14 februari 2023 · artikel 35-vragen · gemeente Doesburg

vragen PvdA-GL mbt PGB - Jeugdhulp

Een raadslid stelde op 14 februari 2023 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Doesburg (1 vragen).

In het kort

1 vragen en wat het college antwoordt

  • Hoeveel persoonsgebonden budgetten in het kader van de jeugdwet zijn er verleend in onze gemeente in respectievelijk 2019, 2020, 2021 en 2022. → Zie antwoord bij 1 3.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

PvdA-GroenLinks Doesburg Vragen met betrekking tot agendapunt 3b Commissie MO dd. 14 februari 2023:

Wijziging verordening jeugdhulp atikel 5 punt 5.

In het raadsvoorstel voor de wijziging van de verordening jeugdhulp Doesburg stelt het College voor om de hoogte van de beloning voor informele zorg te fixeren op het wettelijk minimumloon en de kring van zorgverleners voor informele zorg te beperken. De onderbouwing dat de kring van zorgverleners niet goed beschreven staat en dat ‘we niet willen’ dat de beloning hoger ligt dan het minimumloon, is voor onze fractie aanleiding voor de volgende vragen.

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Hoeveel persoonsgebonden budgetten in het kader van de jeugdwet zijn er verleend in onze gemeente in respectievelijk 2019, 2020, 2021 en 2022. In 2019: 6 pgb’s; Kosten: € 35.000,In 2020: 7 pgb’s; Kosten: € 50.000,In 2021: 5 pgb’s; Kosten: € 29.000,In 2022: 5 pgb’s; Kosten: € 14.000,2. Wat zijn de kosten die daarmee gemoeid zijn in respectievelijk 2019, 2020, 2021 en 2022 ?

Antwoord van het college

Zie antwoord bij 1

3. Hoeveel daarvan werd er daarvan uitgegeven aan informele zorg in 2019, 2020, 2021 en 2022 ?

Dat kan niet ingezien worden vanuit het dashboard van Zorg Lokaal. Indien gewenst kan deze vraag nog gesteld worden aan de backoffice.

4. Is het wettelijk verplicht op grond van de jeugdwet om een minimumbedrag in te stellen voor informele zorg? Zo ja, hoe hoog is dit bedrag per uur?

Ja, dat is het minimumuurloon, maar alleen voor informele zorg die wordt verricht vanuit een overeenkomst in het kader van een arbeidsrelatie óf vanuit een zorgovereenkomst van opdracht met een partner of een 1e of 2e graads-familielid. (Zie artikel 5 lid 5a) Dit is een gevolg van de Wet minimumloon (Wml) die vanaf 2018 geldt. Aansluitend hierop is vanaf 1 mei 2019 de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk (te betalen uit een pgb) van kracht, die is opgenomen in de jeugdwet en de Wmo.

Indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst of een zorgovereenkomst van opdracht is er nog een mogelijkheid om toch informele zorg met een PGB te bekostigen: dat is een tegemoetkoming en/of een onkostenvergoeding waarbij gebruik gemaakt wordt van de zogenaamde ‘verklaring’(zie beschrijving onder artikel 5 lid 5b). Dat houdt in dat de budgethouder op aanvraag per kalendermaand een bedrag kan laten uitbetalen door de SVB van ten hoogste per maand € 141 als een lage symbolische tegemoetkoming en/of onkosten vergoeden op basis van vergoedingenlijsten. De vergoedingslijst bestaat uit vier kostensoorten, namelijk: schoonmaakmiddelen, levensmiddelen (eten & drinken), kleding en reiskosten.

Bij artikel 5 lid 5a wordt een juridische verbintenis aangegaan die in beginsel moet worden nagekomen. In de toelichting van de Ministeriele Regeling 2019 staat het volgende: “Dit verplichtende element (en dus ook de mogelijkheid om nakoming af te dwingen, alsmede de andere verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien) is niet aanwezig bij hulp in familieverband, burenhulp, vriendendiensten en activiteiten in de sfeer van ‘heitje voor een karweitje’. Dit sluit aan bij wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Er is dus in die gevallen geen sprake van een overeenkomst van opdracht, noch van een arbeidsovereenkomst, noch van een andere overeenkomst in de zin van Boek 7 BW zoals de overeenkomst voor vervoer. Bij de hulp die in deze regeling wordt bedoeld, namelijk hulp in familieverband en vriendendiensten, gaat het om hulp en bijstand in de particuliere sfeer waarbij geen aanspraak op beloning wordt gemaakt, maar waarvoor de budgethouder een kleine (symbolisch) bedrag wenst te verstrekken.

