E03 00 Beantwoording vragen ONS CDA Proces Poldertoren 2025-12-02.pdf
Een raadslid stelde op 26 januari 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder (1 vragen).
In het kort
1 vragen en wat het college antwoordt
- 1 Op grond van welke criteria heeft het college vastgesteld dat zowel opdrachtgever als opdrachtnemer hebben gehandeld binnen de grenzen van hetgeen “redelijkerwijs te… → 1.2 Wat was het feitelijke toetsingskader dat de begrenzing van “redelijkerwijs” bepaalde? 1.3 Hoe verhoudt dit oordeel zich tot de uitkomsten van de préonderzoeken waarin reeds…
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Beantwoording schriftelijke vragen aan College:
Poldertoren krediet Gesteld door ONS – CDA op 02-12-2025 Vraag 1 – Toetsingskader “redelijkerwijs”
Vragen en antwoorden
Vraag 1
1 Op grond van welke criteria heeft het college vastgesteld dat zowel opdrachtgever als opdrachtnemer hebben gehandeld binnen de grenzen van hetgeen “redelijkerwijs te voorzien en te onderzoeken was” (vgl. art. 6:2 BW – redelijkheid en billijkheid)?
Antwoord van het college
1.2 Wat was het feitelijke toetsingskader dat de begrenzing van “redelijkerwijs” bepaalde? 1.3 Hoe verhoudt dit oordeel zich tot de uitkomsten van de préonderzoeken waarin reeds scheurvorming werd geconstateerd?
In vraag 1.1 verwijst u naar art. 6:2 BW. Hiermee gaat u in op de juridische context van de redelijkheid en billijkheid. Artikel 6:2 BW is niet van toepassing, omdat art. 7:754 BW een duidelijk juridisch toetsingskader geeft.
In essentie moeten partijen zich tegen over elkaar gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit houdt onder andere in dat ze rekening moeten houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.
Pas wanneer de rechtsverhouding tussen partijen een leemte laat, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid deze leemte aanvullen en tot extra rechten of verplichtingen leiden die niet direct uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeien. Deze leemte is niet aanwezig omdat conform de criteria van artikel 7:754 BW kan worden beantwoord op grond van welke grenzen partijen hebben gehandeld wat redelijkerwijs te voorzien en te onderzoeken was.
Vraag 2 – Tijdsbalk procesoverzicht 2.1 Kan het college een tijdsbalk overleggen waarin wordt opgenomen:
▪ de momenten waarop door de opdrachtgever (gemeente) opdrachten of voorstellen aan de opdrachtnemer zijn verstrekt;
▪ de tijdspanne waarin de opdrachtgever op de hoogte is gesteld van de eerste gebreken;
▪ de wijze waarop deze meldingen en bevindingen met de opdrachtgever zijn besproken, inclusief inhoud en conclusies van deze gesprekken;
▪ of en wanneer is gesproken over mogelijke extra kosten door de opdrachtnemer, en hoe deze beantwoording door het college juridisch en inhoudelijk is beoordeeld.
Het proces verliep als volgt:
▪ Op 29 april 2024 is de bouwteamovereenkomst gesloten tussen gemeente en aannemer Draisma;
▪ Op 10 april 2025 is opdracht verstrekt aan de aannemer voor de uitvoering;
▪ In juli 2025, na gereed komen van het steigerwerk, is gestart met het openhakken van de scheuren.
Tijdens het openhakken kwamen de eerste gebreken in het zicht. Direct heeft overleg plaatsgevonden met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), constructeur, aannemer en gemeente.
▪ In de periode tot halverwege oktober hebben er diverse technische overleggen en brainstormsessies plaatsgevonden, waarbij zorgvuldig is onderzocht wat de exacte omvang van het probleem was.
Tijdens een technisch overleg eind september werd duidelijk dat, gelet op de aard en omvang van de geconstateerde afwijkingen, een aangepaste technische oplossing voor de gevels noodzakelijk was.
Vervolgens zijn er verschillende technische oplossingsrichtingen besproken en afgewogen, waarna gezamenlijk is bepaald welke variant het meest geschikt en haalbaar was. Gedurende dit traject vond er continu afstemming plaats met de RCE, waarbij telkens is nagegaan wat toegestaan, wenselijk en technisch uitvoerbaar was. Ten slotte zijn in oktober de kostenimplicaties en de gevolgen voor de planning onderzocht, waarbij ook de juridische context is meegenomen. Hoewel deze periode wellicht
▪
lang lijkt, viel deze deels samen met de bouwvak; hierdoor bleef er uiteindelijk slechts een tijdsbestek van ongeveer tien weken over om alle stappen zorgvuldig te doorlopen.
Midden oktober 2025 waren de details en gevolgen van het probleem volledig in kaart gebracht. Op maandag 20 oktober is de portefeuillehouder tijdens het stuurgroepoverleg op de hoogte gebracht van de technische noodzaak en de onverwachte extra werkzaamheden. De volgende dag, dinsdag 21 oktober, heeft hij het college hierover geïnformeerd. Vervolgens heeft portefeuillehouder op maandag 27 oktober de fracties op de hoogte gesteld. Op dinsdag 28 oktober heeft het college positief besloten over het voorgestelde besluit om dit onderwerp op te nemen in de decembernota.
