260930- Beantwoording schriftelijke vragen CDA m.b.t. permanent karakter kleinschalige asielopvang
Een raadslid stelde op 30 september 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren (2 vragen).
In het kort
2 vragen en wat het college antwoordt
- Welke verschillen bestaan er in de wettelijke en beleidsmatige voorwaarden die gelden voor tijdelijke respectievelijk permanente opvanglocaties, waaronder beheer… → 1.
- Welke voor- en nadelen ziet het college in tijdelijke opvanglocaties ten opzichte van permanente opvanglocaties, en vice versa? → Digitaal bijgevoegd: Bijlage QA Reguliere kleinschalige opvang 21 oktober 2024.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Antwoord op raadsvragen Datum : 30-09-2026 Naam raadslid : Jacob Cloo Partij : CDA Onderwerp : Permanent karakter kleinschalige asielopvang Zaaknummer : Z.917776 Vraag raadslid:
Op 24 september ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Tijdens het Petear van 16 september jl. is er gesproken over het Plan van Aanpak kleinschalige asielopvang De Fryske Marren. De CDA-fractie heeft naar aanleiding van dit Petear nog de volgende schriftelijke vragen over de belangrijkste verschillen tussen een tijdelijke opvanglocatie en een permanente opvanglocatie voor asielzoekers.
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Welke verschillen bestaan er in de wettelijke en beleidsmatige voorwaarden die gelden voor tijdelijke respectievelijk permanente opvanglocaties, waaronder beheer, veiligheid, leefbaarheid en ruimtelijke inpassing?
Antwoord van het college
1. Kan het college uiteenzetten welke verschillen er zijn in de benodigde vergunningen, procedures en mogelijkheden voor inspraak en bezwaar bij tijdelijke en permanente opvanglocaties?
2. In hoeverre verschillen tijdelijke en permanente opvanglocaties van elkaar als het gaat om flexibiliteit, bijvoorbeeld ten aanzien van uitbreiding, vermindering van capaciteit of beëindiging van de opvangfunctie?
Vraag 2
Welke voor- en nadelen ziet het college in tijdelijke opvanglocaties ten opzichte van permanente opvanglocaties, en vice versa?
Antwoord van het college
Digitaal bijgevoegd:
Bijlage QA Reguliere kleinschalige opvang 21 oktober 2024.
Antwoord namens college:
Hieronder volgt de beantwoording per vraag afzonderlijk. Omdat nog geen locaties zijn aangewezen, blijven de antwoorden noodzakelijkerwijs op hoofdlijnen; de concrete uitwerking hangt af van de locatie, het omgevingsplan, de looptijd en de afspraken met het COA.
Toelichting:
De beantwoording van de vragen 1 en 2 is inhoudelijk door het COA opgesteld, omdat deze vragen in belangrijke mate betrekking hebben op de inrichting, voorzieningen, begeleiding, veiligheid en exploitatie van opvanglocaties. Dit zijn onderwerpen waarvoor het COA als uitvoeringsorganisatie de
primaire expertise heeft. Het antwoord op vraag 4 is in afstemming met het COA opgesteld; de onderdelen over vergunningverlening en ruimtelijke besluitvorming zijn door de gemeente aangevuld.
Voor de volledigheid merkt het college op dat het Plan van Aanpak uitgaat van reguliere, structurele kleinschalige COA-opvang. Noodopvang maakt geen onderdeel uit van de voorgestelde voorkeursvariant en wordt hieronder uitsluitend genoemd ter toelichting op de algemene verschillen met reguliere opvang.
Antwoord op vraag 1, door het COA:
Verschijningsvorm is met name afhankelijk van locatie en aangeboden vastgoed (weiland of gebouw). Bij permanente of langdurige opvang is er meer ruimte voor langjarige investeringen in vastgoed, inrichting en voorzieningen. Bij tijdelijke opvang worden deze investeringen meer afgestemd op de gebruiksduur, waardoor eerder gekozen kan worden voor tijdelijke, flexibele of demontabele oplossingen. Indien de locatie nog ingericht moet worden met woningen, zal dat wel afhankelijk kunnen zijn van de duur dat wij daarvan gebruik kunnen maken. Tevens is de inzet van de woningen na ons gebruik, bijvoorbeeld voor andere woningzoekenden/doelgroepen, ook van invloed op de uiterlijke verschijningsvorm.
