Toegevoegd 11-09: Raadsmededeling 89-2026 Beantwoording vragen beeldvorming Ontwerp Omgevingsvisie
Een raadslid stelde op 8 september 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Aalten (6 vragen).
In het kort
6 vragen en wat het college antwoordt
- Overleg met externe partijen Vraag Achterhoek Ambassadeurs/Raad en Kreis Borken/Stadt Bocholt worden in paragraaf 7.4 niet apart benoemd. → Hoe is het overleg georganiseerd en hoeveel partijen hebben inmiddels gereageerd?
- Buurtschap ’t Klooster Vraag Waarom is ’t Klooster niet als afzonderlijk buurtschap opgenomen? → Kan het document hiermee worden aangevuld?
- Verbetering van natuurwaarden en de Habitatrichtlijn Vraag Waarom wordt ingezet op verbetering van natuurwaarden als de Habitatrichtlijn alleen vereist dat teruggang… → Antwoord college De Omgevingsvisie richt zich breder op natuur en biodiversiteit dan uitsluitend op het voldoen aan de verplichtingen die gelden voor beschermde Natura 2000-gebieden.
- Landbouwtransitie Vraag 1 en 2 Uit welke provinciale en landelijke beleidsstukken blijkt dat de landbouw voor een transitie staat? → Antwoord college De landbouw is en blijft een belangrijke economische en landschappelijke drager van het buitengebied van gemeente Aalten.
- Biodiversiteit: nulmeting en herstel Vraag Is er een nulmeting beschikbaar? → Blijkt daaruit schade aan de biodiversiteit?
- Focusgebieden groenblauwe dooradering Vraag Wat is per gebied het probleem, waarom heeft het prioriteit, wat betekent dit voor inwoners, boeren, bedrijven en natuur en… → Antwoord college Met de drie in paragraaf 2.7.6 genoemde focusgebieden worden geen nieuwe natuurgebieden of juridisch begrensde natuurherstelgebieden aangewezen.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Pagina 1 van 9 Raadsmededeling openbaar Nummer : 89-2026 Datum : 10 september 2026 B&W datum : 10 september 2026 Beh. Ambtenaar : A. van Nijkerken Portefeuillehouder : A. Walter Onderwerp : Beantwoording (technische) vragen beeldvorming Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040 Aanleiding In de beeldvormende vergadering van 8 september 2026 is de Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040 besproken. De gemeenteraad heeft het college gevraagd de schriftelijk ingediende en enkele andere gestelde vragen tijdens de beeldvorming schriftelijk te beantwoorden. Deze antwoorden staan verderop in deze raadsmededeling.
Inhoud mededeling Een aantal vragen vanuit de fracties is tijdens de beeldvorming op 8 september al beantwoord. In het navolgende de beantwoording van zowel de schriftelijk ingediende als enkele andere gestelde vragen. Verder waren er in de vergadering van 8 september 2026 insprekers:
• twee insprekers namens Stichting Behoud Wenninkmolen Lintelo, over het (in de Ontwerp Omgevingsvisie) niet genoemd worden van de molen, en over het belang van naleven van regelgeving op gebied van molenbiotopen en handhaving daarvan;
• een inspreker over het belang van schone lucht, als mensenrecht, en over gebrek aan ambitie om daar werk van te maken;
• twee insprekers over houtrook als ernstige bedreiging van gezondheid, tevens onder de aandacht gebracht in een schriftelijke samenvatting aangereikt in juni 2026;
• een inspreker namens bedrijvencluster kern IJzerlo over het belang van lokale bedrijvigheid ook voor leefbaarheid in de diverse buurtschappen en kleine(re) kernen en de ruimte die daarvoor gegeven moet worden (tevens eerder deze zomer onder de aandacht gebracht via een ingezonden brief);
• een inspreker namens Bredevoorts Belang over de Ontwerp Omgevingsvisie die op het punt van woningbouw nog duidelijker in lijn moet worden gebracht met het VHP en de gemaakte afspraken over extra woningbouw in Bredevoort, en over parkeren aan de rand om het centrum van Bredevoort autoluw te maken;
Pagina 2 van 9
• een inspreker namens Dynamisch Dinxperlo over o.a. extra woningbouw (meerlaagse appartementen) in het centrum en een paar andere zaken, aangegeven in een schriftelijke reactie ingediend in juni 2026;
• een inspreker namens zwemvereniging Natare over behoud en herstel van zwembad ‘t Walfort, eveneens aangegeven in een schriftelijk stuk ingediend in juni 2026.…
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Overleg met externe partijen Vraag Achterhoek Ambassadeurs/Raad en Kreis Borken/Stadt Bocholt worden in paragraaf 7.4 niet apart benoemd. Zijn deze organisaties gevraagd terugkoppeling te geven?
