10 december 2025 · artikel 35-vragen · gemeente Buren

Schriftelijke vragen - D66 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Lienden, De Brink en het verkennend en aanvullend bodem-, verhardings- en infiltratieonderzoek

Een raadslid stelde op 10 december 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Buren (11 vragen).

In het kort

11 vragen en wat het college antwoordt

  • Waarop is de conclusie gebaseerd dat deze grond geschikt is om woningen op te bouwen? → Inleidende sub-toelichting vraag 2 Over het noordelijk deel meldt de toelichting: “De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie is ‘Altijd…
  • Waarop is de conclusie gebaseerd dat deze grond geschikt is om woningen op te bouwen? → Inleidende sub-toelichting vraag 3 In het rapport van 3 juli 2024 wordt gemeld dat grond van tracé 2 niet over land verspreid mag worden, wel over oppervlaktewater.
  • Welke maatregelen zijn voorzien voor het afvoeren van deze of andere aangetroffen verontreinigde gronden zonder dat dit ten koste gaat van de leefomgeving en/of… → Registratienummer: Z.074942/D.240954 Inleidende sub-toelichting vraag 4 Het asbestonderzoek is uitgevoerd tot een diepte van 0,5m.
  • Waarom is het onderzoek beperkt tot deze diepte? → Inleidende sub-toelichting vraag 5 Uit een onderzoeksrapport van bureau Land van 4 september 2024 blijkt “Dat bij gemeten concentraties in grondwatermonsters de interventiewaarden voor o.a.
  • Wat is er met deze onderzoeksconclusies gedaan? → Inleidende sub-toelichting vraag 6 In een onderzoeksrapport van bureau Land van 28 september 2024, uitgevoerd i.v.m. de ervaren wateroverlast, lezen wij het volgende: “In totaal komt er…
  • Wat zijn de implicaties van met name de aangetroffen slakken voor het voorgenomen bouwplan? → Inleidende sub-toelichting vraag 7 In hetzelfde rapport lezen wij: “Ter plaatse van de Brinkstraat 13a is een sterke verontreiniging met minerale olie aangetroffen.
  • Wat zijn de implicaties hiervan voor het voorgenomen bouwplan? → Inleidende sub-toelichting vraag 8 In dit rapport wordt bij de aanbevelingen gesteld dat een plan van aanpak nodig is voorafgaand aan de werkzaamheden dat ingediend moet worden bij de…
  • Wordt of is een dergelijk plan van aanpak opgesteld voor de voorgenomen bouwplannen? → a.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Schriftelijke vragen (artikel 34 RvO) Datum vraag: 10 december 2025 Datum antwoord:

Aan de voorzitter van de raad Onderwerp: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Lienden, De Brink en het verkennend en aanvullend bodem-, verhardings- en infiltratieonderzoek Het college/de burgemeester wordt verzocht de volgende vraag/vragen schriftelijk te beantwoorden:

Inleidende sub-toelichting vraag 1

In de toelichting bij het ontwerpplan lezen wij over het zuidelijk deel van de planlocatie het volgende: “De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van de kleiige bovengrond is ‘klasse Wonen’”.

In de conclusies en aanbevelingen in het rapport van Hunneman van 27 oktober 2023 wordt echter gesteld: “Bij indicatieve toetsing …. betreft de bemonsterde bovengrond hoofdzakelijk klasse Industriegrond”.

In hetzelfde rapport en het rapport van 3 juli 2024 lezen we dat de ondergrond deels AWgrond en deels Industriegrond is en dat de waterbodems en perceel 2243 ook als Industriegrond moeten worden gekwalificeerd vanwege de aanwezigheid van zware metalen.

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Waarop is de conclusie gebaseerd dat deze grond geschikt is om woningen op te bouwen?

Antwoord van het college

Inleidende sub-toelichting vraag 2

Over het noordelijk deel meldt de toelichting: “De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie is ‘Altijd toepasbaar’.” In het onderzoek van 3 juli 2024 wordt evenwel gesteld dat perceel 61 en perceel 1112 deels in klasse “Industrie” vallen, vanwege de aanwezigheid van zware metalen resp. DDT. Ook de genomen waterbodemmonsters vallen in de categorie Industrie.

Vraag 2

Waarop is de conclusie gebaseerd dat deze grond geschikt is om woningen op te bouwen?

Antwoord van het college

Inleidende sub-toelichting vraag 3

In het rapport van 3 juli 2024 wordt gemeld dat grond van tracé 2 niet over land verspreid mag worden, wel over oppervlaktewater. Ook wordt gesteld dat OCB-houdende bovengrond vrij kan komen.

