijzigingen?
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt onderdeel uit van de lopende transitie naar één integraal omgevingsplan. Op grond van de Omgevingswet moet de gemeente
uiterlijk
1
januari
2032
beschikken
over
een
definitief
en
volledig
omgevingsplan. Deze eerste wijziging vormt een noodzakelijke (eerste) stap
in deze
transitie. Met deze wijziging wordt bestaande regelgeving stapsgewijs geïntegreerd in het omgevingsplan, zodat uitvoering wordt gegeven aan de overgang naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet.
Het ontwerp van de eerste wijziging heeft van 26 januari tot en met 8 maart 2026 ter inzage gelegen. De raad is op 16 december 2025 middels een raadsinformatiebrief geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerp. Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend. De volgende stap in het proces is de vaststelling van de eerste wijziging door de raad.
Het beleidsneutraal overnemen van bestaande regels is op zichzelf een keuze. Deze keuze ziet echter niet op de inhoud van de regels, maar op de wijze waarop de transitie van het omgevingsplan wordt uitgevoerd. De raad heeft de inhoudelijke afweging over deze regels reeds gemaakt bij vaststelling van bestemmingsplannen, verordeningen of beleidskaders.
Met deze eerste wijziging worden deze bestaande regels ongewijzigd opgenomen in het omgevingsplan. De wijziging ziet voornamelijk op de overgang van bestaande regelgeving naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. De juridische vindplaats van de regels verandert, maar de geldende normen voor inwoners en initiatiefnemers blijven hetzelfde.
Voor zover sprake is van beleidsinhoudelijke of kaderstellende wijzigingen, worden deze expliciet
aan
de
raad
ter
besluitvorming
voorgelegd.
De raad wordt met dit voorstel in de gelegenheid gesteld een oordeel te vormen over de voorgestelde wijziging. De vaststelling van de eerste wijziging is een bevoegdheid van de raad en maakt deel uit van de reguliere besluitvormingsprocedure.
Vraag 3
Waarom wordt voorgesteld het delegatiebesluit gelijktijdig met deze wijziging van het omgevingsplan aan te passen?
Antwoord van het college
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag om niet eerst het delegatiebesluit te wijzigen en vervolgens op basis daarvan wijzigingen in het omgevingsplan door te voeren?
Er is voor gekozen om de wijziging van het delegatiebesluit gelijktijdig met de eerste wijziging van het omgevingsplan aan de raad voor te leggen, omdat beide voorstellen direct met elkaar samenhangen en onderdeel uitmaken van de transitie naar één integraal omgevingsplan. Het betreft ook het delen van kennis en infomeren van deze wettelijk vereiste transitie op grond van de Omgevingswet.
Met de eerste wijziging wordt uitvoering gegeven aan de overgang naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. De voorgestelde wijziging van het delegatiebesluit ondersteunt deze transitie door het mogelijk te maken om toekomstige beleidsneutrale wijzigingen sneller en efficiënter te verwerken in het omgevingsplan, wat bijdraagt aan een efficiëntere uitvoering van de Omgevingswet en een snellere procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan. Door beide voorstellen gelijktijdig te behandelen, kan de raad in samenhang kennisnemen van zowel de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan als de voorgestelde aanpassing van het delegatiebesluit.
Daarbij is van belang dat de voorgestelde wijziging van het delegatiebesluit geen gevolgen heeft voor de voorliggende eerste wijziging van het omgevingsplan. De eerste wijziging wordt ter vaststelling aan de raad voorgelegd. De wijziging van het delegatiebesluit ziet met name op toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan en draagt eraan bij dat deze op een efficiënte wijze kunnen worden verwerkt.
Vraag 4
In hoeverre behoudt de raad na vaststelling van de Nota Parkeernormen de mogelijkheid om de daarin opgenomen normen te wijzigen?
Antwoord van het college
Welke procedurele stappen zijn daarvoor vereist?
Indien de raad wenst de parkeernormen aan te passen, dient eerst de Nota Parkeernormen zelf te worden gewijzigd of opnieuw te worden vastgesteld. Nadat de raad hierover een besluit heeft genomen, kan de gewijzigde beleidsregel worden verwerkt in het omgevingsplan. Het omgevingsplan is dynamisch en kan gedurende de transitieperiode en ook daarna worden aangepast aan de hand van nieuw- of gewijzigd beleid of gewijzigde wet- en regelgeving.