Antwoord van het college
Hoe is het overleg georganiseerd en hoeveel partijen hebben inmiddels gereageerd?
Antwoord college Paragraaf 7.4 bevat geen uitputtende opsomming van alle partijen waarmee de gemeente in het kader van de Omgevingsvisie samenwerkt. De regionale en grensoverschrijdende context is nadrukkelijk onderdeel van de visie. Zo wordt aangesloten bij regionale ontwikkelingen en programma's binnen de Achterhoek en wordt in de visie expliciet aandacht besteed aan de samenwerking met de Euregio en de grensoverschrijdende verwevenheid met Duitsland.
Bij de voorbereiding van de Omgevingsvisie is op verschillende manieren input opgehaald bij inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere betrokken partijen.
Partijen als Achterhoek Ambassadeurs/Raad en Kreis Borken/Stadt Bocholt worden voorafgaand aan de terinzagelegging van de Ontwerp Omgevingsvisie actief op de hoogte gebracht. Ook voor hen geldt dat ze kunnen reageren en eventueel zienswijzen kunnen indienen.
Vraag 2
Buurtschap ’t Klooster Vraag Waarom is ’t Klooster niet als afzonderlijk buurtschap opgenomen?
Antwoord van het college
Kan het document hiermee worden aangevuld?
Antwoord college Dat ’t Klooster in deel 4 niet afzonderlijk is uitgewerkt, betekent niet dat de gemeente daarmee een uitspraak doet over de erkenning van ’t Klooster als buurtschap. De met uw raad gekozen indeling in deelgebieden is bedoeld om de gemeentebrede koers gebiedsgericht uit te werken en vormt geen afzonderlijke beleidslaag. Tegelijk is het juist de bedoeling dat inwoners zich in de gebiedsgerichte uitwerking kunnen herkennen. De Omgevingsvisie geeft ook aan dat de inbreng van inwoners herkenbaar moet terugkomen en dat de gebiedsgerichte uitwerking in het vervolg verder wordt geconcretiseerd. Of en op welke wijze ’t Klooster afzonderlijk herkenbaar wordt opgenomen, kan worden betrokken bij het opstellen van de definitieve Omgevingsvisie.
Pagina 3 van 9
Vraag 3
Verbetering van natuurwaarden en de Habitatrichtlijn Vraag Waarom wordt ingezet op verbetering van natuurwaarden als de Habitatrichtlijn alleen vereist dat teruggang wordt voorkomen?
Antwoord van het college
Antwoord college De Omgevingsvisie richt zich breder op natuur en biodiversiteit dan uitsluitend op het voldoen aan de verplichtingen die gelden voor beschermde Natura 2000-gebieden. Natuur en biodiversiteit worden in de visie ook in samenhang bezien met landschap, water, klimaatadaptatie, gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Daarom wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van verslechtering, maar waar mogelijk ook op herstel en versterking. Dat is ook zo in de Ontwerp Omgevingsvisie verwoord. Daarbij is -naast de Vogel- en Habitatrichtlijn- inmiddels ook de Europese Natuurherstelverordening relevant.
Deze bevat doelen voor het herstel van ecosystemen. De keuze voor behoud én waar mogelijk versterking van natuur en biodiversiteit is daarmee niet uitsluitend een keuze om boven een minimumnorm uit te gaan. Bij dit alles is ook van belang dat de Omgevingsvisie een strategisch en richtinggevend document is. De visie is niet rechtstreeks juridisch bindend voor inwoners en ondernemers; juridisch bindende regels worden -waar nodig- via andere instrumenten, waaronder het omgevingsplan, vastgelegd.
