20 november 2025 · artikel 35-vragen · gemeente Boxtel

aanpak bollenteelt

Een raadslid stelde op 20 november 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

Brief van het college

Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.

Stuk ter kennisname Raad Datum:

Zaaknummer:

Portefeuillehouder:

Contactpersoon:

18 november 2025 1397066 Theo Geldens Jan van Maren, teammanager Maatschappelijke en Economische Ontwikkeling

Onderwerp Gewasbescherming

Aanleiding Aan:

Het college van B&W / de Burgemeester

Betreft: Naar aanleiding van de beeldvormende bijeenkomst op 11 september 2025 over de uitvoering door het college van de motie Aanpak bollenteelt Sint-Michielsgestel hebben D66, DorpsGoed, GroenLinks/PvdA en PPA enkele aanvullende vragen.

Van:

Cees Koopmans, fractie D66, Christel Heijmans, fractie DorpsGoed, Adriaan van der Maarel, fractie GL/PvdA, Hans Deckers, fractie PPA

Inhoud Beantwoording van de vragen 1 t/m 14.

1

Vraag 1:

Welke tijdelijke maatregelen zijn mogelijk, zoals een voorbereidingsbesluit of binnenplanse vergunningplicht, om alvast bescherming te bieden (voor het geval het aanpassen van het omgevingsplan te veel tijd kost)?

Antwoord 1:

Een tijdelijke maatregel die ingezet kan worden, is het (nemen van een) voorbereidingsbesluit. Door middel van een voorbereidingsbesluit kan de gemeente voorbeschermingsregels opnemen in het omgevingsplan, ter voorbereiding op nieuwe regels die nog in ontwikkeling zijn. Deze regels bieden tijdelijke bescherming en gelden maximaal 1 jaar en 6 maanden.

Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan direct, doordat het de voorbeschermingsregels toevoegt. Dit is een verschil met de situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Vóór de inwerkingtreding van de omgevingswet was het voorbereidingsbesluit een afzonderlijk besluit. Nu wijzigt het voorbereidingsbesluit het omgevingsplan in die zin dat daarin voorbeschermingsregels worden opgenomen.

Tijdens de voorbeschermingsperiode moet het nieuwe beleid worden vertaald in een wijziging van het omgevingsplan die voor besluitvorming moet worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Na vaststelling wordt de wijziging van het omgevingsplan gepubliceerd. Belanghebbenden kunnen hiertegen beroep instellen.

Antwoord Hekkelman:

Op grond van artikel 4.14 Ow kan de raad een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels. Op grond van artikel 4.14 lid 5 Ow kan de raad deze bevoegdheid delegeren aan het college. De raad heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Dat betekent dat het college bevoegd is om een voorbereidingsbesluit te nemen.

Het voorbereidingsbesluit voegt voorbeschermingsregels toe aan het omgevingsplan. 1 Op grond van artikel 4.14 lid 3 sub a Ow kunnen voorbeschermingsregels een verbod bevatten om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten, die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan maar nog niet plaatsvinden. Een voorbereidingsbesluit moet bestaand gebruik eerbiedigen. Bestaand gebruik kan door middel van een voorbereidingsbesluit dus niet beperkt of verboden worden.

In een voorbereidingsbesluit kan worden bepaald dat het verboden is om binnen 50 meter van de gevoelige functies het bestaande agrarische grondgebruik te wijzigen in een andere vorm van agrarisch grondgebruik waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in de openlucht. Als op de betreffende gronden op het moment van het nemen van het voorbereidingsbesluit geen sprake is van een agrarische gebruik waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, dan is het de agrariër dus ook verboden om dit tijdens de looptijd van het voorbereidingsbesluit alsnog te gaan doen. Daarbij merkt Hekkelman op dat ook een voorbereidingsbesluit, waarmee voorbeschermingsregels aan het omgevingsplan worden toegevoegd, kan leiden tot aanspraak op nadeelcompensatie. 2 Vervolgens kan het omgevingsplan worden gewijzigd voor de gronden waar het voorbereidingsbesluit voor geldt. In deze wijziging kan (mits goed onderbouwd) een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden vastgesteld. Dat verbod kan gelden voor situaties waarin nog geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Voor zover er wel bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, kan geregeld worden dat het gebruik niet mag worden geïntensiveerd. Ook is het onder omstandigheden mogelijk om het bestaande gebruik (met een overgangstermijn) te verbieden. De regeling die in de wijziging van het omgevingsplan wordt vastgelegd, zal moeten voldoen aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de motivering van het omgevingsplan zal de raad moeten toelichten waarom dat het geval is. Die motivering kan in een beroepsprocedure tegen de wijziging van het omgevingsplan aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Schade die agrariërs als gevolg van een gebruiksbeperking die in het omgevingsplan wordt vastgelegd, lijden, komt op grond van de nadeelcompensatie regeling van de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

1 Zie artikel 4.14 lid 2 Ow.

2 Zie o.a. 2021/86.

Gst.

