15 juni 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Kerkrade

vragen fractie SP bij de jaarrekening 2025

Een raadslid stelde op 15 juni 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade.

Brief van het college

Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.

Vragen fractie SP Rekeningresultaat daalt met 80% In 2024 bedroeg het rekeningresultaat € 6,4 miljoen positief. In 2025 resteert slechts € 1,246 miljoen. Zie jaarrekening 2024 pagina 11 en jaarrekening 2025 pagina 11.

Vraag 1: Kan het college verklaren waarom het rekeningresultaat in één jaar tijd met ruim € 5 miljoen is afgenomen?

Antwoord:

In 2024 was een grote meevaller de vaste normbedragen voor opvang Oekraïne van bijna € 2,3 mln. Deze hadden we in 2025 niet. Sociaal domein (wmo, jeugd, participatie) 2024 gaf in totaal voordelen van circa € 3,4 mln, in 2025 was dit circa 2,6 mln, oftewel circa 0,8 mln minder. In 2024 gaf de decembercirculaire een meevaller van bijna € 0,8 mln, in 2025 was eindejaar nog een tegenvaller van bijna € 0,5 mln, oftewel een verschil van € 1,3 mln. In 2025 moest de voorziening wethouderspensioenen met ruim € 2,2 miljoen worden versterkt, in 2024 was dit met € 0,6 miljoen beduidend minder. Daar staat tegenover dat we in 2024 de meevaller van € 1,1 bijdrage realisatiestimulans niet hadden. De tegenvallers aan de personele kant (inclusief vergoeding raadsleden) en de meevaller op de leges omgevingsvergunningen houden elkaar in 2025 grotendeels in evenwicht, in 2024 was dit niet (in die mate) aan de orde.

Vraag 2: Welke structurele oorzaken liggen ten grondslag aan deze verslechtering?

Antwoord:

Dit betreft dan toch met name de neerwaartse aanpassingen door het Rijk van de vergoedingen voor opvang Oekraïne vanaf 2025. Zonder deze incidentele meevaller in 2024 en zonder de incidentele tegenvaller wethouderspensioenen 2025 zouden de resultaten van beide jaren al veel dichter bij elkaar liggen (€ 3.478 in 2025 resp. € 4.153 in 2024). Het jaar 2025 sluit nog steeds positief af.

Vraag 3: Acht het college deze ontwikkeling incidenteel of structureel?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 2. Meerjarig blijkt uit de in november 2025 vastgestelde Begroting 2026 wel een financiële uitdaging met het oog op het zgn. Ravijnjaar, zoals bij de raad bekend. In de Begroting 2027 komen weer de actuele ontwikkelingen en hun financiële effecten aan de orde.

Incidentele baten versus structurele financiële positie Op pagina 11 van de jaarrekening 2025 worden onder meer de volgende voordelen genoemd:

Realisatiestimulans woningbouw € 1.099.000;

Leges omgevingsvergunningen € 1.071.000;

Jeugd € 1.032.000.

Vraag 4: Kan het college aangeven welk deel van het rekeningresultaat van € 1,246 miljoen bestaat uit incidentele baten?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij u graag naar pagina 181/182”, onderdeel Overzicht structurele/incidentele lasten en baten.

Vraag 5: Wat zou het rekeningresultaat zijn geweest indien de woningbouwsubsidie en de extra legesopbrengsten buiten beschouwing worden gelaten?

Antwoord:

Indien voordelen weggelaten zouden worden, dan zou het resultaat met deze bedragen afnemen. Omgekeerd werkt dit hetzelfde. Indien we willekeurige nadelen weglaten stijgt het resultaat navenant.

Vraag 6: Kan het college inzichtelijk maken wat het structurele exploitatieresultaat over 2025 bedraagt?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij u graag naar pagina 181”, onderdeel Overzicht structurele/incidentele lasten en baten.

Vraag 7: Erkent het college dat zonder diverse incidentele voordelen het resultaat aanzienlijk lager zou zijn uitgevallen?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 5

1

Weerstandsvermogen en financiële weerbaarheid Volgens Deloitte stijgt de beschikbare weerstandscapaciteit van € 11,7 miljoen naar € 16,5 miljoen en bedraagt de ratio weerstandsvermogen 1,8.

Vraag 8: Welke concrete mutaties verklaren de stijging van de weerstandscapaciteit met bijna € 5 miljoen?

Antwoord:

De stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door de toename van het vrije deel van de reserve exploitatie (+4,2M t.o.v. 2024) Vraag 9: Hoeveel van deze weerstandscapaciteit is direct beschikbaar voor het opvangen van tegenvallers?

Antwoord:

In beginsel is het totaal van de weerstandscapaciteit beschikbaar voor het opvangen van onverwachte tegenvallers. Aanwending daarvan betekent echter ook weer dat deze capaciteit weer, al dan niet geleidelijk, opgebouwd moet worden.

Vraag 10: Welke risico's zijn meegenomen in de berekening van de ratio weerstandsvermogen van 1,8?