Vraag 3

Welke maatregelen zijn voorzien voor het afvoeren van deze of andere aangetroffen verontreinigde gronden zonder dat dit ten koste gaat van de leefomgeving en/of waterkwaliteit op deze of andere locaties?

Antwoord van het college

Registratienummer: Z.074942/D.240954

Inleidende sub-toelichting vraag 4

Het asbestonderzoek is uitgevoerd tot een diepte van 0,5m.

Vraag 4

Waarom is het onderzoek beperkt tot deze diepte?

Antwoord van het college

Inleidende sub-toelichting vraag 5

Uit een onderzoeksrapport van bureau Land van 4 september 2024 blijkt “Dat bij gemeten concentraties in grondwatermonsters de interventiewaarden voor o.a. Koper, Cadmium en Lood wel degelijk overschreden worden.” Uit de bij het ontwerpplan gevoegde onderzoeken blijkt hier niets van terug te vinden.

Vraag 5

Wat is er met deze onderzoeksconclusies gedaan?

Antwoord van het college

Inleidende sub-toelichting vraag 6

In een onderzoeksrapport van bureau Land van 28 september 2024, uitgevoerd i.v.m. de ervaren wateroverlast, lezen wij het volgende: “In totaal komt er circa 190 m3 menggranulaat, bakstenen, asfalt en grind, 280 m3 slakken vrij dat indicatief niet geschikt is voor hergebruik als ‘niet-vormgegeven’ bouwstof en komt 58 m 3 slakken geschikt voor hergebruik als ‘niet-vormgegeven’ bouwstof vrij.”

Vraag 6

Wat zijn de implicaties van met name de aangetroffen slakken voor het voorgenomen bouwplan?

Antwoord van het college

Inleidende sub-toelichting vraag 7

In hetzelfde rapport lezen wij: “Ter plaatse van de Brinkstraat 13a is een sterke verontreiniging met minerale olie aangetroffen. Het betreft een spot van circa 20 m3.” “Ter plaatse van de Brinkstraat 15 is een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Het betreft een spot van circa 15 m3” “Ter plaatse van de Brinkstraat 23 is een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Het betreft een spot van circa 18 m3” “Verspreid over de onderzoekslocatie zijn lichte verontreinigingen met PAK , diverse zware metalen en/of minerale olie aangetroffen. In de kleiige bovengrond is PFAS aangetoond het betreffen PFOA (som) en PFOS (som). De aangetoonde gehaltes liggen boven de bepalingsgrens , maar onder de achtergrondwaarde.” “De te verwachten bodekwaliteitsklasse ter plaatse van de sterke verontreinigingen is ‘Niet toepasbaar > interventiewaarde’. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van het kleipakket ter plaatse van de toekomstige waterberging en de zandgrond in het noorden van de onderzoekslocatie met een sterke oliewater reactie is ‘niet toepasbaar > industrie’.”

Vraag 7

Wat zijn de implicaties hiervan voor het voorgenomen bouwplan?

Antwoord van het college

Inleidende sub-toelichting vraag 8

In dit rapport wordt bij de aanbevelingen gesteld dat een plan van aanpak nodig is voorafgaand aan de werkzaamheden dat ingediend moet worden bij de gemeente/ ODR.

Vraag 8

Wordt of is een dergelijk plan van aanpak opgesteld voor de voorgenomen bouwplannen?

Antwoord van het college

a. Zo ja, is/wordt dit plan van aanpak ook besproken met de omwonenden?

i. Zo ja, op welke wijze wordt de aanpak besproken met de omwonenden? ii. Zo nee, waarom niet?

b. Zo nee, waarom niet?

Registratienummer: Z.074942/D.240954

Inleidende sub-toelichting vraag 9

In de toelichting wordt geconcludeerd dat er geen MER rapportage nodig is. De ODR stelt in haar brief d.d. 29 oktober 2025 dat de gemeenteraad het bevoegd gezag is om te beslissen of een MER rapportage nodig is. De ODR stelt voor te concluderen dat geen significante milieueffecten verwacht worden en dat een MER rapportage dus niet nodig is.

