6 januari 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Dantumadiel

schriftelijke vragen bezwaarprocedure zaak 2025-220692 (CDA)

Een raadslid (CDA) stelde op 6 januari 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel.

Brief van het college

Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.

Aan de leden van de raad van de gemeente Dantumadiel Postbus 22 9104 ZG Damwâld

Ons kenmerk:

Behandeld door:

E-mailadres:

Datum college:

2025-330877 College van burgemeester en wethouders [email protected] 6 januari 2026

Onderwerp: Beantwoording schriftelijke vragen bezwaarprocedure zaak 2025-220692 (CDA) Geachte raad, Op 1 december 2025 heeft de fractie van CDA, op grond van artikel 35 Reglement van Orde, schriftelijke vragen gesteld over de Bezwaarprocedure zaaknummer 2025-220692 . In deze brief geven wij antwoord op die vragen.

Vraag 1: Hoe rechtvaardigt het college dat een burger minder dan 24 uur voorbereidingstijd krijgt voor een zitting die rechtstreeks de rechtspositie van die burger raakt?

Antwoord:

Er wordt gesteld dat de burger in zaaknummer 2025-220692 de gemeentelijke toelichting pas één dag voorafgaand aan de hoorzitting van 6 november 2025 heeft ontvangen. Deze stelling is feitelijk onjuist.

Het college heeft op 4 juli 2025 een Woo-verzoek van betrokkene ontvangen (gedagtekend 2 juli 2025). Op 7 augustus 2025 heeft het college op dit verzoek beslist. Het Woo-besluit is op dezelfde datum aan betrokkene verzonden. Dat betrokkene het besluit daadwerkelijk heeft ontvangen, blijkt uit het feit dat hij op 20 augustus 2025 bezwaar heeft ingediend tegen dit besluit. Daarmee staat vast dat betrokkene reeds in augustus 2025 over het besluit beschikte. De suggestie dat het besluit pas één dag vóór de hoorzitting beschikbaar kwam, kan het college dan ook weerleggen.

Op 23 oktober 2025 is de uitnodiging voor de hoorzitting van 6 november 2025 aan betrokkene verzonden.

Aan deze uitnodiging is het volledige procesdossier toegevoegd. Dit dossier omvatte:

– het Woo-verzoek van 2 juli 2025;

– de ontvangstbevestiging van 9 juli 2025;

– de verdagingsbrief van 31 juli 2025;

– het Woo-besluit van 7 augustus 2025;

– het bezwaarschrift van 20 augustus 2025.

Betrokkene heeft het dossier derhalve ruim vóór de hoorzitting ontvangen en kon zich voorbereiden.

Hiermee is voldaan aan artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle op de zaak betrekking hebbende stukken ten minste één week voorafgaand aan het horen ter inzage dient te leggen.

Ten aanzien van de aanlevering van de gemeentelijke toelichting merkt het college het volgende op. De Algemene wet bestuursrecht verplicht bestuursorganen niet tot het opstellen van een schriftelijke toelichting.

Het college kan in beginsel volstaan met een mondelinge toelichting tijdens de hoorzitting. In het onderhavige geval heeft het college er voor gekozen om een schriftelijke toelichting op te stellen en deze op 5 november 2025 aan betrokkene te verstrekken. Hiermee heeft het college betrokkene voorafgaand aan de hoorzitting nog in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de toelichting.

Vraag 2: Welke norm hanteert het college voor ‘voldoende voorbereidingstijd’ in bezwaarprocedures, en waarom is in deze casus zo duidelijk onder die norm gebleven?

Antwoord:

Zoals reeds is aangegeven, is niet gehandeld in strijd met de geldende norm. Het college heeft op 23 oktober 2025 het volledige procesdossier dat betrekking heeft op het ingediende bezwaarschrift aan de indiener van het bezwaar toegezonden.

Als norm hanteert de gemeente haar eigen procedure, met als minimum de wettelijke voorschriften.

Hieronder hebben wij deze opgenomen.