In onze vastgoedgids (website COA) kun je met indicatieve termijnen ongeveer zien wat we in het verleden hebben gerealiseerd. Van permanente woningbouw zoals in Burgum en Delfzijl tot tijdelijk units en verbouwde gevangenissen en kloosters. Tevens hebben we ons woonconcept COACH, dit zijn op maat gemaakte units die met verschillende afwerkingsmaterialen opgeleverd kunnen worden (afhankelijk van locatie), bij minimale periode van 10 jaar. Deze zien eruit als reguliere woningen, maar zijn wel flexibele demontabel en dus ook weer inzetbaar op andere COA locaties.
Inrichting en voorzieningenniveau als bedoeld in stedenbouwkundige context, is ook afhankelijk van de locatie en omgeving en de omvang van de locatie. Bij kleinschaligheid zullen we voorzieningen en daarmee de dienstgebouwen delen met andere AZC locaties of bijvoorbeeld de combinatie zoeken met een buurthuis. Zie ook onze brochure en website over kleinschalige opvang. Als we met ambulante teams gaan werken komen daar veel kleinere of geen voorzieningen (dienstgebouwen) op de locatie.
Maar andermaal geldt, kleinschaligheid is maatwerk en zal ingericht worden afhankelijk van voorzieningen in de omgeving van de opvang. Als we wel dienstgebouwen gaan plaatsen op de opvanglocatie zal dat in uiterlijke verschijningsvorm aansluiten bij de woningen.
Inrichting en voorzieningenniveau, hiervoor geldt eveneens dat bij permanente of langdurige opvang meer ruimte is om passende voorzieningen te realiseren en duurzame samenwerkingen in de omgeving op te bouwen. Over het algemeen ligt het kwaliteits- en voorzieningenniveau bij tijdelijke opvang daardoor lager dan bij reguliere opvang. Daarnaast zijn deze sterk ook afhankelijk van de locatie en omgeving en de omvang van de locatie. Bij kleinschaligheid zullen we voorzieningen en daarmee de dienstgebouwen delen met andere AZC locaties of bijvoorbeeld de combinatie zoeken met een buurthuis. Zie ook onze brochure en website over kleinschalige opvang. Als we met ambulante teams gaan werken komen daar veel kleinere of geen voorzieningen (dienstgebouwen) op de locatie. Maar andermaal geldt, kleinschaligheid is maatwerk en zal ingericht worden afhankelijk van voorzieningen in de omgeving van de opvang. Als we wel dienstgebouwen gaan plaatsen op de opvanglocatie zal dat in uiterlijke verschijningsvorm aansluiten bij de woningen.
Antwoord op vraag 2, door het COA:
Het COA heeft als kerntaak de opvang en begeleiding van asielzoekers, ongeacht de opvangvorm. Op zowel tijdelijke als reguliere opvanglocaties zijn medewerkers van Opvang & Begeleiding aanwezig en vanaf 100 bewoners permanente beveiliging. Voor alle opvanglocaties gelden eisen op het gebied van onder andere veiligheid en brandveiligheid. In het Ruimtelijk-functioneel Programma van Eisen (PvE) zijn de functionele, bouwkundige en ruimtelijke uitgangspunten voor opvanglocaties beschreven. Bij met name noodopvang, als vorm van tijdelijke opvang, wordt van het PvE geweken en gelden minder strikte
eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal vierkante meters per bewoner of de mogelijkheid om zelf te koken. Dit heeft consequenties voor de kwaliteit van de opvang.
In het algemeen ligt de kwaliteits- en voorzieningenniveau bij tijdelijke opvang lager dan bij reguliere opvang. Bewoners hebben vaker minder privacy en minder mogelijkheden voor zinvolle dagbesteding.
Daarnaast is het bij reguliere opvanglocaties gemakkelijker om passende faciliteiten te organiseren, duurzame relaties met lokale organisaties en samenwerkingspartners op te bouwen en het reguliere aanbod aan begeleiding en programma's volledig aan te bieden. Het COA streeft er daarom naar dat bewoners zoveel mogelijk op stabiele, reguliere opvanglocaties verblijven.
Antwoord op vraag 3:
Of vergunningen of een wijziging van het omgevingsplan nodig zijn, hangt af van de concrete locatie en het geldende omgevingsplan. Dit kan zowel bij tijdelijke als bij structurele opvang aan de orde zijn.
Tijdelijke opvang kan soms met een tijdelijke vergunning of afwijking worden gerealiseerd; structurele opvang vraagt vaker om een duurzame planologische borging. Bij beide vormen gelden de reguliere mogelijkheden voor participatie, zienswijzen, bezwaar en beroep, hierin zit dus geen verschil.