Vraag 9

Wanneer wordt dit besluit aan de raad voorgelegd? Toelichting: De omgevingsvisie van de gemeente Buren stelt dat Lienden als centrumdorp van de gemeente kan groeien met woningbouw en bevat daarvoor vier zoekgebieden voor uitbreiding. Het gebied Groenestraat / Brinkstraat aan de noordzijde van het dorp is één van die vier zoekgebieden. In een stedenbouwkundige verkenning is verkend wat de mogelijkheden voor dit gebied waren. Dit is verder uitgewerkt tot concreter stedenbouwkundig plan, die op draagvlak vanuit de gemeente Buren kan rekenen. De initiatiefnemer is voornemens dit stedenbouwkundig plan, waarin onder andere 95 woningen opgenomen zijn, ten uitvoer te brengen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Buren, waar het bestemmingsplan 'Reparatieplan buitengebied 2012' onderdeel van is. De voorgenomen ontwikkeling is op meerdere onderdelen in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Naam en ondertekening: Alda van Zijl-Hoek D66 De beantwoording van het college/de burgemeester: Het college/de burgemeester wordt verzocht de volgende vraag/vragen schriftelijk te beantwoorden: Inleidende sub-toelichting vraag 1 In de toelichting bij het ontwerpplan lezen wij over het zuidelijk deel van de planlocatie het volgende: “De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van de kleiige bovengrond is ‘klasse Wonen’”. In de conclusies en aanbevelingen in het rapport van Hunneman van 27 oktober 2023 wordt echter gesteld: “Bij indicatieve toetsing …. betreft de bemonsterde bovengrond hoofdzakelijk klasse Industriegrond”. In hetzelfde rapport en het rapport van 3 juli 2024 lezen we dat de ondergrond deels AWgrond en deels Industriegrond is en dat de waterbodems en perceel 2243 ook als Industriegrond moeten worden gekwalificeerd vanwege de aanwezigheid van zware metalen. 1. Waarop is de conclusie gebaseerd dat deze grond geschikt is om woningen op te bouwen?

Antwoord van het college

De locatie betreft een bodemgevoelige locatie waarop bouwactiviteiten zijn gepland. De toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt niet overschreden (geen gehalten boven de Registratienummer: Z.074942/D.240954

interventiewaarden). Waardoor de locatie geschikt is voor woningbouw.

Inleidende sub-toelichting vraag 2

Over het noordelijk deel meldt de toelichting: “De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie is ‘Altijd toepasbaar’.” In het onderzoek van 3 juli 2024 wordt evenwel gesteld dat perceel 61 en perceel 1112 deels in klasse “Industrie” vallen, vanwege de aanwezigheid van zware metalen resp. DDT (Dichloordifenyltrichloorethaan). Ook de genomen waterbodemmonsters vallen in de categorie Industrie.

2. Waarop is de conclusie gebaseerd dat deze grond geschikt is om woningen op te bouwen?

Antwoord:

Binnen het plangebied zijn in een aantal mengmonsters van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) licht verhoogde gehalten aangetoond die vallen in de kwaliteitsklasse industrie. De ondergrond (0,5-2,0 m-mv) valt in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. De bovengrond binnen het plangebied wordt in het kader van het bouwrijp maken ontgraven. De ontgraven grond wordt bemonsterd en deels afgevoerd buiten het plangebied en deels hergebruikt. De bemonsterde grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur wordt gebruikt binnen het plangebied in o.a. groenstroken/tuinen etc. “Altijd toepasbaar” is onvolledig geformuleerd in de toelichting. In het definitieve Omgevingsplan zal deze tekst aangepast worden.

Inleidende sub-toelichting vraag 3

In het rapport van 3 juli 2024 wordt gemeld dat grond van tracé 2 niet over land verspreid mag worden, wel over oppervlaktewater. Ook wordt gesteld dat OCB (Organochloorbestrijdingsmiddelen)-houdende bovengrond vrij kan komen.

3. Welke maatregelen zijn voorzien voor het afvoeren van deze of andere aangetroffen verontreinigde gronden zonder dat dit ten koste gaat van de leefomgeving en/of waterkwaliteit op deze of andere locaties?

Antwoord:

Als de watergangen worden gedempt dan zal het vrijkomende slib worden afgevoerd.

Het vrijkomende slib zal door de uitvoerende aannemer worden afgevoerd naar een locatie/werk waar slib met deze kwaliteit mag worden hergebruikt/toegepast. Voorafgaand aan de afvoer wordt dit door de aannemer gemeld in het DSO. Deze werkwijze geldt ook voor de vrijkomende OCBhoudende grond uit het plangebied.

Inleidende sub-toelichting vraag 4

Het asbestonderzoek is uitgevoerd tot een diepte van 0,5m.

