03b.1 Beantwoording Raadsvragen - Breda Beslist en LPF
Een raadslid stelde op 15 juni 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Vragen Breda Beslist De Adviescommissie bezwaarschriften concludeert expliciet dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een “kennelijk ander doel” als bedoeld in artikel 4.6 Woo. Daarbij verwijst de commissie onder meer naar het beperkte aantal Woo-verzoeken richting de raad, het ontbreken van grote hoeveelheden correspondentie en het ontbreken van objectief staafbare aanknopingspunten voor misbruik van recht.
Juist omdat de commissie onafhankelijk adviseert en expliciet concludeert dat toepassing van artikel 4.6 Woo in dit geval onvoldoende objectief is onderbouwd, vindt Breda Beslist het van belang dat een afwijkend oordeel van de raad zeer zorgvuldig en juridisch overtuigend wordt gemotiveerd.
Voor Breda Beslist is op basis van de stukken nog onvoldoende duidelijk:
· Wat precies de relatie is tussen het Woo-verzoek inzake 5TRACKS en het genoemde arbeidsconflict;
· In hoeverre gedragingen richting het college kunnen worden betrokken bij de beoordeling van een Woo-verzoek aan de raad;
Waarom de bezwarencommissie dit niet betrokken heeft of was deze hier niet van op de hoogte?
·
Waarom ook Woo-verzoeken van de partner van betrokkene worden meegewogen;
· En op basis van welke objectief toetsbare feiten de raad tot een andere conclusie komt dan de bezwaarcommissie.
Antwoord We treden niet in detail over het arbeidsconflict, aangezien dit privacygevoelig is. Wel kan worden opgemerkt dat uit jurisprudentie volgt dat misbruik kan worden aangenomen wanneer een verzoeker een ander doel nastreeft dan het verkrijgen van openbaarmaking van informatie. Met regelmaat wordt de Woo ook ingezet als (druk)middel bij een arbeidsconflict. In zoverre is de onderhavige casus ook geen uniek geval. Relevante aspecten zijn dan het aantal eerdere verzoeken en bezwaren, de inhoudelijke overeenkomsten en herhalingen in die verzoeken, de (procedeer)houding van verzoeker en (als er parallel een arbeidsgeschil speelt) de samenhang met de ontslagprocedure. Hierbij wordt ook betrokken het gegeven dat er concrete aanwijzingen in de correspondentie zijn dat het doel van de verzoeken niet primair het verkrijgen van publieke informatie was.
De Raad neemt misbruik niet lichtvaardig aan. Maar bovengenoemde aspecten zijn bezien in het licht van langdurige periode van intensief contact met verzoeker. Uit de door verzoeker ingediende berichten en verzoeken leiden wij af dat niet steeds sprake is van een daadwerkelijke informatiebehoefte, maar dat verzoeker ook zijn arbeidsverleden onder de aandacht wil brengen.
Dit is tijdens een hoorzitting in een andere bezwaarzaak tegen een besluit van het college ook expliciet opgemerkt. Voor zover er wel sprake is van een duidelijke informatiebehoefte, zijn deze verzoeken vanzelfsprekend inhoudelijk behandeld. Er is dus geen sprake van een algeheel onthouden van het recht op informatie op grond van de Woo.
In het onderhavige geval – het verzoek met betrekking tot 5Tracks – is duidelijk dat verzoeker een ander doel had dan het verkrijgen van de gevraagde informatie. De communicatie voorafgaand aan en tijdens dit verzoek bevestigde het beeld van de gemeente dat de verzoeken (een dergelijk verzoek deed hij eerder aan het college, trok dat in en diende het vervolgens – nadat een gesprek over zijn arbeidsgeschil niet het in zijn ogen gewenste resultaat had – wederom in) mede werden ingezet als drukmiddel in de andere (arbeidsrechtelijke) kwestie. Veelvuldig is ook geprobeerd contact te leggen met de burgemeester en de gemeentesecretaris. De gehele context sterkt ons in het standpunt dat er sprake is van misbruik. Dat het verzoek zowel aan de gemeenteraad als aan het college is gericht, maakt dit oordeel niet anders.
Bij dit alles betrekken we ook dat op een later moment verzoeken door de partner van de verzoeker zijn ingediend. In deze verzoeken heeft verzoeker aangegeven dat hij optreedt als gemachtigde.
Deze verzoeken vertoonden grote gelijkenissen met eerdere verzoeken die door hemzelf zijn gedaan. Dit draagt bij aan ons vermoeden dat het verzoeker niet te doen is om het verkrijgen van informatie, maar enkel om in contact te treden met de gemeente.
De bezwaarcommissie heeft dit alles wel betrokken bij haar advies maar weegt het dossier anders.
De commissie betrekt hierbij vooral het beperkt aantal verzoeken aan de raad en de beperkte correspondentie richting de raad. In het besluit wordt in dat kader opgemerkt dat niet enkel het aantal verzoeken van belang is gelet op de rechtspraak en dat de raad de totale kwestie – de relatie tussen betrokkene en de gemeente (dus ook het college) – betrekt bij het besluit. De raad betrekt hierbij de (soms hevig) emotionele berichten, het intrekken van verzoeken, de gestelde onrechtmatigheid van het handelen van de gemeente bij het beëindigen van het dienstverband etc.
Vragen lijst Pim Fortuyn Ik verzoek om, voor zover mogelijk, een openbare of niet-herleidbare samenvatting van:
1. de concrete punten waarop wordt afgeweken van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften;
2. de juridische maatstaf die is toegepast bij het beroep op misbruik van recht op grond van artikel 4.6 Woo;
3. de reden waarom volledige geheimhouding noodzakelijk is en gedeeltelijke openbaarmaking of anonimisering niet volstaat;
4. de wijze waarop de raad kan controleren dat de afwijking van het commissieadvies voldoende zorgvuldig en draagkrachtig is gemotiveerd, zonder kennis te hoeven nemen van persoonsgegevens of herleidbare conflictinformatie.
Antwoord De commissie acht in haar advies het bezwaar gegrond omdat zij niet ziet dat verzoeker ‘kennelijk’ een ander doel heeft dan het verkrijgen van informatie. Daarnaast kijkt de commissie enkel naar de communicatie tussen de verzoeker en de raad en de verzoeken die hij bij de raad heeft ingediend, en worden de communicatie en verzoeken tussen de verzoeker en het college niet betrokken bij de beoordeling. Op deze punten verschilt de commissie van mening.
De juridische maatstaf is gelegen in artikel 4.6 Woo. Op de raad rust de plicht om niet lichtvaardig naar deze grondslag te grijpen. Dat doet de raad ook niet doordat op basis van informatie vanuit de gemeente een beeld is ontstaan dat het verzoeker in dit geval niet te doen is om informatie te verkrijgen, het doel van de Woo. Zie de antwoorden hiervoor in reactie op Breda Beslist voor meer aspecten die hierbij relevant zijn geacht.
Geheimhouding wordt voorgesteld nu het tot een persoon herleidbare informatie betreft. Bovendien is het besluit ook nog niet vastgesteld door de raad, zodat zonder geheimhouding, de inhoud van het voorgestelde besluit al bekend zou zijn – ook bij betrokkene – hetgeen het goed functioneren van de raad in deze schaadt. Het besluit is, zonder de tot de persoon herleidbare informatie, niet goed zelfstandig leesbaar. Mede daarop is de afwijking van het advies van de commissie op gestoeld.
Bekijk de brief: 03b.1 Beantwoording Raadsvragen - Breda Beslist en LPF
Bron: raadsinformatie van de gemeente Breda (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.