Vraag 4
Landbouwtransitie Vraag 1 en 2 Uit welke provinciale en landelijke beleidsstukken blijkt dat de landbouw voor een transitie staat?
Antwoord van het college
Antwoord college De landbouw is en blijft een belangrijke economische en landschappelijke drager van het buitengebied van gemeente Aalten. Dat staat in de Omgevingsvisie nadrukkelijk voorop.
Tegelijkertijd verandert de context waarin agrarische bedrijven opereren. Zowel provinciaal als landelijk bestaan beleidsdoelen en wettelijke opgaven op het gebied van onder andere water- en bodemkwaliteit, emissies, natuur, klimaat en verduurzaming. Ook veranderende marktomstandigheden en bedrijfsmodellen spelen daarbij een rol. De provincie Gelderland zet in haar landbouwbeleid in op een toekomstbestendige landbouw, waarbij onder meer verduurzaming, innovatie, natuurinclusiviteit en een duurzaam verdienmodel een rol spelen.
Ook het Rijk zet in op verduurzaming en een toekomstbestendige landbouwsector.
Met de term 'transitie' wordt in de Omgevingsvisie dan ook niet één voorgeschreven ontwikkelrichting voor alle agrarische bedrijven bedoeld. Agrarische bedrijven verschillen en ook de mogelijkheden verschillen per gebied en per bedrijf. De Omgevingsvisie kiest daarom juist voor een gebiedsgerichte benadering en voor maatwerk.
Vraag 3 Lopen we met deze insteek niet vooruit op deels nog niet geformuleerd landelijk beleid?
Antwoord college Nee. De Omgevingsvisie legt geen toekomstige landelijke regelgeving vast en loopt daar ook niet juridisch op vooruit. Zij geeft een gemeentelijke koers tot 2040 en moet tegelijkertijd ruimte laten voor veranderende wetgeving, beleid, marktomstandigheden en nieuwe ontwikkelingen.
Wel erkennen wij dat de term 'transitie' de indruk kan wekken dat de uitkomst daarvan al vaststaat. Bij de definitieve Omgevingsvisie zullen wij daarom bezien of deze passage kan worden verduidelijkt, zodat beter tot uitdrukking komt dat verschillende ontwikkelrichtingen voor agrarische bedrijven mogelijk blijven en gebiedsgericht maatwerk het uitgangspunt is.
Pagina 4 van 9
Vraag 5
Biodiversiteit: nulmeting en herstel Vraag Is er een nulmeting beschikbaar?
Antwoord van het college
Blijkt daaruit schade aan de biodiversiteit? Gaat het om verbetering of herstel?
Antwoord college Om te kunnen beoordelen of de biodiversiteit in onze gemeente toeneemt in de periode 2023-2030, is in 2024 door Staring Advies een nulmeting van de ambassadeurssoorten en milieufactoren uitgevoerd. In deze nulmeting is per ambassadeurssoort het verleden (vanaf 1950) en heden geschetst met hierbij de nadruk op het aantal individuen en de verspreiding per soort. Rond 2030 worden de waarnemingen van de ambassadeursoorten uit de periode 2024 - 2030 verzameld en wordt per soort aangegeven of er sprake is van toename achteruitgang of een stabiele situatie.
Het college wil hierbij benadrukken dat de in paragraaf 2.7.6 genoemde 20% niet zo moet worden gelezen dat binnen de gemeente Aalten is vastgesteld dat 20% van de ecosystemen beschadigd is en door de gemeente moet worden hersteld. De formulering sluit aan bij de Europese Natuurherstelverordening en het daarin opgenomen Europese hersteldoel. De Ontwerp Omgevingsvisie vertaalt dit vervolgens naar een gemeentelijke ambitie voor een meetbare toename van biodiversiteit.