4. Waarom is het onderzoek beperkt tot deze diepte?

Antwoord:

Het asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN-5707 en voorziet in onderzoek van de actuele contactzone (0,0-0,5 meter minus maaiveld) tenzij andere diepere bodemlagen verdacht zijn op het voorkomen van asbest. Op basis van verkennend onderzoek is gebleken dat er geen puinresten in een diepere laag zijn aangetroffen waardoor alleen de bovenste laag is onderzocht.

De onderzoeken zijn beoordeeld door de omgevingsdienst Regio Rivierenland en akkoord bevonden.

Inleidende sub-toelichting vraag 5

Uit een onderzoeksrapport van bureau Land van 4 september 2024 blijkt “Dat bij gemeten concentraties in grondwatermonsters de interventiewaarden voor o.a. Koper, Cadmium en Lood wel degelijk overschreden worden.” Uit de bij het ontwerpplan gevoegde onderzoeken blijkt hier niets van terug te vinden.

Registratienummer: Z.074942/D.240954

Inleiding antwoord:

De vragen die vanuit D66 zijn gesteld hebben volgens de aanhef betrekking op het plan De Brink.

Dat klopt echter niet. Bij dat plan zijn de onderstaande bijlagen toegevoegd. Wat hier meespeelt is dat er al 8x een WOO verzoek is ingediend waarbij alle stukken van de afgelopen 3 jaar gedeeld zijn. Ook rapportages van eerdere bodem- en wateronderzoeken zijn gedeeld, maar die hebben geen betrekking (of niet meer) op het huidige omgevingsplan.

5. Wat is er met deze onderzoeksconclusies gedaan?

Antwoord:

Vraag 5 ziet toe op een grondwateronderzoek dat de gemeente heeft laten uitvoeren door Bureau ’t Land nadat de tijdelijke waterberging werd gegraven en een olieachtige laag op het water werd waargenomen.

Van het aanwezige oppervlaktewater in de bouwput, waar een visuele verkleuring van het water te zien was, is op 26 juni 2024 door Bureau Land een indicatief watermonster genomen waarbij geen veldfiltratie heeft plaatsgevonden. Filtratie is op het laboratorium uitgevoerd. Dit betreft een indicatieve en onbetrouwbare monstername omdat alle zwevende delen niet worden gefiltreerd in het veld. De van nature aanwezige zware metalen in de vaste bodem komen in oplossing waardoor hogere gehalten worden gemeten die te wijten zijn aan de manier van monstername.

Omdat dit ook wordt onderkent in het rapport van ‘t Land is aanbevolen om een peilbuis te plaatsen. Dit is op 13 september 2024 uitgevoerd door Hunneman Milieu Advies.

Het uitkomst van dat veldonderzoek heeft Hunneman Milieu Advies verwerkt in een rapport dat op 11 november 2024 is opgesteld en bij het omgevingsplan is gevoegd (bijlage12).

De resultaten van deze monstername zijn maatgevend. De conclusie uit dat onderzoek luidt: In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium en een matig verhoogd gehalte aan arseen. De aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden, maar blijven beneden de signaleringswaarden. De visuele waarnemingen en de analyseresultaten geven geen aanleiding voor nader onderzoek.

Inleidende sub-toelichting vraag 6

In een onderzoeksrapport van bureau Land van 28 september 2024, uitgevoerd i.v.m. de ervaren wateroverlast, lezen wij het volgende:

Registratienummer: Z.074942/D.240954

“In totaal komt er circa 190 m3 menggranulaat, bakstenen, asfalt en grind, 280 m3 slakken vrij dat indicatief niet geschikt is voor hergebruik als ‘niet-vormgegeven’ bouwstof en komt 58 m 3 slakken geschikt voor hergebruik als ‘niet-vormgegeven’ bouwstof vrij.” Inleiding antwoord:

Vanaf vraag 6 wordt een rapport van bureau ’t Land van 28 september 2024 aangehaald. Alleen dit rapport heeft geen betrekking op de ontwikkeling “De Brink”. Het rapport met deze datum bestaat daarnaast niet. De tekstuele toevoeging “uitgevoerd i.v.m. de ervaren wateroverlast“ moet o.i. betrekking hebben op het werk van de riolering/vlotterbakken van de Brinkstraat van voor 2024. Ook de geciteerde passage uit dat rapport “In totaal komt er circa 190 m3 menggranulaat, bakstenen, asfalt en grind, 280 m3 slakken vrij dat indicatief niet geschikt is voor hergebruik als ‘niet-vormgegeven’ bouwstof en komt 58 m 3 slakken geschikt voor hergebruik als ‘nietvormgegeven’ bouwstof vrij” kan simpelweg niet op De Brink slaan omdat die stoffen niet in alle onderzoeken geconstateerd zijn.