Antwoord op vraag 4, mede door het COA:
Bij zowel tijdelijke als permanente opvanglocaties worden bestuurlijke afspraken gemaakt over capaciteit, looptijd en eventuele beëindiging van de opvang. Deze afspraken zijn leidend. Het verschil in flexibiliteit is daardoor niet per definitie groot.
Voor zowel tijdelijke als permanente opvanglocaties zijn, afhankelijk van de locatie en het geldende omgevingsplan, ruimtelijke besluiten en mogelijk vergunningen nodig. Daarin wordt vastgelegd welke bouwwerken en voorzieningen zijn toegestaan, waarvoor deze mogen worden gebruikt en wat de maximaal toegestane capaciteit is.
Om flexibiliteit te behouden, kan bij de vergunningverlening, voor zover ruimtelijk aanvaardbaar en goed onderbouwd, rekening worden gehouden met een capaciteit die hoger ligt dan de actuele opvangopgave op grond van de Spreidingswet. Binnen die vergunde capaciteit kan de bezetting vervolgens toenemen of afnemen zonder dat direct een nieuwe vergunningprocedure nodig is.
Daarnaast is bij tijdelijke opvang, met name bij noodopvang, het kwaliteits- en voorzieningenniveau doorgaans lager dan bij reguliere opvang. Dit kan gevolgen hebben voor de leefomstandigheden van bewoners. Een langere looptijd biedt meer mogelijkheden om te investeren in een kwalitatief passend voorzieningenniveau en in duurzame samenwerking met de gemeente en lokale partners.
Tijdelijke opvang is doorgaans eenvoudiger te beëindigen, omdat deze meestal voor een bepaalde termijn wordt vergund of gecontracteerd. Bij permanente opvang kunnen beëindiging of grotere wijzigingen door langdurige afspraken en investeringen meer voorbereiding vragen. Permanente opvanglocaties sluiten daarmee aan bij het doel van de Spreidingswet om te komen tot een stabiel en duurzaam opvanglandschap.
Antwoord op vraag 5:
Er zijn nog geen concrete bedragen beschikbaar, omdat locaties en uitvoeringsafspraken nog niet zijn vastgesteld. Tijdelijke opvang kan lagere investeringen vooraf vragen, maar kan per plaats duurder zijn door tijdelijke inrichting, huur, vervoer en herhaalde op- en afbouw. Structurele opvang kan hogere investeringen vooraf vragen, maar biedt mogelijkheden om kosten over een langere periode te verdelen.
De rijksoverheid financiert de asielopvang (zie bijlage QA Reguliere kleinschalige opvang 21 oktober 2024). Het COA exploiteert en bekostigt in beginsel ook reguliere kleinschalige opvang en betaalt, binnen de gemaakte afspraken, de kosten voor lokale voorzieningen en faciliteiten. Kleinschalige opvanglocaties zijn voor het COA in het algemeen duurder dan reguliere, grotere azc’s, omdat voorzieningen voor grotere groepen relatief goedkoper kunnen worden georganiseerd.
De financiële risico’s voor de gemeente hangen vooral af van de taak- en kostenverdeling met het COA, eigendom, contractduur, benodigde voorzieningen en aanvullende gemeentelijke inzet. Omdat de Spreidingswet een structurele opvangopgave kent, kan tijdelijke opvang bovendien leiden tot terugkerende kosten wanneer locaties opnieuw moeten worden ingericht, verlengd of vervangen.
Antwoord op vraag 6, mede door het COA:
Tijdelijke opvang biedt meer flexibiliteit, maar kent vaak minder continuïteit, een soberder voorzieningenniveau en mogelijk hogere kosten per plaats. Structurele opvang vraagt meer voorbereiding en mogelijk hogere aanloopinvesteringen, maar biedt meer stabiliteit, betere mogelijkheden voor voorzieningen en beheer, en een duurzamere inbedding in de omgeving. Daarom is in het Plan van Aanpak structurele kleinschalige opvang als uitgangspunt opgenomen. Tijdelijke opvang kan overigens meetellen voor de tweejarige cyclus van de Spreidingswet, mits deze gedurende de voorgeschreven periode beschikbaar is.
Gezien de Spreidingswet is dit niet een gewenste situatie omdat de tweejaarlijkse cyclus zich continue herhaalt en het ernaar uitziet dat de Spreidingwet van kracht blijft. Er wordt overigens ook in Provinciaal verband gekeken naar de opgave, maar we kunnen er niet vanuit gaan dat andere gemeenten zorgdragen voor provinciale dekking voor wat betreft de opvang van asielzoekers, door meer te doen dan gevraagd volgens het gemeentelijke verdeelbesluit.
Bron: raadsinformatie van de gemeente De Fryske Marren (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.