13 juni 2024 · artikel 35-vragen · gemeente De Ronde Venen

240508 Beantwoording Schriftelijke raadsvragen CU-SGP Spreidingswet

Een raadslid stelde op 13 juni 2024 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (7 vragen).

In het kort

7 vragen en wat het college antwoordt

  • Wat moeten wij ons dan bij “dwang” voorstellen. → Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvang voorzieningen Gemeenten krijgen een wettelijke taak om asielopvangvoorzieningen te realiseren.
  • In hoeverre moet de opvang gemeentelijk vastgoed zijn? → Dit is geen vereiste.
  • Zo niet, heeft u dan ook naar ander vastgoed gekeken? → Binnen de definitiefase (tot 1 juli 2024) ligt de focus op de verdiepende verkenning naar overige locaties van gemeente en derden.
  • Welke objecten zijn de afgelopen paar jaar beoordeeld op mogelijkheid van opvang? → Dit betreft in ieder geval de gebouwen en grondlocaties in eigendom van de gemeente.
  • Wat is heden ten dage die ondergrens? → Deze ondergrens ligt op dit moment ongeveer op 200 personen.
  • Is dergelijke kleinschalige opvang voor het college bespreekbaar, is het voor COA / provincie / rijk aanvaardbaar en zouden voor dergelijke opvang in onze gemeente wel… → Alle mogelijke vormen van opvang passend in onze gemeente worden in deze verkenning meegenomen.
  • In hoeverre sluit dat aan bij wat u in de RIB schrijft “Het college gaat in de initiatieffase na of er locaties in aanmerking zouden kunnen komen, die niet aan de… → Hierbij doelt het college op opvangmogelijkheden die niet (direct) voldoen aan de eisen die het COA stelt aan duurzame opvanglocaties (grootte, duur, etc. van de opvanglocatie).

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college:

A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 40 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig

Naam indiener:

Fractie:

Datum van indienen:

Onderwerp:

Categorie:

A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)

Wim Stam ChristenUnie-SGP 12-4-2024 Spreidingswet

In te vullen door organisatie Portefeuillehouder:

Datum beantwoording:

Inleiding

Gisteren is in de commissie ABZF/SI besloten om het onderwerp Spreidingswet nav de RIB van 1 maart jl te behandelen in de commissie van mei. Vooruitlopend bijgaand onze vragen.

Vragen (Antwoorden volgen direct onder de vragen)

De RIB stelt “Indien het provinciaal plan geen afdoende antwoord geeft op de vraag kan dit uiteindelijk leiden tot dwang”. In de afgelopen jaren heeft het college echter aangegeven, ondanks alle inspanningen, geen geschikte locatie voor een asielzoekers opvang te kunnen vinden. Passende leegstaande gebouwen (kazernes, ziekenhuizen, etc…) zijn er niet in onze gemeente.

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Wat moeten wij ons dan bij “dwang” voorstellen. Hoe gaan Rijk/Provincie daar dan concreet inhoud aan geven.

Antwoord van het college

Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvang voorzieningen Gemeenten krijgen een wettelijke taak om asielopvangvoorzieningen te realiseren.

De Ronde Venen 290 (waarvan 25 Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV) plekken.

Doel van de wet is de opvang van asielzoekers evenwichtiger te verdelen over het land.

Dit gaat ‘bottom-up’, dus verdeling start bij de gemeenten zelf: zij maken een provinciaal plan.

Provincie Utrecht is verantwoordelijk voor 8207 plekken per 1 juli 2026.

Voldoet het plan niet aan de opgave? Dan worden in de tweede fase de overige plekken verdeeld over de gemeenten, op basis van inwonertal en sociaaleconomische status.

De Rijksoverheid is bevoegd om gemeenten de opdracht te geven asielopvang te realiseren op een door hen aangewezen locatie. Op dit moment is het nog onduidelijk of en hoe het Rijk de “dwang” gaat toepassen.

In de RIB geeft u aan “De conclusie is, zoals eerder ook al met uw raad gedeeld, dat er geen gemeentelijk vastgoed geschikt is of geschikt kan worden gemaakt voor een duurzame asielopvangvoorziening. Daarnaast is er op dit moment geen zicht op andere locaties die op korte termijn geschikt zijn of geschikt gemaakt kunnen worden voor een duurzame asielopvangvoorziening.”

