29 januari 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Vught

16. Beantwoording schriftelijke vragen D66 - Standplaatsenbeleid - vervolgvragen

Een raadslid stelde op 29 januari 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Vught (4 vragen).

In het kort

4 vragen en wat het college antwoordt

  • Het college deelt mee dat ‘in januari in gesprek gegaan wordt met de standplaatshouders, ondernemers en vertegenwoordigers van de winkelcentra. → Wat is de directe aanleiding om in gesprek te gaan?
  • In een van de artikelen in het Brabants Dagblad wordt gesteld dat de (toenmalige) burgemeester een toezegging heeft gedaan aan de eigenaar/exploitant van de viswinkel… → a.
  • Er bestaat onderscheid tussen ‘beleid’ en ‘beleidsregels’. → Zo nee, waarom niet?
  • Als het college voornemens is om het eerder gepubliceerde standplaatsenbeleid aan te passen, zal dit dan wel aan de raad worden voorgelegd? → Zo nee, waarom niet?

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Schriftelijke vragen D66 – 02.12.2025 Ambulante handel (kaas- en viskraam) Marktveld - vervolgvragen

Op 5 november j.l. heeft de D66-fractie schriftelijke vragen gesteld over het standplaatsenbeleid die op 12 november zijn beantwoord. Ook heeft de fractie kennisgenomen van het door het college vastgestelde beleid. Inmiddels hebben de betrokken standplaatshouders een vergunning verkregen voor 1 jaar. In een artikel in het Brabants Dagblad van 18 november getiteld “‘Fout op fout op fout’: wethouder erkent blunder met kaasen viskraam” wordt onder meer door het college gereageerd op de ontstane commotie. Ook heeft de wethouder op 17 november een mededeling aan de raad verstuurd.

De fractie van D66 heeft naar aanleiding hiervan deze vervolgvragen aan het college:

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Het college deelt mee dat ‘in januari in gesprek gegaan wordt met de standplaatshouders, ondernemers en vertegenwoordigers van de winkelcentra. Doel is te komen tot beleid waarin alle partijen elkaar vinden.’ Kunt u toelichten waarom een dergelijk gesprek noodzakelijk is?

Antwoord van het college

Wat is de directe aanleiding om in gesprek te gaan?

Vraag 2

In een van de artikelen in het Brabants Dagblad wordt gesteld dat de (toenmalige) burgemeester een toezegging heeft gedaan aan de eigenaar/exploitant van de viswinkel over het intrekken van de vergunningen van de viskraam. Klopt dit?

Antwoord van het college

a. Zo ja, wanneer en op welke manier vond dit contact plaats, en is dit de aanleiding geweest het standplaatsenbeleid te herzien?

Als er schriftelijke communicatie is geweest (e-mail, berichtenverkeer) hierover in de afgelopen 18 maanden: graag deze bij de beantwoording voegen.

b. Zo niet, is er contact geweest met de eigenaar/exploitant om te achterhalen op basis waarvan deze bewering is gedaan en blijkt uit dit contact een eventueel misverstand? Zo ja, waarop is dit misverstand gebaseerd? Zo nee, is het college voornemens dit te achterhalen?

Vraag 3

Er bestaat onderscheid tussen ‘beleid’ en ‘beleidsregels’. Beleid dient te worden vastgesteld door de raad en de aanpassing van de APV is in dit geval gemandateerd naar het college. Is het college het echter met D66 eens dat de verregaande aanpassing van beleid door het toevoegen van een criterium van complementariteit het daarmee een bevoegdheid zou moeten zijn van de gemeenteraad?

Antwoord van het college

Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Als het college voornemens is om het eerder gepubliceerde standplaatsenbeleid aan te passen, zal dit dan wel aan de raad worden voorgelegd?

Antwoord van het college

Zo nee, waarom niet?

Vught

Aan de leden van de raad

Uw kenmerk

Datum

Ons kenmerk

DL/Z25 - 297638/UIT/25 - 726742

Behandeld door

R. IJkhout/ +31736580174

16 december 2025

Verzonden

Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 42 RvO van de fractie D66 d.d. 2 Onderwerp

december 2025 inzake vervolgvragen standplaatsenbeleid.

Geachte heer, mevrouw, Door de fractie D66 zijn op 2 december 2025 vragen gesteld met betrekking tot het standplaatsenbeleid.

1. De wethouder deelt mede: `het college is voornemens het standplaatsenbeleid 2025 te herzien. Het concludeert dat het huidige beleid onjuist is'. Het beleid lijkt juridisch niet handhaafbaar, de D66-fractie wil duidelijkheid hierover. Aangezien sprake is van onjuist beleid, kunnen we hiermee vaststellen dat het standplaatsenbeleid 2025 officieel niet meer van kracht is en onverkort het oude beleid geldt?