Antwoord:

Voor een overzicht van de risico’s waarmee gerekend is verwijzen wij u graag naar pagina 104 uit de jaarrekening 2025.

Vraag 11: Heeft het college scenario's doorgerekend voor de financiële gevolgen van de ravijnjaren vanaf 2027?

Antwoord:

De ratio in de jaarrekening betreft 2025. De doorkijk naar 2027 en verder komt aan bod in de begroting 2027.

Vraag 12: Wat gebeurt er met de ratio weerstandsvermogen indien de gemeentelijke inkomsten uit het gemeentefonds verder onder druk komen te staan?

Antwoord:

De ratio weerstandsvermogen zou kunnen dalen, maar dat is lastig te zeggen op basis van één specifieke variabele met een onbekend bedrag. In de a.s. begroting 2027 zullen de cijfers weer worden geactualiseerd op basis van de dan bekende gegevens (waaronder het gemeentefonds).

Pensioenvoorziening wethouders In 2025 wordt een storting van € 2,314 miljoen in de voorziening pensioenverplichtingen verantwoord. Daarnaast wordt een extra last van € 2,232 miljoen genoemd.

Vraag 13: Waarom moest de voorziening wethouderpensioenen in 2025 met meer dan € 4,5 miljoen worden verhoogd?

Antwoord:

Het is niet correct om de twee bedragen op te tellen. De toename van de voorziening in totaliteit bedraagt € 2.314.000. Hiervan is € 82.000 regulier (inhouding pensioenpremie via de salarisadministratie). Zoals op pagina 11 staat, is aanvullend € 2.232.000 verplicht gestort.

De Commissie BBV schrijft voor dat gemeenten een voorziening wethouderspensioenen moeten vormen, omdat wethouderspensioenen op grond van de Appa (Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers) door de gemeente zelf worden gedragen. Het gaat dus om een verplichting die in de toekomst tot uitbetaling komt. De voorziening moet jaarlijks actuarieel worden aangepast. De gemeente moet al in de jaarrekening 2025 extra aan de voorziening toevoegen, omdat de overgang naar het ABP per 1 januari 2028 volgens het BBV wordt gezien als een nieuwe, harde verplichting die nu al voldoende zeker en betrouwbaar te ramen is.

Vraag 14: Welke invloed heeft de Wet toekomst pensioenen op deze verhoging?

Antwoord:

De Wet toekomst pensioenen (Wtp) zorgt ervoor dat het Nederlandse pensioenstelsel overstapt naar een nieuwe manier van pensioen opbouwen en uitkeren. Voor ABP en gemeenten betekent dit vooral:

• Pensioenfondsen stappen uiterlijk per 1 januari 2028 over op een nieuwe premieregeling waarin pensioenen meer meebewegen met de economie.

•

Bestaande pensioenrechten worden ingevaren in het nieuwe systeem.

• De rekenregels veranderen: door een lagere rente, hogere levensverwachting, en een strengere waardering worden de pensioenverplichtingen hoger.

2

•

Voor gemeenten leidt dit tot een forse stijging van de voorziening wethouderspensioenen.

Vraag 15: Hoeveel bedraagt de totale voorziening wethouderpensioenen ultimo 2025?

Antwoord:

De totale voorziening wethouderspensioenen bedraagt ultimo 2025 € 5.572.000.

Vraag 16: Welke financiële gevolgen heeft deze aanpassing voor toekomstige begrotingen?

Antwoord:

Twee perioden moeten worden onderscheiden: de periode tot 1 januari 2028 en de periode vanaf 1 januari 2028. Vanaf 1 januari 2028 zijn gemeenten geen eigen pensioenfonds meer. Vanaf dat moment is het ABP pensioenfonds voor de wethouderspensioenen.

De eerste periode komt overeen met de huidige situatie. De gemeente houdt een voorziening aan. Deze wordt jaarlijks gevuld met de pensioenpremies die op de wedde van de wethouders wordt ingehouden en deze wordt daarnaast jaarlijks actuarieel verhoogd of verlaagd. De ingegane pensioenen worden ten laste van de gemeente door uitvoerder Visma/Idella aan de gepensioneerde wethouders of diens nabestaanden of gewezen partners uitbetaald.

In de tweede periode worden de pensioenuitkeringen door het ABP betaald en niet meer door de gemeente. De pensioenpremie wordt ingehouden op de wedde van de wethouders en afgedragen aan het ABP. De voorziening gaat helemaal weg. Een bedrag ter hoogte van de voorziening wordt door de gemeente aan het ABP betaald ter financiering van alle op dat moment bestaande pensioenverplichtingen. De gemeente wordt vanwege deze eenmalige overboeking geconfronteerd met kapitaallasten (rentelasten).

Vraag 17: Hoe verhoudt Kerkrade zich op dit punt tot vergelijkbare gemeenten?

Antwoord: De gemeente Kerkrade beschikt niet over de cijfers van andere gemeenten.…

Bekijk de brief: beantwoording vragen fractie SP bij de jaarrekening 2025

Bron: raadsinformatie van de gemeente Kerkrade (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Kerkrade

Alle artikel 35-vragen in Kerkrade