Wettelijke procedure Op grond van artikel 7:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan het op de zaak betrekking hebbende dossier voorafgaand aan de hoorzitting ter inzage voor belanghebbenden. Belanghebbenden hebben het recht om tot ten minste één week vóór de hoorzitting kennis te nemen van deze stukken en daarvan afschriften te verkrijgen.

De Awb schrijft geen specifieke vorm of nadere termijn voor waarbinnen het procesdossier moet worden toegezonden, mits aan de minimumtermijn van artikel 7:4 Awb wordt voldaan. Daarnaast bevat de wet geen verplichting tot het opstellen of het vooraf toezenden van een verweerschrift. Het bestuursorgaan mag zijn standpunt derhalve ook mondeling tijdens de hoorzitting toelichten, zonder dat dit in strijd is met de wettelijke procedure.

Interne procedure Naast de wettelijke vereisten hanteert het college een interne werkwijze met vaste termijnen voor het aanleveren van processtukken. In de regel worden de op de zaak betrekking hebbende stukken drie weken voorafgaand aan de hoorzitting aangeleverd bij de administratief medewerker van de afdeling Juridische Zaken. Deze medewerker draagt er zorg voor dat zowel de bezwaarde als de commissieleden tijdig over de stukken beschikken. De medewerker streeft er daarbij naar de ontvangen processtukken zo spoedig mogelijk na ontvangst van de verweerders door te zenden aan de bezwaarmaker en de commissieleden. In de praktijk gebeurt dit ook veelal. In ieder geval geldt dat het volledige procesdossier uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hoorzitting beschikbaar wordt gesteld aan zowel de bezwaarde als de commissieleden.

Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm zoals neergelegd in artikel 7:4 Awb, waarin is bepaald dat belanghebbenden tot ten minste één week vóór de hoorzitting kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze interne termijn is bedoeld als interne procedurele afspraak en strekt ertoe ruimschoots te voldoen aan de wettelijke minimumtermijn.

Het verweerschrift valt buiten deze (interne) aanlevertermijn. Desalniettemin streeft het college ernaar het verweerschrift, indien opgesteld, tijdig aan zowel de bezwaarde als de commissieleden te verstrekken.

Indien dit in uitzonderlijke gevallen niet mogelijk is, kan tijdens de hoorzitting worden volstaan met een mondelinge toelichting van het standpunt, hetgeen past binnen zowel de wettelijke procedure als de interne werkwijze.

Vraag 3: Hoe waarborgt het college de rechtsgelijkheid wanneer het bestuursorgaan weken of maanden de tijd heeft om een zaak voor te bereiden, terwijl de burger met minder dan één dag moet volstaan?

Antwoord: Zie beantwoording vraag 1 en 2.

Vraag 4: Waarom zijn de stukken die volgens de Awb minimaal een week ter inzage moeten liggen, pas één dag voor de zitting verstrekt?

Antwoord: Zie beantwoording vraag 1 en 2. Het college is van mening dat aan artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is voldaan.

Vraag 5: Erkent het college dat deze handelswijze afbreuk doet aan een eerlijk proces en aan het vertrouwen van burger in de overheid? Zo nee – waarom niet?

Antwoord: Zie beantwoording vraag 1 en 2.

Vraag 6: Bestaat hiervoor geen vastgelegd intern werkproces?

Antwoord: Zie beantwoording vraag 1 en 2.

Vraag 7: Welke concrete maatregelen gaat het college treffen om te voorkomen dat burgers in de toekomst opnieuw op dergelijke wijze worden overvallen?

Antwoord: Zie beantwoording vraag 1 en 2.

Met vriendelijke groet,

G .van Oudenaarden Secretaris gemeente Dantumadiel

Bekijk de brief: Beantwoording schriftelijke vragen bezwaarprocedure zaak 2025-220692 (CDA)

Bron: raadsinformatie van de gemeente Dantumadiel (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Dantumadiel

Alle artikel 35-vragen in Dantumadiel