26u0006889 Beantwoording vragen fractie SP (Geanonimiseerd)
Een raadslid stelde op 15 juni 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (6 vragen).
In het kort
6 vragen en wat het college antwoordt
- Door de verhoging van de afstandsgrens van 2 naar 6 kilometer veranderen de aanspraken op Leerlingenvervoer. → le) Kan het nieuwe aanvraag college daarbij uitleggen waarom leerlingen, terwijl het AMO-advies spreekt op afstand zouden uitvallen en na mogelijk de nota over kwalitatieve niet spreekt…
- De verordening legt meer nadruk op zelfstandigheid , fietsen , openbaar vervoer en de goedkoopst passende voorziening. o Hoe beoordeelt het college of een leerling niet… → ’ Het college beoordeelt niet uitsluitend of een leerling in theorie kan reizen , maar kijkt naar de totale situatie van de leerling.
- De verordening kijkt steeds meer naar de vraag: " Kan deze leerling reizen? → " in plaats van " Is dat voor deze leerling ook redelijk uitvoerbaar?." Daarbij kunnen leerlingen tussen wal en schip raken.
- Hoe wordt voorkomen dat gezinnen zonder auto , zonder rijbewijs , met taalproblemen , beperkte digitale vaardigheden , onregelmatige werktijden , inburgeringsplicht… → Worden kwetsbare situaties actief gesignaleerd of moeten ouders dit zelf aantonen?
- De AMO heeft kennelijk ook uitvoeringsregels Leerlingenvervoer ontvangen. → De uitvoeringsregels die in 2025 aan de Adviesraad Maatschappelijke Ondersteuning (AMO) zijn voorgelegd , betroffen een conceptdocument dat is gebruikt om feedback op te halen tijdens de…
- Gemeente Vervoersontwikkelingsplan Heerlen Landgraaf Voerendaal Brunssum Vanaf 9 jaar Vanaf 9 jaar - Vanaf 9 jaar Afstandsgrens BO 6 KM 6 KM 6 KM 6 KM Afstandsgrens SBO… → 4 Bij de voorbereiding van de verordening is informatie uitgewisseld met verschillende Parkstadgemeenten , waaronder Landgraaf , Brunssum , Voerendaal en Heerlen.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Door de verhoging van de afstandsgrens van 2 naar 6 kilometer veranderen de aanspraken op Leerlingenvervoer. Hoeveel leerlingen verliezen hierdoor hun huidige voorziening of komen bij een aanmerking?
Antwoord van het college
le) Kan het nieuwe aanvraag college daarbij uitleggen waarom leerlingen, terwijl het AMO-advies spreekt op afstand zouden uitvallen en na mogelijk de nota over kwalitatieve niet spreekt opnieuw over in 47 103 leerlingen die puur beoordeling nog 55 leerlingen? leerlingen betreft een eerste analyse in 2025 op basis van uitsluitend de afstandsgrens. Hierbij is uitsluitend gekeken welke leerlingen op grond van de verhoging van de afstandsgrens van 2 naar 6 kilometer niet langer automatisch in aanmerking zouden komen voor een vervoersvoorziening. Het genoemde aantal van 103 Vervolgens heeft een nadere beoordeling plaatsgevonden waarbij rekening is gehouden met individuele omstandigheden van leerlingen. Op basis daarvan is vastgesteld dat naar verwachting circa 45 leerlingen mogelijk gevolgen ondervinden van de wijziging. In dit kader is een overzicht gedeeld met de AMO waarin eveneens wordt uitgegaan van circa 45 leerlingen. In het AMO-advies wordt echter gesproken over 55 leerlingen. Dit verschil betreft hoogstwaarschijnlijk een verschrijving. In de nota wordt gesproken over naar verwachting 47 leerlingen. Dit betreft de meest actuele inschatting uit 2026 op basis van de op dat moment beschikbare gegevens en de verwachte situatie bij inwerkingtreding van de nieuwe verordening. Het verschil in leerlingen heeft te maken met het in- en uitstromen van leerlingen in het Leerlingenvervoer. Het college benadrukt dat deze aantallen indicatief zijn. Iedere aanvraag wordt individueel beoordeeld. Pas bij een concrete aanvraag kan worden vastgesteld of een leerling daadwerkelijk in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening.