Het college erkent dat dit onderscheid in de huidige tekst van de Ontwerp Omgevingsvisie onvoldoende duidelijk naar voren komt. Bij de definitieve Omgevingsvisie zullen wij daarom bezien hoe beter onderscheid kan worden gemaakt tussen het Europese hersteldoel, de gemeentelijke ambitie voor behoud en versterking van biodiversiteit en de wijze waarop de ontwikkeling daarvan in Aalten kan worden gemonitord.
Vraag 6
Focusgebieden groenblauwe dooradering Vraag Wat is per gebied het probleem, waarom heeft het prioriteit, wat betekent dit voor inwoners, boeren, bedrijven en natuur en om welke gebieden gaat het precies?
Antwoord van het college
Antwoord college Met de drie in paragraaf 2.7.6 genoemde focusgebieden worden geen nieuwe natuurgebieden of juridisch begrensde natuurherstelgebieden aangewezen. De aanduiding betekent op zichzelf dan ook niet dat nieuwe juridische beperkingen worden opgelegd aan inwoners, agrariërs of bedrijven. Het gaat om gebieden waar op basis van de beschikbare analyses meerdere opgaven rond landschap, biodiversiteit, water en de samenhang van groen- en waterstructuren bij elkaar komen. In het noordelijk deel van de gemeente ligt het accent op het versterken van landschappelijke verbindingen, natuurstructuren en waterlopen. Ten noordoosten en westen van Dinxperlo gaat het vooral om de samenhang tussen biodiversiteit, landschap, waterbeheer, beekdalen en agrarisch landschap. In en rond De Haart speelt daarnaast de bijzondere betekenis van het water- en bodemsysteem.
Welke maatregelen op welke concrete locaties wenselijk zijn, wordt met de Omgevingsvisie nog niet bepaald. De visie geeft daarvoor richting; de concrete uitwerking vindt plaats in het gebiedsgerichte vervolgproces. Daarbij worden inwoners, agrariërs, ondernemers, het waterschap en andere betrokken partijen betrokken. De visie geeft zelf ook expliciet aan dat de gebiedsgerichte 'puzzel' in deze fase nog niet volledig is gelegd.
Voor agrarische bedrijven betekent de aanduiding als focusgebied dus niet dat landbouw daar op voorhand wordt beperkt of dat agrarische gronden een natuurbestemming krijgen.
De landbouw blijft een belangrijke drager van het buitengebied. Bij de verdere uitwerking wordt juist gezocht naar mogelijkheden om landbouw, water, landschap, natuur en leefbaarheid waar mogelijk met elkaar te verbinden.
Pagina 5 van 9
7. Ontsluiting De Haart Vraag/opmerking Vanuit De Haart bestaan zorgen over de verkeersdruk rond het AZSV-terrein en over de ontsluiting van De Haart richting de N318.
Antwoord college Deze zorgen zijn bekend en worden serieus genomen. In de gebiedsgerichte uitwerking voor De Haart worden bereikbaarheid en verkeersveiligheid al als aandachtspunt benoemd. De Ontwerp Omgevingsvisie gaat echter niet specifiek in op de ontsluiting richting de N318 en de verkeerssituatie rond het AZSV-terrein. De Omgevingsvisie is een strategisch document en bevat daarom niet voor ieder verkeerskundig knelpunt al een concrete maatregel of oplossing. Dat betekent niet dat dergelijke knelpunten buiten beeld blijven.
Verkeersveiligheid en bereikbaarheid behoren expliciet tot de onderwerpen die in het gebiedsgerichte vervolg nader worden uitgewerkt. Daarbij worden ook concrete verbeterpunten en aandachtspunten van inwoners en belangenorganisaties betrokken.
De ontsluiting van De Haart richting de N318 en de verkeerssituatie rond het AZSV-terrein worden daarom betrokken bij dit vervolg. Daarbij wordt nader bezien wat de aard en omvang van de knelpunten is en welke maatregelen mogelijk en wenselijk zijn, waar nodig in overleg met andere wegbeheerders en betrokken partijen.