Het college heeft vastgesteld dat het standplaatsenbeleid 2025 inhoudelijke en procedurele onvolkomenheden bevat en heeft daarom op 16 december 2025 besloten het standplaatsenbeleid in te trekken. In de periode tot de vaststelling van nieuw beleid valt het college terug op het voorgaande beleid en de toetsingskaders uit de APV en Welstandsnota, voorzover dit relevant is voor standplaatsen.

1/3

Vught

2. Er is bij monde van de wethouder sprake geweest van `fout op fout op fout'. Welke fouten zijn gemaakt en kunnen deze nader worden toegelicht?

Bij de totstandkoming van het standplaatsenbeleid 2025 zijn verschillende tekortkomingen geconstateerd. Daarbij gaat het om fouten in overdracht, participatie en procesborging. Het college heeft daarom besloten het beleid te herijken zodat een zorgvuldig en juridisch robuust product wordt opgeleverd.

3. Het college deelt mee dat `in januari in gesprek gegaan wordt met de standplaatshouders, ondernemers en vertegenwoordigers van de winkelcentra. Doel is te komen tot beleid waarin alle partijen elkaar vinden.' Kunt u toelichten waarom een dergelijk gesprek noodzakelijk is? Wat is de directe aanleiding om in gesprek te gaan?

Zoals bij punt 2 aangegeven is de participatie niet gelopen zoals had gemoeten; het college vindt het daarom noodzakelijk om participatie mét standplaatshouders, winkeliers, vertegenwoordigers van de winkelgebieden en omwonenden alsnog zorgvuldig en volledig te laten plaatsvinden.

4. In een van de artikelen in het Brabants Dagblad wordt gesteld dat de (toenmalige) burgemeester een toezegging heeft gedaan aan de eigenaar/exploitant van de viswinkel over het intrekken van de vergunningen van de viskraam. Klopt dit?

a. Zo .a wanneer en op welke manier vond dit contact plaats, en is dit de aanleiding geweest het standplaatsenbeleid te herzien?

Als er schriftelijke communicatie is geweest (e-mail. berichtenverkeer) hierover in de afgelopen 18 maanden: graag deze bij de beantwoording voegen.

b. Zo niet, is er contact geweest met de eigenaar/exploitant om te achterhalen op basis waarvan deze bewering is gedaan en blijkt uit dit contact een eventueel misverstand? Zo ja. waarop is dit misverstand gebaseerd? Zo nee, is het college voornemens dit te achterhalen?

Er zijn geen stukken, noch van bestuurlijke, noch van ambtelijke aard, die wijzen op een toezegging of formele afspraak over het intrekken van vergunningen. Ook zijn ons geen directe signalen bekend en daarmee heeft het geen rol gespeeld in de besluitvorming.

5. Er bestaat onderscheid tussen `beleid' en `beleidsregels'. Beleid dient te worden vastgesteld door de raad en de aanpassing van de APV is in dit geval gemandateerd naar het college. Is het college het echter met D66 eens dat de verregaande aanpassing van beleid door het toevoegen van een criterium van complementariteit het daarmee een bevoegdheid zou moeten zijn van de gemeenteraad? Zo nee, waarom niet? 2/3

Vught Nee, het college is het niet eens met de fractie van D66 dat dit een raadsbevoegdheid is.

De APV vormt de juridische basis voor de vergunningverlening. Artikel 5:18 APV bevat o.a. de weigeringsgronden en bepaalt het verzorgingsniveau. Beleidsregels mogen deze gronden nader uitwerken en concretiseren, zolangzij binnen de wettelijke en APV- kaders blijven.

Het criterium complementariteit wordt beschouwd als een nadere invulling van bestaande APV-weigeringsgronden

en

sluit aan

bij het beoordelingselement

"verzorgingsniveau". Daarmee gaat het om een uitvoeringsregel binnen de bestaande kaders van de APV en is het college bevoegd dit criterium in beleidsregels te hanteren.

6. Als het college voornemens is om het eerder gepubliceerde standplaatsenbeleid aan te passen, zal dit dan wel aan de raad worden voorgelegd? Zo nee, waarom niet?

Zoals bij vraag 1 aangegeven wordt het standplaatsenbeleid herzien. Indien het nieuwe standplaatsenbeleid onderdelen bevat die onder raadsbevoegdheid vallen, zal dit uiteraard aan de gemeenteraad worden voorgelegd.

Bekijk de brief: 16. Beantwoording schriftelijke vragen D66 - Standplaatsenbeleid - vervolgvragen

Bron: raadsinformatie van de gemeente Vught (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Vught

Alle artikel 35-vragen in Vught