Vraag 2
De verordening legt meer nadruk op zelfstandigheid , fietsen , openbaar vervoer en de goedkoopst passende voorziening. o Hoe beoordeelt het college of een leerling niet alleen in theorie kan reizen , maar ook daadwerkelijk veilig , betrouwbaar , voorspelbaar en structureel zelfstandig naar school kan reizen?
Antwoord van het college
’ Het college beoordeelt niet uitsluitend of een leerling in theorie kan reizen , maar kijkt naar de totale situatie van de leerling. Daarbij wordt onder meer gekeken naar leeftijd , ontwikkelingsniveau , eventuele beperkingen , verkeersvaardigheden , de reisafstand , de complexiteit van de route en de mogelijkheden van openbaar vervoer. De beoordeling richt zich nadrukkelijk op de vraag welke vervoersvoorziening voor de betreffende leerling passend en verantwoord is. Indien nodig kan aanvullend deskundig advies worden ingewonnen. Het uitgangspunt is niet dat een leerling zelfstandig moet reizen , maar dat wordt onderzocht welke vorm van vervoer het beste aansluit bij de mogelijkheden van de leerling.
Vraag 3
De verordening kijkt steeds meer naar de vraag: " Kan deze leerling reizen?
Antwoord van het college
" in plaats van " Is dat voor deze leerling ook redelijk uitvoerbaar?." Daarbij kunnen leerlingen tussen wal en schip raken. Hoe wordt dit gewaarborgd? Als voorbeeld kinderen met een angststoornis: Fysiek kunnen ze op de fiets naar school , maar de leerling raakt onderweg in paniek in het verkeer. Hetzelfde geldt voor kinderen met een beperking. Ze kunnen een vaste route aanleren. Maar ze begrijpen omleidingen niet. Of bij openbaar vervoer kunnen ze niet adequaat reageren als een bus uitvalt of ze weten niet wat te doen als een aansluiting uitvalt. 2 Dat hoeft niet direct een probleem te zijn bij maatwerk. Maar als er sterk op kosten wordt gestuurd (goedkoopst " passende voorziening)" , kunnen juist deze “grensgevallen” discussie opleveren. o Hoe wordt beoordeeld of een leerling niet alleen kán reizen , maar ook daadwerkelijk veilig , betrouwbaar en structureel zelfstandig naar school kan reizen? Het college onderschrijft dat de beoordeling van Leerlingenvervoer verder gaat dan de vraag of een leerling fysiek in staat is om een bepaalde route af te leggen. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de vraag of het vervoer voor de betreffende leerling daadwerkelijk veilig , verantwoord en uitvoerbaar is. Daarbij kunnen ook factoren zoals angstproblematiek , gedragsproblematiek , beperkte zelfredzaamheid , beperkingen in het omgaan met onverwachte situaties of andere persoonlijke omstandigheden worden betrokken. Het uitgangspunt van de goedkoopst passende voorziening betekent niet dat wordt gekozen voor de goedkoopste oplossing ongeacht de situatie. De voorziening moet allereerst passend zijn voor de leerling. Pas wanneer meerdere passende oplossingen mogelijk zijn , wordt gekeken naar de meest doelmatige voorziening. Hierdoor blijft maatwerk mogelijk voor leerlingen die op papier zelfstandig zouden kunnen reizen , maar waarbij dit in de praktijk niet verantwoord of haalbaar blijkt.
Vraag 4
Hoe wordt voorkomen dat gezinnen zonder auto , zonder rijbewijs , met taalproblemen , beperkte digitale vaardigheden , onregelmatige werktijden , inburgeringsplicht , zorgbelasting , alleenstaand ouderschap of een beperkt sociaal netwerk onevenredig worden geraakt door de grotere verantwoordelijkheid die bij ouders en hun netwerk wordt gelegd?
Antwoord van het college
Worden kwetsbare situaties actief gesignaleerd of moeten ouders dit zelf aantonen? Het uitgangspunt van de wetgeving rondom Leerlingenvervoer is dat ouders verantwoordelijk zijn voor het organiseren van het schoolbezoek van hun kind. Dat geldt ook voor ouders van leerlingen die niet in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Het college realiseert zich tegelijkertijd dat gezinnen verschillen in hun mogelijkheden om vervoer te organiseren. Daarom wordt bij aanvragen voor Leerlingenvervoer gekeken naar de individuele situatie van de leerling en waar relevant de omstandigheden van het gezin. Wanneer ouders aangeven dat sprake is van bijzondere omstandigheden die van invloed zijn op de mogelijkheden om het vervoer te organiseren , worden deze betrokken bij de beoordeling. Het is daarbij in eerste instantie aan ouders om dergelijke omstandigheden kenbaar te maken. Vervolgens beoordeelt de gemeente zorgvuldig of deze omstandigheden 3 aanleiding geven om af te wijken van de standaarduitgangspunten en maatwerk toe te passen. Het uitgangspunt blijft dat iedere aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat geen standaardoplossing wordt toegepast wanneer de situatie van een leerling daarom vraagt.