Beantwoording schriftelijke vragen CDA 1 Technische vraag:
Pagina 24, §2.7.1, wordt geschreven we in een tweede woningbouw fase, aanvullend kijken naar het buitengebied. Waarom is er gekozen voor een fasering ipv juist flexibiliteit en ruimte voor kansen en initiatieven uit de markt?
Antwoord college De fasering is gekozen omdat voor de periode tot 2035 al een belangrijk deel van de woningbouwopgave is belegd in bekende plannen en locaties. Dat betekent niet dat woningbouw in het buitengebied tot 2035 op slot gaat: ook vóór 2035 blijft ruimte voor passende kleinschalige initiatieven en maatwerk. Voor 2035–2040 wordt nadrukkelijk ook naar het buitengebied en de buurtschappen gekeken. Wil de raad hierin meer flexibiliteit of een andere fasering, dan kan zij dit meegeven richting de definitieve Omgevingsvisie. 2 Technische vraag:
Pagina 26 schrijven we dat we richting 2040 een samenhangend, veilig en aantrekkelijk fietsnetwerk gerealiseerd moet worden tussen kernen en buurtschappen. Welke mogelijkheden hebben we hiervoor om dit te bereiken?
Antwoord college Mogelijkheden liggen onder meer in het verbeteren van bestaande fietsroutes, het aanpakken van ontbrekende of onveilige schakels en het combineren van maatregelen met wegonderhoud en andere ruimtelijke ontwikkelingen. De concrete uitwerking en prioritering vindt plaats in programma’s en projecten, mede op basis van verkeersveiligheid, bereikbaarheid, haalbaarheid en beschikbare middelen. 3 Technische vraag:
N.a.v. ingekomen stukken namens bedrijvencluster Kern IJzerlo: In §2.7.4 maar ook per kern/buitengebied is het bedrijventerrein aspect summier uitgewerkt terwijl in de OER analyse dit als aandachtspunt wordt meegegeven. Welke mogelijkheden liggen voor om dit verder uit te werken?
Pagina 6 van 9 Antwoord college Het college (h)erkent dat bestaande bedrijvigheid en bedrijvenclusters buiten de reguliere bedrijventerreinen in de ontwerpvisie beperkt zijn uitgewerkt. Dit kan richting de definitieve Omgevingsvisie nader worden uitgewerkt, bijvoorbeeld door explicieter aandacht te besteden aan de betekenis en het ontwikkelperspectief van lokale bedrijvigheid in buurtschappen en kleine kernen. Daarbij blijft een integrale afweging nodig van onder meer bereikbaarheid, landschap, leefomgeving en infrastructuur. De raad kan hierover richting de definitieve visie een politiek-inhoudelijke richting meegeven. 4 Technische vraag:
In §2.7.5 wordt geschreven dat in sommige gebieden, er ruimte blijft bestaan voor agrarisch ondernemen (mits binnen de kaders) en andere gebieden strengere voorwaarden en of terughoudendheid is. Kan het college duiden welke gebieden strengere voorwaarden hebben en welke voorwaarden en of op basis van welke factoren hier strengere voorwaarden gelden? Van uitgaande dat niet genoemde gebieden dan ruimte zal zijn.
Antwoord college De visie wijst geen afzonderlijke gebieden aan waarvoor op voorhand een strenger gemeentelijk landbouwregime geldt. De ontwikkelruimte wordt per locatie bepaald door onder meer natuur, water en bodem, landschap, omliggende functies en geldende regelgeving. Uit het niet noemen van een gebied volgt dus ook niet dat daar zonder meer ontwikkelruimte bestaat. 5 Technische vraag:
In §2.7.5 wordt geschreven dat vrijgekomen agrarische bebouwing, een belangrijke opgave is en hergebruik op erven voorkeur heeft tot nieuw ruimtebeslag. Dit lijkt tegenstrijdig te zijn met onze rood-voor-rood (sloopmeter-) regeling waarbij dit college stimuleert om met minder sloopmeters, aansluitend aan kernen te bouwen t.o.v. een toename van bebouwing in het buitengebied. Kan het college duiden wat er met ‘ruimtebeslag’ bedoeld wordt in dit geval?
