TOEGEVOEGD: Memo beantwoording vragen raad WBZu 1125
Een raadslid stelde op 15 december 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Zutphen.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
OPENBAAR
Memo raad Aan
: De gemeenteraad
Van
: Het college van burgemeester en wethouders
Datum
: 24 november 2025
Doel:
: Beantwoording vragen raad
Onderwerp
: Oprichting Warmtebedrijf Zutphen (WBZu)
Inlichtingen bij
: Uko Post, team RED, 06-40199046
Nummer toezegging: geen
Kennisnemen van De antwoorden op de vragen van de raad.
Inleiding Op 30 oktober was er een beeldvormende raad over de oprichting van het WBZu. Op vier vragen is toegezegd dat deze later schriftelijk beantwoord zouden worden.
Inhoud Het gaat om de volgende vier vragen. We noemen eerst de vraag en geven daarna het antwoord.
Vraag 1: Hoe verhoudt de oprichting van WBZu zich tot het streven van 50% lokaal eigendom?
Antwoord: Hierbij zijn drie zaken van belang.
1. In de RES 1.0 was opgenomen dat we moeten streven naar 50% lokaal eigendom bij energieprojecten. De RES 1.0 ging echter uitsluitend over de opwek van elektriciteit en niet over warmtenetten. In het RPE (Regionaal Programma Energievoorziening – in feite de RES 2.0) kijken we verder en breder: naar de hele energievoorziening in onze regio in 2050. In het RPE geven we aan dat we zoveel mogelijk voor coöperatieve projecten kiezen. Dat zijn collectieve projecten met een maatschappelijk doel en een bedrijfsmatige aanpak. Ook proberen we, in lijn met afspraken in het Nederlandse Klimaatakkoord, te zorgen dat elk energieproject voor minimaal 50% in eigendom komt van inwoners, lokale ondernemers, maatschappelijke organisaties of overheden.
2. De nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) gaat ervan uit dat gemeenten het voortouw nemen bij warmtebedrijven en dat meer dan 50% van een warmtebedrijf in overheidshanden is (het publieke meerderheidsbelang).
3. De invulling voor WBZu is een warmtebedrijf dat (vrijwel) geheel in publieke handen is, namelijk van gemeente en het Gelders Warmte Bedrijf waarin ook specialist Firan, onderdeel van
Liander1, is vertegenwoordigd (de gesprekken lopen nog over de rol van Zutphen Energie in WBZu).
Vraag 2: Er zijn risico’s voor de gemeente bij deelname in WBZu (sheet 8). Op welke manier geven we in de aandeelhoudersovereenkomst (AHO) voor het warmtebedrijf aan hoe deze risico’s worden verwerkt?
Antwoord: De AHO is nog niet definitief. De gemeente en GWB zijn hierover met elkaar in gesprek.
Inzet vanuit het college is om de risico’s in de AHO naar rato van het percentage aandelen tussen partijen te verdelen. Als er een financieel tekort ontstaat, zullen beide aandeelhouders naar rato van hun aandelenbelang eigen vermogen moeten bijstorten.
Vraag 3: Hoe is de werking/financiering van het vereveningsfonds?
Antwoord: Hoofdstuk 7 van de Wcw gaat in op de werking van het vereveningsfonds. Dit fonds wordt gebruikt om de tarieven van collectieve warmte betaalbaar te houden. Het fonds wordt gefinancierd door een toeslag op warmtetarieven. Het fonds kan ook aanvullende middelen ontvangen van het Rijk om tarieflimieten te realiseren en de ontwikkeling van warmtenetten te stimuleren. Het fonds draagt daarnaast ook bij aan het betaalbaar houden van collectieve warmte door de energietransitie te bevorderen.
Het fonds treedt in werking vanaf fase 2 (in fase 1 geldt nog een vorm van NMDA – niet meer dan anders) van de tariefregulering. Het Besluit Collectieve Warmte vult deze fase nader in. Wij merken op dat de nieuwe wet nog niet definitief is. Het is evenmin duidelijk wanneer de nieuwe wet ingaat.
Wel is duidelijk dat we met de Wcw naar kostprijs+ zouden moeten gaan. Daarmee laten we het NMDA- of NMDN-principe los (niet meer dan nu). Maar er moet eerst nog ervaring worden opgedaan hiermee. Er moeten eerst voldoende warmtenetten ontwikkeld worden, zodat duidelijk is wat die kosten inhouden. Daarom is het NMDA-principe het uitgangspunt en daarna wordt op een toekomstig moment kostprijs+ ingevoerd (fase 2). Daarbij behoudt de ACM haar regulerende rol voor tarifering.
Vraag 4: Kan de door IJsselwind opgewekte energie zomaar doorgesluisd worden naar het warmtenet? Of zijn er aanbestedingsregels die dat belemmeren?
Antwoord: Nee, de door windenergie opgewekte elektriciteit kan niet zomaar doorgegeven worden aan het warmtenet. Dat zal via een energyhub-achtige constructie moeten. Dat betekent dat we zoveel mogelijk lokaal energie opwekken en verbruiken. We zijn op dit moment over de energyhub in gesprek met diverse organisaties. Doel is een SEH (smart energy hub) De Mars op te richten. Deze SEH kan dan de uitwisseling reguleren van duurzaam opgewekte (wind)energie naar het warmtenet.
Mocht de SEH niet van de grond komen, dan kunnen wij proberen de energie met voorrang lokaal in te kopen. Dat kan bijvoorbeeld via Power Purchase Agreements (PPA's). In dat geval gaat het om een leveringsopdracht en zijn de aanbestedingsregels onverkort van toepassing.
Vervolg Op 1 december is er oordeelsvormende raad over WBZu. Op 15 december is er besluitvormende raad.
Bijlagen Geen
1 Liander is onderdeel van Alliander. Alliander is geen overheidsinstantie, maar een bedrijf waarvan de
aandelen in handen zijn van Nederlandse provincies en gemeenten. 2
Bekijk de brief: TOEGEVOEGD: Memo beantwoording vragen raad WBZu 1125
Bron: raadsinformatie van de gemeente Zutphen (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.