De vaststelling van het omgevingsplan met daarin opgenomen een beleidsregel met verwijzing naar de Nota Parkeernormen beperkt de bevoegdheid van de raad om de parkeernormen in de toekomst te wijzigen niet. Een wijziging van het beleid kan op een later moment worden vertaald naar een wijziging van het omgevingsplan, zodat beide documenten met elkaar in overeenstemming blijven.
EVA:
1. In de voorgestelde aanpassing van het delegatiebesluit wordt bij artikel 1, onderdeel 5, de zinsnede geschrapt dat aanpassing van het omgevingsplan slechts mogelijk is indien in het betreffende beleidsdocument of besluit expliciet is aangegeven dat het college de regels van het omgevingsplan mag aanpassen. Waarom wordt deze voorwaarde geschrapt?
Welke aanvullende handelingsruimte ontstaat er voor het college door het vervallen van deze voorwaarde ten opzichte van het huidige delegatiebesluit?
De zinsnede wordt geschrapt
om het delegatiebesluit beter uitvoerbaar te maken. De
huidige formulering vereist dat in het desbetreffende beleidsdocument, visie of ontwikkelkader expliciet is opgenomen dat het college bevoegd is om het omgevingsplan aan te passen.
Een groot deel van de bestaande beleidsdocumenten is echter vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vóór vaststelling van het delegatiebesluit. In deze documenten is daarom veelal niet expliciet opgenomen dat het college bevoegd is om de betreffende beleidskeuzes te verwerken in het omgevingsplan.
Het gevolg hiervan is dat wijzigingen die uitsluitend zien op de uitvoering van door de raad vastgesteld beleid alsnog aan de raad moeten worden voorgelegd voor een wijziging van het omgevingsplan. Daarmee wordt een afzonderlijke procedurestap geïntroduceerd, terwijl de raad de onderliggende beleidsmatige afweging al heeft gemaakt. Dit geldt met name voor beleidsneutrale wijzigingen, waarbij bestaande regels ongewijzigd worden verwerkt in het omgevingsplan en geen nieuwe beleidsinhoudelijke afwegingen aan de orde zijn. In dergelijke gevallen voegt een afzonderlijk besluitvormingsmoment door de raad inhoudelijk weinig toe, terwijl dit wel leidt tot extra procedurelasten en een inefficiënte uitvoering van de Omgevingswet.
Met het schrappen van deze zinsnede wordt het mogelijk om door de raad vastgesteld beleid, visies en ontwikkelkaders efficiënter in het omgevingsplan te verwerken. Dit leidt niet tot uitbreiding van de beleidsvrijheid van het college. Het college blijft uitsluitend bevoegd om reeds door de raad vastgestelde beleidskeuzes juridisch te verwerken in het omgevingsplan. Nieuwe beleidsinhoudelijke of kaderstellende keuzes blijven voorbehouden aan de raad.
2. Heeft de voorgestelde wijziging van het delegatiebesluit ook betrekking op de reeds door de raad vastgestelde beleidsstukken, visies en ontwikkelkaders of uitsluitend op toekomstige besluiten? Indien de wijziging ook ziet op reeds vastgesteld beleid, hoe wordt voorkomen dat interpretatieverschillen ontstaan over de vraag in welke gevallen het college zelfstandig het omgevingsplan mag wijzigen? Welke rol behoudt de raad hierbij?
De voorgestelde wijziging van het delegatiebesluit heeft betrekking op zowel door de raad vastgestelde beleidsstukken, visies en ontwikkelkaders als op toekomstige besluiten van de raad. Het moment waarop het beleid is vastgesteld, is daarbij niet bepalend. Bepalend is dat het gaat om beleid dat door de raad is vastgesteld.
Met de voorgestelde wijziging wordt enerzijds verduidelijkt dat door de raad vastgesteld beleid in het omgevingsplan kan worden verwerkt, ook wanneer in het betreffende beleidsdocument niet expliciet is opgenomen dat het college bevoegd is het omgevingsplan vast te stellen. Anderzijds wordt een aanvullende delegatiegrond opgenomen voor beleidsneutrale wijzigingen. Hiermee wordt het mogelijk om bestaande regels die bij de overgang
naar
het
omgevingsplan
inhoudelijk
niet
wijzigen,
efficiënter
in
het
omgevingsplan te verwerken.