Antwoord college Met ‘nieuw ruimtebeslag’ wordt bedoeld dat voor een ontwikkeling nieuwe, nog onbebouwde ruimte wordt gebruikt. De Omgevingsvisie geeft voor de toekomst de voorkeur aan het benutten van bestaande bebouwing en erven, bijvoorbeeld door transformatie of sloop en nieuwbouw, boven het toevoegen van bebouwing op nieuwe locaties. De huidige rood-voor-roodregeling biedt onder voorwaarden ook de mogelijkheid om met minder sloopmeters aansluitend aan een kern te bouwen. De koers in de Omgevingsvisie sluit daar niet volledig op aan en biedt juist aanleiding om na vaststelling te bezien of het bestaande beleid moet worden herijkt. Daarbij kan ook worden gekeken naar andere woonvormen en een mix van woningtypen op bestaande erven, waaronder meer betaalbare woningen. 6 Technische vraag:
In §2.7.7 wordt geschreven dat de gemeente inzet op klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving waarbij water wordt vastgehouden, geborgen en vertraagd wordt afgevoerd.
Tevens wordt er geschreven dat we ernaar streven in 2050 minimaal 70% HWA aansluitingen willen ontkoppelen van het riool. Welke mogelijkheden heeft het college om water te vertragen/ opvangen en welk percentage willen we in 2040 bereikt hebben met afsluiten van HWA (ten tijde als deze visie verlopen is).
Antwoord college Dit kan onder meer door afkoppelen en lokaal infiltreren van hemelwater, minder verharding, wadi’s, waterberging en het benutten van natuurlijke laagten en beekdalen. De visie noemt voor 2050 de ambitie om minimaal 70% van het verharde oppervlak af te koppelen van het
Pagina 7 van 9 riool en lokaal te infiltreren of te bergen, maar bevat geen afzonderlijk percentage voor 2040.
Het college vindt het niet wenselijk zonder nadere onderbouwing alsnog een tussendoel te noemen. De raad kan zo'n tussendoel desgewenst meegeven richting de definitieve visie. 7 Technische vraag:
Op meerdere punten wordt er in de omgevingsvisie gesproken over ‘kleinschalig maatwerk’ m.b.t. woningbouw. Vooral in de kleine kernen. Kan het college definiëren wat kleinschalig maatwerk betekend?
Antwoord college ‘Kleinschalig’ is bewust niet vertaald naar één vast aantal woningen. Wat passend is, verschilt per gebied en hangt af van schaal, bebouwingsstructuur, landschap, woningbehoefte en infrastructuur. De visie sluit grootschalige woningbouw in het buitengebied uit, maar laat ruimte voor maatwerk. Het college ziet daarom geen meerwaarde in één gemeentebrede getalsmatige norm.
Beantwoording schriftelijke vraag VVD Vraag Op welke wijze denken wij als gemeente voldoende mee met Liander? Kan het college hier inzicht in geven? Het betreft dan zaken als netcongestie, netverzwaringen, warmtenetten en energieopslag. Volgens Liander ontbreken deze aspecten nu nog te veel in de visie.
Antwoord college Liander heeft in april 2026 ook een reactie gegeven op het Voorontwerp van de Omgevingsvisie, om mee te nemen in de vertaalslag naar de Ontwerp Omgevingsvisie die nu voorligt. De reactie van Liander is uiteraard meegenomen in die zin dat het belang van aanpak van netcongestie en in dat kader goede samenwerking met partijen als Liander, nog eens extra is onderstreept. Gemeente Aalten heeft zeer regelmatig (inmiddels maandelijks) contact met Liander, over alle hierboven (bij de vraag) genoemde onderwerpen. Deze zaken worden ook regionaal opgepakt samen met Liander en de andere Achterhoekse gemeenten.
Dit gaat dan niet alleen over een visie voor de lange termijn, maar vooral over wat er nu nodig is om de problematiek aan te pakken.
