ronselen jongeren voor georganiseerde misdaad
Een raadslid stelde op 2 maart 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (5 vragen).
In het kort
5 vragen en wat het college antwoordt
- Herkent het college de signalen uit het krantenbericht dat jongeren in aanraking komen met georganiseerde of ondermijnende criminaliteit? → Zijn er binnen onze gemeente vergelijkbare signalen of cijfers beschikbaar?
- Beschikt de gemeente over actuele gegevens over ronselpraktijken onder jongeren, bijvoorbeeld via sociale media? → Hoe worden deze signalen gemonitord en met welke partners wordt informatie gedeeld?
- Welke concrete preventieve programma’s of interventies worden in onze gemeente ingezet om jongeren weerbaar te maken tegen criminele uitbuiting? → Hoe wordt de effectiviteit van deze aanpak geëvalueerd?
- Hoe is de samenwerking vormgegeven tussen gemeente, politie, Openbaar Ministerie, scholen en jongerenwerk bij het signaleren en tegengaan van ronselpraktijken? → Acht het college deze samenwerking toereikend?
- Ziet het college aanleiding om, mede naar aanleiding van de landelijke discussie, aanvullende maatregelen te treffen binnen onze gemeente om jeugdige betrokkenheid bij… → Wij verzoeken u deze vragen schriftelijk te beantwoorden binnen de daarvoor gestelde termijn.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Steenwijkerland
Onderwerp: Vragen ex art. 37 RvO gemeenteraad Steenwijkerland inzake inzake het ronselen van jongeren voor georganiseerde misdaad Sint Jansklooster, 2 maart 2026 Geacht college, Onze fractie heeft kennisgenomen van het artikel van Trouw getiteld “Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij” (zie bijgaand). Uit het artikel blijkt dat jongeren in Groningen en Drenthe via sociale media zoals Snapchat worden geronseld voor criminele klusjes, zoals het vervoeren of verhandelen van vapes en drugs in ruil voor geld. Ook blijkt dat georganiseerde criminaliteit voor hen steeds minder een ver-van-hun-bed-show is en dat jongeren, eenmaal betrokken, vaak door druk en dreiging niet meer durven te stoppen.
Dat brengt ons tot de volgende vragen aan het college:
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Herkent het college de signalen uit het krantenbericht dat jongeren in aanraking komen met georganiseerde of ondermijnende criminaliteit?
Antwoord van het college
Zijn er binnen onze gemeente vergelijkbare signalen of cijfers beschikbaar?
Vraag 2
Beschikt de gemeente over actuele gegevens over ronselpraktijken onder jongeren, bijvoorbeeld via sociale media?
Antwoord van het college
Hoe worden deze signalen gemonitord en met welke partners wordt informatie gedeeld?
Vraag 3
Welke concrete preventieve programma’s of interventies worden in onze gemeente ingezet om jongeren weerbaar te maken tegen criminele uitbuiting?
Antwoord van het college
Hoe wordt de effectiviteit van deze aanpak geëvalueerd?
Vraag 4
Hoe is de samenwerking vormgegeven tussen gemeente, politie, Openbaar Ministerie, scholen en jongerenwerk bij het signaleren en tegengaan van ronselpraktijken?
Antwoord van het college
Acht het college deze samenwerking toereikend?
Vraag 5
Ziet het college aanleiding om, mede naar aanleiding van de landelijke discussie, aanvullende maatregelen te treffen binnen onze gemeente om jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit te voorkomen?
Antwoord van het college
Wij verzoeken u deze vragen schriftelijk te beantwoorden binnen de daarvoor gestelde termijn.
Graag zien we uw antwoorden tegemoet.
Bron: raadsinformatie van de gemeente Steenwijkerland (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.