Vraag 2

In hoeverre moet de opvang gemeentelijk vastgoed zijn?

Antwoord van het college

Dit is geen vereiste. Gedurende de initiatieffase (1 februari -18 april 2024) lag de focus op verkenning van gemeentelijk vastgoed en/of locaties die direct onverminderd geschikt zijn voor deze vorm van opvang.

Vraag 3

Zo niet, heeft u dan ook naar ander vastgoed gekeken?

Antwoord van het college

Binnen de definitiefase (tot 1 juli 2024) ligt de focus op de verdiepende verkenning naar overige locaties van gemeente en derden.

Vraag 4

Welke objecten zijn de afgelopen paar jaar beoordeeld op mogelijkheid van opvang?

Antwoord van het college

Dit betreft in ieder geval de gebouwen en grondlocaties in eigendom van de gemeente.

Daarnaast ontvangt de gemeente op gezette tijden signalen van derden over mogelijk geschikte locaties voor de opvang van kwetsbare doelgroepen. Op deze signalen wordt altijd gereageerd. Via deze weg zijn onder andere meerdere locaties voor de opvang van Oekraïense ontheemden tot stand gekomen. Dit gebeurt ook voor locaties voor de opvang van duurzame asielopvangvoorzieningen. In dit geval start het COA de verkennende fase.

We kunnen niet ingaan op individuele casussen, vanwege de status van de gesprekken.

Op het moment dat een locatie concreter in beeld komt en het COA hieraan medewerking kan verlenen, wordt de gemeente betrokken. Op dat moment is de gemeente, in samenwerking met COA en de eigenaar, verantwoordelijk voor onder andere de ruimtelijke procedure en de participatie met de omgeving. De raad wordt onverwijld geïnformeerd op het moment dat een locatie zich in deze fase bevindt. Dat is op dit moment niet het geval.

In de achterliggende jaren is ook telkens aangegeven, dat er een soort minimum ondergrens is voor de COA waarbij zij een asielzoekerscentrum exploitabel vinden.

Vraag 5

Wat is heden ten dage die ondergrens? En welke voorwaarden stelt het COA nog meer?

Antwoord van het college

Deze ondergrens ligt op dit moment ongeveer op 200 personen. COA doet de coördinatie- en beheersproces. Begeleiding, scholing, zorg en beveiliging op locatie valt onder de verantwoordelijkheid van COA. Tegelijkertijd is ook ruimte voor maatwerk. De asielinstroom en overvolle opvanglocaties zorgen ervoor dat COA, het Rijk, provincies en gemeenten gezamenlijk meerdere en creatieve mogelijkheden verkennen.

Het COA zegt het volgende over kleinschalige opvang:

• Voorheen was vanwege de kosten kleinschalige opvang geen optie.

• Vanwege groeiend draagvlak in de samenleving voor kleinschalige opvang zijn er nu volgens het COA twee mogelijkheden:

1. een kleine locatie in de buurt van een azc (azc-dependance, met begeleiding en voorzieningen vanuit een hoofdlocatie);

2. een kleine locatie los van een azc (zelfstandig met beperkte eigen voorzieningen en begeleiding).

• Kleinschalige opvang is wel duurder (door onder andere bouwkosten en onderhoud) en er kunnen minder diensten aangeboden worden (zoals zorg, begeleiding en onderwijs).

Wij kunnen ons voorstellen, ook met het oog op het draagvlak, dat kleinschaliger opvang (bv 2030 mensen) veel effectiever is. Daar is makkelijker een locatie voor te vinden en de acceptatie van de buurt kan ook groter zijn. Inzet van de omgeving via vrijwilligers zou dan wellicht ook makkelijker te organiseren zijn.

Vraag 6

Is dergelijke kleinschalige opvang voor het college bespreekbaar, is het voor COA / provincie / rijk aanvaardbaar en zouden voor dergelijke opvang in onze gemeente wel locaties te vinden zijn?

Antwoord van het college

Alle mogelijke vormen van opvang passend in onze gemeente worden in deze verkenning meegenomen. Zie verder het antwoord op vraag 4.

Vraag 7

In hoeverre sluit dat aan bij wat u in de RIB schrijft “Het college gaat in de initiatieffase na of er locaties in aanmerking zouden kunnen komen, die niet aan de huidige regelgeving en eisen voor duurzame opvangvoorzieningen voldoen”?