Interpretatieverschillen worden voorkomen doordat het delegatiebesluit duidelijke kaders stelt aan de bevoegdheid van het college. Het college is uitsluitend bevoegd om door de raad vastgestelde beleidskeuzes te verwerken in het omgevingsplan en om beleidsneutrale wijzigingen door te voeren. Het college krijgt hiermee geen bevoegdheid om zelfstandig nieuwe beleidsinhoudelijke keuzes te maken of bestaand beleid inhoudelijk te wijzigen.
De rol van de raad blijft onverminderd van belang. De raad blijft verantwoordelijk voor het vaststellen van beleidskaders, visies, ontwikkelkaders en andere beleidsinhoudelijke keuzes. Wanneer sprake is van een inhoudelijke wijziging van het bestaand beleid of een nieuwe beleidsmatige afweging, blijft besluitvorming door de raad vereist. Het college is uitsluitend bevoegd om de door de raad gemaakte keuzes en beleidsneutrale wijzigingen juridisch te verwerken in het omgevingsplan binnen de kaders van het delegatiebesluit.
3. In beslispunt 2 wordt aangegeven dat na artikel 1, onderdeel 6, een nieuw onderdeel 8 wordt ingevoegd. Moet dit niet onderdeel 7 zijn, gelet op de bestaande nummering van het delegatiebesluit?
Dat is correct. In het voorgestelde wijzigingsbesluit is onbedoeld vermeld dat na artikel 1, onderdeel 6, een nieuw onderdeel 8 wordt ingevoegd. Gelet op de bestaande nummering van het delegatiebesluit dient dit onderdeel 7 te zijn.
4. Heeft de formulering van artikel 5:13 en 5:14 van het omgevingsplan wel het gewenste effect en zijn deze bepalingen wel eenduidig geformuleerd?
Met de voorgestelde formulering van artikel 5:13 en 5:14 wordt beoogd duidelijkheid te bieden over de uitleg van het begrip wonen binnen de betreffende plangebieden en de bestaande planologische situatie te behouden.
Bij het opstellen van deze regeling is nadrukkelijk gekeken naar de rechtszekerheid van inwoners en initiatiefnemers. Daarbij is rekening gehouden met het uitgangspunt dat voorrangsregels zijn toegestaan, mits deze zorgvuldig worden geformuleerd en voldoende rechtszekerheid bieden. Een meer generieke voorrangsbepaling is overwogen, maar een dergelijke regeling biedt niet in alle gevallen voldoende duidelijkheid over welke regels van toepassing zijn en hoe deze moeten worden uitgelegd.
Om die reden is gekozen voor een meer specifieke regeling waarin expliciet wordt aangegeven voor welke plannen de verduidelijking geldt en hoe het begrip wonen moet worden geïnterpreteerd.
Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de huidige bestemmingsplannen en wordt voor inwoners en initiatiefnemers op een meer eenduidige wijze inzichtelijk gemaakt hoe het begrip wonen binnen deze plangebieden moet worden uitgelegd en toegepast.
Vraag 5
Kan worden toegelicht welke gevolgen artikel 5:14 heeft voor situaties van woningsplitsing, samenvoegen van woningen en mantelzorg?
Antwoord van het college
Is het correct dat deze activiteiten op grond van de voorgestelde verbodsbepaling niet langer rechtstreeks zijn toegestaan? Zo ja, is dit een beoogd effect en kan hiervan worden afgeweken door middel van een vergunning?
Artikel 5:14 is opgenomen om gedurende de transitie naar één integraal omgevingsplan de bestaande planologische situatie te behouden. Indien geen aanvullende regeling wordt opgenomen, bestaat het risico dat bestaande regels anders worden uitgelegd dan oorspronkelijk bedoeld. Artikel 5:13 en 5:14 zijn daarom opgenomen om duidelijkheid te bieden over de toepassing van deze regels en te voorkomen dat hierdoor onbedoelde wijzigingen in de woningvoorraad kunnen ontstaan.
Dit betekent dat activiteiten zoals woningsplitsing en het samenvoegen van woningen niet zijn toegestaan binnen de in artikel 5:13 genoemde plangebieden. Voor deze activiteiten is op dit moment nog geen beleidskader vastgesteld. Om medewerking aan deze activiteiten te kunnen verlenen, is het noodzakelijk dat eerst beleidsmatig wordt bepaald onder welke voorwaarden dergelijke activiteiten in onze gemeente wenselijk zijn. Op basis daarvan kunnen vervolgens passende regels en beoordelingscriteria worden opgenomen in het omgevingsplan.