Vraag 5
De AMO heeft kennelijk ook uitvoeringsregels Leerlingenvervoer ontvangen. Waarom zijn deze uitvoeringsregels niet als afzonderlijk raadsstuk o toegevoegd , en kan het college deze alsnog vóór besluitvorming aan de raad beschikbaar stellen , samen met de VNG-modelverordening , de VNG-implementatiehandleiding en de vergelijking met omliggende gemeenten?
Antwoord van het college
De uitvoeringsregels die in 2025 aan de Adviesraad Maatschappelijke Ondersteuning (AMO) zijn voorgelegd , betroffen een conceptdocument dat is gebruikt om feedback op te halen tijdens de voorbereiding van de nieuwe verordening. Vervolgens is ervoor gekozen om eerst de verordening aan de gemeenteraad voor te leggen. Na vaststelling van de verordening zal het college opnieuw bezien op welke wijze de uitvoeringsregels hierop aansluiten en welke nadere uitwerking wenselijk is. Op dit moment zijn er daarom geen definitieve uitvoeringsregels beschikbaar die aan de raad kunnen worden aangeboden. De VNG-modelverordening en de bijbehorende implementatiehandleiding kunnen wel met de raad worden gedeeld en zijn als bijlage bij deze beantwoording toegevoegd. Daarnaast is voor de voorbereiding van de verordening gekeken naar enkele relevante onderdelen van het leerlingenvervoerbeleid in omliggende gemeenten. Onderstaand overzicht geeft de vergelijking weer ten aanzien van het vervoersontwikkelingsplan en de gehanteerde afstandsgrenzen:
Vraag 6
Gemeente Vervoersontwikkelingsplan Heerlen Landgraaf Voerendaal Brunssum Vanaf 9 jaar Vanaf 9 jaar - Vanaf 9 jaar Afstandsgrens BO 6 KM 6 KM 6 KM 6 KM Afstandsgrens SBO 2 KM 6 KM 6 KM 6 KM In de nota wordt verwezen naar ervaringen van andere gemeenten , onder meer bij de keuze om het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan vanaf 11 jaar toe te passen. o Op welke gemeenten doelt het college precies , welke ervaringen of evaluaties liggen daaraan ten grondslag , en waarom zijn die gemeenten vergelijkbaar met Kerkrade?
Antwoord van het college
4 Bij de voorbereiding van de verordening is informatie uitgewisseld met verschillende Parkstadgemeenten , waaronder Landgraaf , Brunssum , Voerendaal en Heerlen. De genoemde gemeenten zijn voor Kerkrade relevant omdat zij binnen dezelfde regionale context opereren , vergelijkbare wettelijke taken uitvoeren en te maken hebben met vergelijkbare vraagstukken op het gebied van Leerlingenvervoer , zelfredzaamheid en maatwerk. De keuze om het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan vanaf 11-jarige leeftijd toe te passen is mede gebaseerd op de praktijkervaringen van gemeenten die reeds werken met een vervoersontwikkelingsplan of vergelijkbare instrumenten gericht op het stimuleren van zelfstandigheid binnen het Leerlingenvervoer. Uit deze ervaringen blijkt dat een leeftijd van 11 jaar beter aansluit bij de ontwikkeling van leerlingen en een geschikter moment vormt om samen met ouders , leerling en school te verkennen welke stappen richting meer zelfstandigheid mogelijk zijn. Hoewel de VNG-modelverordening uitgaat van een leeftijd van 9 jaar , is op basis van deze praktijkervaringen en signalen vanuit het onderwijs gekozen voor een latere startleeftijd. Hiermee wordt beter aangesloten bij de ontwikkelingsfase van de leerling en wordt voldoende ruimte geboden voor een geleidelijke opbouw van zelfstandigheid. Hopende u hiermee voldoende te hebben ingelicht.
Bekijk de brief: 26u0006889 Beantwoording vragen fractie SP (Geanonimiseerd)
Bron: raadsinformatie van de gemeente Kerkrade (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.