6. Wat zijn de implicaties van met name de aangetroffen slakken voor het voorgenomen bouwplan?

Antwoord:

Dit onderzoek heeft geen betrekking op het omgevingsplan ten behoeve van de woningbouwlocatie De Brink die ter inzage is gelegd. Het betreffende rapport hebben wij in de bijlagen niet toegevoegd. Over de inhoud of de afhandeling ervan kunnen wij geen uitspraak doen. In het plangebied De Brink zijn geen slakken aangetroffen. De uitgevoerde onderzoeken tonen dat aan.

Inleidende sub-toelichting vraag 7

In hetzelfde rapport lezen wij: “Ter plaatse van de Brinkstraat 13a is een sterke verontreiniging met minerale olie aangetroffen. Het betreft een spot van circa 20 m3.” “Ter plaatse van de Brinkstraat 15 is een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Het betreft een spot van circa 15 m3” “Ter plaatse van de Brinkstraat 23 is een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Het betreft een spot van circa 18 m3” “Verspreid over de onderzoekslocatie zijn lichte verontreinigingen met PAK , diverse zware metalen en/of minerale olie aangetroffen. In de kleiige bovengrond is PFAS aangetoond het betreffen PFOA (som) en PFOS (som). De aangetoonde gehaltes liggen boven de bepalingsgrens , maar onder de achtergrondwaarde.” “De te verwachten bodekwaliteitsklasse ter plaatse van de sterke verontreinigingen is ‘Niet toepasbaar > interventiewaarde’. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse ter plaatse van het kleipakket ter plaatse van de toekomstige waterberging en de zandgrond in het noorden van de onderzoekslocatie met een sterke oliewater reactie is ‘niet toepasbaar > industrie’.”

7. Wat zijn de implicaties hiervan voor het voorgenomen bouwplan?

Antwoord:

Het lijkt erop dat de onderzoeken door elkaar heen worden gehaald. De verwijzing naar “hetzelfde rapport” geeft aan dat het hier om een onderzoek gaat dat geen betrekking heeft op het omgevingsplan ten behoeve van woningbouwlocatie De Brink. Er zijn daarom geen implicaties.

Inleidende sub-toelichting vraag 8

In dit rapport wordt bij de aanbevelingen gesteld dat een plan van aanpak nodig is voorafgaand aan de werkzaamheden dat ingediend moet worden bij de gemeente/ ODR.

Inleidend antwoord: uit de bodem- en (grond) wateronderzoeken die betrekking hebben het omgevingsplan ten behoeve van woningbouwlocatie De Brink komt geen conclusie dat er een plan van aanpak nodig is.

Registratienummer: Z.074942/D.240954

8. Wordt of is een dergelijk plan van aanpak opgesteld voor de voorgenomen bouwplannen?

Nee, zie inleidend antwoord.

a. Zo ja, is/wordt dit plan van aanpak ook besproken met de omwonenden?

Nee

i. Zo ja, op welke wijze wordt de aanpak besproken met de omwonenden? ii. Zo nee, waarom niet?

Zie inleidend antwoord.

b. Zo nee, waarom niet? c.

Zie inleidend antwoord Inleidende sub-toelichting vraag 9

In de toelichting wordt geconcludeerd dat er geen MER rapportage nodig is. De ODR stelt in haar brief d.d. 29 oktober 2025 dat de gemeenteraad het bevoegd gezag is om te beslissen of een MER rapportage nodig is. De ODR stelt voor te concluderen dat geen significante milieueffecten verwacht worden en dat een MER rapportage dus niet nodig is.

Vraag 10

Waarop is deze conclusie gebaseerd in het licht van de bovengenoemde zorgen m.b.t. de bodemkwaliteit?

Antwoord van het college

Deze conclusie volgt onder andere uit het feit dat uit onderzoeken blijkt dat er geen zorgen zijn m.b.t. de bodemkwaliteit

Vraag 11

Wanneer wordt dit besluit aan de raad voorgelegd?

Antwoord van het college

We streven er naar de zienswijzennota en het omgevingsplan in de oordeelsvormende raad van 14 april 2026 en de besluitvormende raad van 6 mei 2026 te behandelen.

Registratienummer: Z.074942/D.240954

Bekijk de brief: Beantwoording Schriftelijke vragen - D66 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Lienden, De Brink en het verkennend en aanvullend bodem-, verhardings- en infiltratieonderzoek

Bron: raadsinformatie van de gemeente Buren (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Buren

Alle artikel 35-vragen in Buren