2

Vraag 2:

Kunt u voorbeelden geven van gemeenten die grotere afstanden hanteren dan 50 meter, en wat daaruit te leren valt?

Antwoord 2:

Nee, deze voorbeelden zijn bij ons nog niet bekend. Hoewel de standaardafstand van 50 meter breed wordt geaccepteerd, zijn er geen duidelijke voorbeelden van gemeenten die publiekrechtelijk een grotere afstand hanteren. De jurisprudentie biedt ruimte voor aanpassingen, maar deze zijn meestal gericht op verkorting van de afstand onder specifieke omstandigheden in plaats van verruiming.

Antwoord Hekkelman:

Bij Hekkelman zijn geen gemeenten bekend die een spuitvrije zone van meer dan 50 meter aanhouden.

Verder zijn ook geen uitspraken in het ruimtelijk spoor bekend waarin een spuitvrije zone van 50 meter onvoldoende is geacht in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Vraag 3:

Welke gegevens of onderzoeken zijn volgens u belangrijk om te verzamelen als een gemeente Antwoord 3:

Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de publieke gezondheid. Gemeente dient te kunnen motiveren waarom een afstand van 50m niet volstaat en dat zij onder de huidige condities niet in afdoende mate uitvoering kan geven aan deze wettelijke taak.

Hiervoor is een gedegen beleidsmatige en juridische onderbouwing vereist. Dit kan worden bereikt door een locatiespecifiek onderzoek en een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen, waarbij rekening wordt gehouden met de gezondheid van omwonenden en de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. Er zijn echter geen wettelijke bepalingen die een minimale afstand voorschrijven. De jurisprudentie biedt richtlijnen, maar de afstand van 50 meter wordt in het algemeen niet onredelijk geacht. Aanpassing van deze vuistregel is zoals hiervoor aangegeven vooral gericht op verkorting van de afstand van 50 meter.

Antwoord Hekkelman:

Met een planregel die voorziet in een spuitvrije zone (van 250 meter) wordt in feite toepassing gegeven mens of milieu adequate maatregelen genomen mogen worden, ook als er nog geen volledig ruimtelijk ordening of evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie bijvoorbeeld AbRS 18 december 2019 ECLI:NL:RVS:2019:4210, r.o. 29.1).

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een spuitvrije zone van 50 meter in het algemeen niet (gelet op de huidige rechtspraak) dus ook voldoende afgedekt. Hiermee is overigens niet uitgesloten dat een afstand van meer dan 50 meter in een individueel geval niet kan worden onderbouwd. Een dergelijke onderbouwing moet in ieder geval worden gebaseerd op wetenschappelijke publicaties over de (potentiële) gezondheidseffecten van specifieke middelen en het verspreidingsbereik daarvan. Een generieke spuitzone van 250 meter zonder verdere wetenschappelijke onderbouwing over de gevolgen van specifieke middelen is met de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek niet juridisch houdbaar. Tot slot geldt uiteraard dat de belangen van de betreffende telers bij de besluitvorming moeten worden betrokken.

Hiermee onderschrijft Hekkelman de conclusie dat een gedegen beleidsmatige en juridische onderbouwing vereist is. Het is immers aan het bevoegd gezag om te beoordelen wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het voorzorgsbeginsel.

Vraag 4:

Welke mogelijkheden zijn er om huidige inwoners beter te beschermen tegen de effecten van chemische bestrijdingsmiddelen in de lelieteelt?

Antwoord 4:

De enige mogelijkheid die een gemeente heeft is het opnemen van spuitvrije zones in omgevingsplannen al dan niet gecombineerd met voorbeschermingsregels. Er is nog in onderzoek wat

3

moeten we meenemen wat de financiële consequenties zijn in het licht van uit te keren nadeelcompensatie. Hiervoor is het nodig om extern advies op te vragen.

Antwoord Hekkelman Het stellen van maatwerkvoorschriften ter invulling van de specifieke zorgplicht voor de in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteiten (in dit geval artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving) zou ook nog kunnen worden genoemd.…

Bekijk de brief: College B&W; Beantwoording schriftelijke vragen 13 D66 e.a over aanpak bollenteelt

Bron: raadsinformatie van de gemeente Boxtel (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Boxtel

Alle artikel 35-vragen in Boxtel