Vraag 3 – Juridische verantwoordelijkheid opdrachtnemer 3.1 Welke juridische argumentatie hanteert het college bij de beoordeling dat de opdrachtnemer verschoond kan blijven van een bijdrage in de extra kosten, terwijl reeds vóór de gunning scheuren waren geconstateerd (vgl. art. 7:754 BW – waarschuwingsplicht aannemer)? 3.2 Vindt het college dat de opdrachtnemer geen enkele blaam treft, ondanks het feit dat (een deel van) de gebreken bekend was? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet 3.3 Hoe is de constatering van scheuren door de opdrachtnemer voorafgaand aan de gunning gemeld en wat betekende dit voor de gunningsbeslissing (vgl. Aanbestedingswet 2012, art. 2.114 – informatieplicht inschrijver)? 3.4 Op welk moment heeft het college besloten de extra kosten uitsluitend als opdrachtgever te dragen, en op welke juridische gronden is de opdrachtnemer vrijgesteld van een bijdrage? 3.5 Hoe verhoudt dit besluit zich tot de rol van de opdrachtnemer bij de préonderzoeken?
Het college heeft het toetsingskader gebaseerd op artikel 7:754 BW (waarschuwingsplicht aannemer). Deze verplichting ziet op gebreken die bij het opstellen van de prijsaanbieding redelijkerwijs opvallen. In dit project beschikten de gemeente als opdrachtgever en aannemer Draisma als opdrachtnemer over gelijke kennis en werd de gemeente bijgestaan door deskundigen, waaronder de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en een monumentenconstructeur, erkende autoriteiten binnen het vakgebied.
Het college ziet geen juridische grond om aannemer Draisma te laten bijdragen aan de extra kosten. De waarschuwingsplicht is beperkt tot gebreken die bij prijsvorming redelijkerwijs opvallen. De informatieplicht van aannemer Draisma is nagekomen op basis van beschikbare gegevens. Beide partijen hadden dezelfde kennis en deskundige begeleiding. Het besluit om extra kosten door de opdrachtgever te dragen is genomen in oktober 2025 omdat er sprake is van onvoorziene omstandigheden en geen verwijtbare tekortkoming van de aannemer.
Vraag 4 – Bekendheid met gebreken bij gunning 4.1 In de commissievergadering van 1 december jl. heeft de wethouder geantwoord dat de scheuren vóór de gunning reeds bekend waren. Waren de opdrachtnemer en diens vertegenwoordigers op dat moment daadwerkelijk op de hoogte van deze gebreken, dan wel hadden zij dit redelijkerwijs kunnen en moeten zijn (vgl. art. 6:228 BW – dwaling)? 4.2 Indien dit niet het geval was, wie had dan wel op de hoogte moeten zijn en welke consequenties verbindt het college daaraan?
Dwaling is gericht op de vernietiging van de overeenkomst. Een beroep op dwaling (art. 6:228 BW) is niet aan de orde.
Het college concludeert dat beide partijen hebben gehandeld naar behoren en dat de extra werkzaamheden niet voorzienbaar waren en dus niet verwijtbaar.
Beantwoording schriftelijke vragen aan College:
Technische vragen decemberrapportage Gesteld door PU op 24-11-2025 Wat is de afweging destijds geweest om geen destructief onderzoek te doen?
Het bouwteam heeft uitgebreid onderzoek verricht om de renovatie van de Poldertoren grondig voor te bereiden. Hierbij is gebruikgemaakt van visuele inspecties, historisch onderzoek o.a. aan de hand van archieftekeningen, drone-opnames en aanvullende analyses door deskundigen. De beschikbare informatie was voldoende om een verantwoorde beoordeling te maken van de omvang van de renovatie. Op basis van deze bevindingen is er een renovatieplan tot stand gekomen dat gedragen is door alle partijen. Er waren geen signalen die erop wezen dat de omvang van de scheuren of de uit te voeren werkzaamheden afweek van de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken. Aanvullend destructief onderzoek werd hierdoor niet als noodzakelijk gezien.
Zowel de geveldeskundige van de RCE als de constructeur bevestigden dat aanvullend destructief onderzoek geen nieuwe inzichten zou verschaffen over de schade aan het monument. Bovendien schrijft de regelgeving voor Rijksmonumenten voor dat onderzoek zoveel mogelijk beperkt blijft, om onnodige schade aan het monument te voorkomen.
De uitgevoerde préonderzoeken gaven inzicht in aanwezige scheurvorming, maar konden de diepere, verborgen schade niet volledig blootleggen. Er is met alle beschikbare kennis en deskundigheid een zorgvuldig en verantwoord renovatieplan opgesteld. Geen van de bevindingen wees op de noodzaak van aanvullend onderzoek; er was geen enkele reden om aan de volledigheid van het renovatieplan te twijfelen. Alle partijen hebben met maximale zorgvuldigheid gehandeld.
Bekijk de brief: E03 00 Beantwoording vragen ONS CDA Proces Poldertoren 2025-12-02.pdf
Bron: raadsinformatie van de gemeente Noordoostpolder (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.