Beantwoording overige vragen Vraag CDA Het CDA heeft het college tijdens de vergadering van 8 september gevraagd om een schriftelijke reactie op de ingezonden brief d.d. 7 september 2026 namens Bestuur Toerisme & Recreatie.
Reactie college Het college is verheugd dat Toerisme & Recreatie Aalten de in de Ontwerp Omgevingsvisie gekozen koers voor recreatie en toerisme onderschrijft. De visie biedt nadrukkelijk ruimte voor gematigde groei en ziet recreatie en toerisme als belangrijke dragers van leefbaarheid, cultuur en economie, binnen de draagkracht van landschap en leefomgeving.
Het college onderschrijft dat een goede monitoring vraagt om bruikbare indicatoren. Bij de verdere uitwerking en monitoring van de Omgevingsvisie wordt daarom bezien welke meetbare gegevens voor toerisme en recreatie beschikbaar en bruikbaar zijn. Daarbij ligt samenwerking met de recreatie- en horecasector voor de hand. Dat in het OER voor vrijetijdseconomie en toerisme geen afzonderlijk kwaliteitsniveau kon worden bepaald, hangt samen met het ontbreken van voldoende passende informatie en betekent niet dat het onderwerp minder belangrijk wordt gevonden.
Pagina 8 van 9 Het college begrijpt daarnaast het punt dat niet alleen agrarische ondernemers, maar ook andere recreatieondernemers bijdragen aan de vitaliteit van het buitengebied. De Omgevingsvisie biedt ook aan hen ontwikkelruimte, mits initiatieven passen bij schaal, identiteit en draagkracht van het gebied.
In de reactie van Toerisme & Recreatie wordt gewezen op een discrepantie tussen de toevoeging van de term ‘agrotoerisme’, zoals opgenomen in de motie van de raad bij de vaststelling van het voorontwerp van de Omgevingsvisie, en een eerdere motie van de raad bij de vaststelling van de huidige beleidsregels in maart 2022. De toevoeging van de term ‘agrotoerisme’ kan leiden tot een beperking ten opzichte van het bestaande beleid. Het college stelt daarom voor toe te zeggen deze term te schrappen en dit onderdeel in lijn te brengen met het bestaande beleid.
Ten slotte nemen wij het signaal ter harte dat de eerdere inbreng van Toerisme & Recreatie Aalten onvoldoende herkenbaar is in de samenvatting van reacties. Bij de verdere verwerking van de reacties richting de definitieve Omgevingsvisie wordt erop toegezien dat de ingebrachte aandachtspunten herkenbaar worden betrokken.
Vraag PP/PRO, gesteund door CDA Pagina 30 van de Ontwerp Omgevingsvisie: “Richting 2030 wordt ingezet op aantoonbaar herstel van biodiversiteit, met als doel bij te dragen aan het herstel van minimaal 20% van de ecosystemen.”
a. Waarom 20% ?
Antwoord college De 20% is geen gemeentelijk bepaald herstelpercentage, maar sluit aan bij Europese natuurhersteldoelen. De huidige formulering kan ten onrechte suggereren dat Aalten zelf 20% van zijn ecosystemen moet herstellen. Verduidelijking richting de definitieve Omgevingsvisie ligt daarom voor de hand.
b. Hoe worden die 20% bepaald? Welke ecosystemen hebben voorrang?
Antwoord college Er is geen gemeentelijke selectie gemaakt van 20% van de ecosystemen en ook geen prioritering op basis van dat percentage. De visie benoemt wel gebieden waar opgaven voor natuur, landschap en water samenkomen. De concrete uitwerking volgt gebiedsgericht.
c. Welke ecosystemen worden onderscheiden in onze gemeente en waar bevinden zich deze?
Pagina 9 van 9 Antwoord college De Omgevingsvisie bevat geen inventarisatie of kaart met afzonderlijk begrensde ecosystemen. Wel worden onder meer houtwallen, beekdalen, waterlopen, natuurgebieden en ecologische verbindingen benoemd. Ook daarom verdient de koppeling met het percentage van 20% verduidelijking in de definitieve visie.
De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: n.v.t.
Bron: raadsinformatie van de gemeente Aalten (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.