Voor mantelzorg geldt een andere afweging. Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is mantelzorg onder voorwaarden vergunningvrij. De landelijke regelgeving biedt hiervoor dus al mogelijkheden.
Vraag 6
In artikel 5:13 wordt verwezen naar een aantal bestemmingsplannen. Om welke reden is het TAM-omgevingsplan Schutskooiwijk hierin niet opgenomen?
Antwoord van het college
Heeft dit gevolgen voor de toepasselijkheid van de regeling binnen dat plangebied?
Het TAM-omgevingsplan Schutskooiwijk is niet opgenomen in de opsomming van artikel 5:13, omdat in het TAM-omgevingsplan zelf al een definitie van het begrip ‘wonen’ is opgenomen. Voor de uitleg van het begrip wonen kan binnen het plangebied van de Schutskooiwijk daarom worden aangesloten bij de in het TAM-omgevingsplan opgenomen begripsbepalingen.
De regeling in artikel 5:13 is bedoeld om voor de genoemde bestemmingsplannen duidelijkheid te bieden over de uitleg van het begrip wonen, in situaties waarin het begrip ‘’woning’’ wel is opgenomen, maar een nadere definitie van wonen ontbreekt. Het niet opnemen van het TAM-omgevingsplan Schutskooiwijk in artikel 5:13 leidt er niet toe dat voor dit plangebied onduidelijkheid ontstaat over de uitleg van het begrip wonen. Het TAMomgevingsplan bevat hiervoor al een eigen begripsbepaling.
Vraag 7
De voorgestelde regeling voor ‘wonen’ lijkt mede te steunen op de definitie van huishouden. Waar is deze definitie binnen het omgevingsplan opgenomen en hoe wordt de verduidelijking van het artikel geborgd indien deze ontbreekt?
Antwoord van het college
Daarnaast heeft de VNG een modeldefinitie voor het begrip ‘huishouden’ opgesteld. Om welke redenen wordt hier van afgeweken?
De definitie van het begrip huishouden is opgenomen in het omgevingsplan en is daarmee van toepassing op de uitleg van artikel 5:13 en 5:14. Wij begrijpen dat dit begrip een belangrijke rol speelt bij de interpretatie van de voorgestelde regeling. Om de begrijpelijkheid van de wijziging te vergroten, zullen wij de relevante begripsbepaling alsnog als bijlage opnemen bij het voorstel.
Wij hebben ervoor gekozen om de modeldefinitie van de VNG niet over te nemen. De VNGdefinitie is ruim geformuleerd, waardoor voor inwoners en initiatiefnemers minder duidelijk is welke woonvormen binnen het begrip huishouden vallen. Deze definitie biedt namelijk de ruimte aan woonvormen om met meerdere mensen duurzaam samen te wonen die geen gezin of familie vormen. Hiermee zouden we dus eigenlijk wat we nu ‘woningdelen’ noemen toestaan, zonder enige randvoorwaarden.
Het kan dat uw raad dit een wenselijke ontwikkeling vindt, maar hiervoor is op dit moment geen beleid. Om die reden willen we dat op dit moment niet toestaan. Dat maakt ook dat het aansluit bij de lijn die we in het verleden als gemeente hebben gevolgd, namelijk dat in beginsel één huishouden per woning is toegestaan. Hiermee is de wijziging van het omgevingsplan, namelijk het toevoegen van het begrip wonen en definiëren wat hieronder moet worden verstaan en wanneer sprake is van een toename of afname van het aantal huishoudens, een beleidsneutrale wijziging.
Indien uw raad in de toekomst woningdelen (met daarbij de randvoorwaarden die bijdragen dat het toevoegen van extra wooneenheden/huisnummers of verkameren niet leidt tot verstoring van onze duurzaam ingerichte wijken), mogelijk wil maken: bijvoorbeeld voor huisvesten studenten, arbeidsmigranten of andere doelgroepen, kan dit worden onderzocht en hiervoor beleid worden opgesteld. Op dat moment kunnen de regels in het omgevingsplan worden aangepast of kan ervoor worden gekozen het begrip huishouden anders te definiëren.
Bron: raadsinformatie van de gemeente Albrandswaard (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.