De Wml geldt namelijk niet in situaties zoals een vriendendienst of vrijwillige hulp in familieverband. Dit is reeds tijdens de behandeling van het wetsvoorstel om de overeenkomst van opdracht zonder nadere voorwaarden onder de Wml te brengen met de Tweede Kamer gewisseld. In die situaties is er namelijk geen sprake van een juridische afdwingbare verbintenis om tegen beloning arbeid te verrichten.”

5. Is het wettelijk verplicht op grond van de Jeugdwet een maximumbedrag in te stellen voor informele zorg? Zo ja, hoe hoog is dit bedrag?

De jeugdwet stelt geen maximumbedrag voor informele zorg. Gemeenten kunnen zelf de hoogte van het maximumbedrag bepalen.

6. Waarom kan het niet blijven zoals het in 2019 is afgesproken, met een maximum van €20,-?

We hebben het nu gelijkgetrokken met de Wmo; daarvan is in 2021 besloten om het bedrag gelijk te stellen aan het minimumuurloon, Artikel 13 lid 5 van de verordening Wmo 2021.

Het betreft hier informele hulp. In de toelichting van de Verordening Wmo 2021 staat:

Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.

7. In de Wet Langdurige Zorg en in de Zorgverzekeringswet kan de budgethouder van een persoonsgebonden budget voor informele zorg een tarief tussen minimaal mimumloon en maximaal € 21,68 (WLZ - 2022) en € 24,96 (Zvw-2022) betalen. Andere gemeentes zoals Zeist hebben een vast tarief voor informele zorg van € 22,98 (ww.cjgzeist.nl).

Waarom heeft het College geen aansluiting gezocht bij deze tarieven van andere organisaties of wetten.

Ieder college kan dat zelf bepalen. In eerste instantie (na de decentralisatie) hebben veel gemeenten de werkwijze van de WLZ aangehouden met het maximumtarief. Daarna is dat gaan verschillen per gemeente. Die vrijheid is er. De problematiek van de jeugdwet is immers

niet hetzelfde als de problematiek van de WLZ. De zwaarte van de in te zetten informele zorg vanuit de jeugdwet verschilt dus ook van de WLZ.

8. Waarom vindt het College dat informele zorg alleen door partners en 1e en 2e graads familieleden mag worden gegeven en niet door bijvoorbeeld de buurman, een tante/oom of iemand uit de vriendenkring? Graag een toelichting.

Dat vindt het college niet. Het college volgt hierin de ministeriele regeling, zie het antwoord bij vraag 4. In de regeling is immers naast de informele zorg door partners en 1e en 2e graads familieleden de mogelijkheid voor het inzetten van een maandelijkse tegemoetkoming en/of een onkostenvergoeding (artikel 5 lid 5b).

9. U heeft het in de adviesnota over “problemen als dit niet op korte termijn worden geregeld” Welke problemen verwacht u?

Zoals het nu is verwoord in de verordening kunnen we geen gebruik maken van een overeenkomst van opdracht (met het minimumloon), want die mogelijkheid ontbreekt in de tekst. Echter, de wet biedt die mogelijkheid van een overeenkomst van opdracht wel degelijk en wij wilden dat in 2019 ook helemaal niet uitsluiten. Door het ontbreken van de genoemde mogelijkheid kunnen we voor informele hulp nu alleen een tegemoetkoming in de kosten toekennen (van € 141,- per maand + onkostenvergoeding).

Het is daarom goed om dit zo snel mogelijk te herstellen en niet te wachten tot de wijziging van de jeugdwet (die ook weer zal leiden tot een wijziging van de verordening). Met problemen worden dus juridische problemen bedoeld.

Bekijk de brief: Beantwoording vragen PvdA-GL mbt PGB - Jeugdhulp

Bron: raadsinformatie van de gemeente Doesburg (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Doesburg

Alle artikel 35-vragen in Doesburg