Antwoord van het college

Hierbij doelt het college op opvangmogelijkheden die niet (direct) voldoen aan de eisen die het COA stelt aan duurzame opvanglocaties (grootte, duur, etc. van de opvanglocatie). Op het moment dat een dergelijke locatie in beeld komt, wordt hier met het COA (en provincie) nader over gesproken.

Gisteren is ook een brief van de CdK aan de stukken toegevoegd. Daarin lezen we een opsomming van “kernpunten van de Utrechtse aanpak”. Het komt ons voor dat die punten voor een deel overeenkomen met de bedoeling bij vraag 6 hierboven.

8) Kunt u nader aangeven wat precies bedoeld wordt met deze kernpunten.

Antwoord:

De Utrechtse aanpak voor de opvang van vluchtelingen in de provincie Utrecht is een doordachte strategie die gericht is op meer dan alleen het creëren van voldoende opvangplekken. De belangrijkste aspecten van deze aanpak:

1. Maat en schaal passend bij de omgeving: Bij het ontwikkelen van opvanglocaties wordt rekening gehouden met de specifieke omgeving. Het gaat niet alleen om het aantal beschikbare bedden, maar ook om de impact op de buurt en de mogelijkheid tot integratie.

2. Gemengde woonvormen: De Utrechtse aanpak streeft naar opvangplekken waar verschillende groepen samenleven. Dit bevordert sociale interactie en integratie.

3. Inbedding van (maatschappelijke) functies: Opvanglocaties worden zo ontworpen dat ze niet alleen dienen als slaapplekken, maar ook als plekken waar buurtbewoners gebruik van kunnen maken. Denk aan voorzieningen voor starters, kleine bedrijfsruimtes, en andere faciliteiten.

4. Stabiel leef- en leerklimaat voor kinderen: Bij het ontwerpen van opvanglocaties wordt speciale aandacht besteed aan kinderen. Een stabiele omgeving waarin zij kunnen leren en groeien, is essentieel.

5. Regionale doorstroming: Er wordt gestreefd naar een goede doorstroming van vluchtelingen binnen de regio, zodat ze zich kunnen vestigen op plekken waar ze zich thuis voelen.

6. Intergemeentelijke samenwerking: De provincie Utrecht werkt nauw samen met alle 26 gemeenten om de opvang en huisvesting van vluchtelingen te realiseren.

Deze pijlers vormen de basis van de Utrechtse aanpak en dragen bij aan een positieve start voor vluchtelingen die in onze provincie komen wonen Naar ons idee zouden de asielzoekers zelf veel meer ingeschakeld kunnen en moeten worden bij hun eigen opvang. Vaak staan wettelijke beperkingen hiervoor in de weg bv men mag geen werk doen. Maar als we (zeker bij kleinschalige opvang) daarvoor geschikte asielzoekers inzetten bv voor een deel van de coördinatie en leiding in de betreffende opvang, dan zou dat naar ons oordeel alleen maar voordelen hebben.

9) Hoe ziet het college dit en welke factoren verhinderen eventueel een dergelijke aanpak?

Antwoord:

Asielzoekers mogen werken als de asielaanvraag minstens 6 maanden in behandeling is. Zij kunnen aan het werk als het UWV een tewerkstellingsvergunning afgeeft aan de werkgever of bij zelfstandig ondernemerschap aan de opdrachtgever. Met een vergunning asiel bepaalde tijd hebben zij dezelfde rechten als ieder ander in Nederland werkend persoon. Vrijwilligerswerk kunnen asielzoekers doen met een vrijwilligersverklaring van het UWV.

Er zijn een aantal belemmerende factoren:  Verantwoordelijkheid voor in dienst nemen of het verrichten van werkzaamheden door asielzoekers ligt primair bij COA;  Medische situatie asielzoeker;  Kinderopvang nog niet (altijd) beschikbaar;  Taalbarrière;  Reisafstand;  Bereidheid werkgevers om asielzoeker in dienst te nemen of TWV aan te vragen bij UWV;  Bemiddeling naar werk asielzoekers is geen wettelijke taak van het COA of gemeenten.

Bekijk de brief: 240508 Beantwoording Schriftelijke raadsvragen CU-SGP Spreidingswet

Bron: raadsinformatie van de gemeente De Ronde Venen (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van De Ronde Venen

Alle artikel 35-vragen in De Ronde Venen