De Glind
Een raadslid stelde op 6 mei 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (3 vragen).
In het kort
3 vragen en wat het college antwoordt
- Het rapport ‘Explosieve Ervaringen’ concludeert dat de betrokken organisaties gedurende het onderzoek geen lerende, open houding hebben aangenomen en dat bescherming van… → Het college begrijpt dat deze vraag raakt aan het vertrouwen dat betrokkenen mogen hebben in openheid en zorgvuldigheid.
- Uit het rapport blijkt dat meldingen van kindermishandeling decennialang stelselmatig niet serieus werden genomen, intern werden afgehandeld en dat melders – zowel… → Het college begrijpt de wens om voor kinderen en jongeren een plek te hebben waar zij veilig, onafhankelijk en zonder drempels hun verhaal kunnen doen.
- Het rapport beveelt aan dat elk kind in de jeugdhulp een eigen, zelfgekozen volwassen vertrouwenspersoon krijgt die direct bereikbaar is en die namens het kind acties… → Het college deelt de zorg dat kinderen in een kwetsbare positie laagdrempelig en voldoende contact moeten kunnen hebben met een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Geachte heer Mulder, Datum: 30 juni 2026
Uw bericht van:
Organisatieonderdeel:
Team Beleid Samenleving Behandeld door:
Borsboom Telefoonnummer:
Onderwerp:
Beantwoording schriftelijke vragen Pro’98 n.a.v. rapport ‘Explosieve Ervaringen’
Op 5 mei 2026 heeft uw fractie op grond van artikel 41 van de Organisatieverordening van de gemeenteraad vragen gesteld over de rol van de gemeente Barneveld, naar aanleiding van het rapport ‘Explosieve Ervaringen’ over misstanden in het verleden bij jeugdzorg in De Glind en de rol van zorgorganisatie Pluryn en de Rudolfstichting. Via deze brief ontvangt u onze beantwoording.
Wij realiseren ons dat de gebeurtenissen in De Glind geen dossier of bestuurlijke kwestie zijn, maar een zeer pijnlijke werkelijkheid die diepe sporen heeft nagelaten.
Het college wil daarom vooropstellen dat wij de ervaringen van slachtoffers en oudbewoners serieus nemen en erkennen dat het rapport ingrijpende verhalen en tekortkomingen blootlegt. Wethouder De Heer heeft, mede daarom, gesproken met meerdere slachtoffers en oud-bewoners en ook met de betrokken organisaties. Die gesprekken hebben benadrukt hoe belangrijk erkenning, zorgvuldige communicatie en een open houding zijn. Vanuit dat besef beantwoorden wij de gestelde vragen.
Tegelijkertijd spreken wij onze waardering uit voor de vele gezinshuisouders die zich, vaak met grote betrokkenheid en toewijding, inzetten voor de zorg en begeleiding van kinderen en jongeren.
Beantwoording vragen
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Het rapport ‘Explosieve Ervaringen’ concludeert dat de betrokken organisaties gedurende het onderzoek geen lerende, open houding hebben aangenomen en dat bescherming van de reputatie van de organisatie en privacywetgeving als argument werden ingezet om geen openheid te bieden. In de eerdere beantwoording stelt het college dat Pluryn de contractmanager ‘voortdurend op de hoogte heeft gehouden’. a. Hoe beoordeelt het college deze bewering van Pluryn in het licht van de onderzoeksconclusie dat Pluryn gedurende het onderzoek juist géén open houding heeft laten zien?
Antwoord van het college
Het college begrijpt dat deze vraag raakt aan het vertrouwen dat betrokkenen mogen hebben in openheid en zorgvuldigheid. De contractmanagers van JeugdFV hebben namens de zeven gemeenten in de regio contact met alle zorgaanbieders, waaronder Pluryn. De betreffende contractmanager heeft aangegeven tijdens de periode van het onderzoek op de hoogte te zijn gehouden van de voortgang van lopende onderzoeken en van maatregelen die Pluryn treft om een veilige leefomgeving te creëren. Dat neemt niet weg dat de conclusies van het rapport aanleiding geven om kritisch te blijven kijken naar de openheid, transparantie en opvolging door de betrokken organisaties.
b. Heeft het college hier zelfstandig onderzoek naar gedaan of neemt het de voorstelling van Pluryn zonder meer over?
Het college heeft zich hierbij niet uitsluitend gebaseerd op informatie van Pluryn. De informatie is ontleend aan de contractmanager JeugdFV, die vanuit de contractrelatie heeft aangegeven gedurende de onderzoeksperiode geïnformeerd te zijn. Tegelijkertijd erkent het college dat geïnformeerd worden niet hetzelfde is als volledig zicht hebben op de wijze waarop een organisatie intern met signalen, slachtoffers en aanbevelingen omgaat. Juist daarom blijft het college dit onderwerp bestuurlijk en regionaal onder de aandacht brengen.
Vraag 2
Uit het rapport blijkt dat meldingen van kindermishandeling decennialang stelselmatig niet serieus werden genomen, intern werden afgehandeld en dat melders – zowel kinderen als omstanders – negatieve consequenties ondervonden. De onderzoekers bevelen aan om een landelijk, onafhankelijk interventieteam in te stellen en een onafhankelijk meldpunt voor kinderen te realiseren. a. Is het college bereid om in de jeugdhulpregio JeugdFV het initiatief te nemen voor het opzetten van een regionaal onafhankelijk meldpunt, waar kinderen in jeugdhulpverblijf buiten de zorgaanbieder om veilig hun verhaal kunnen doen?
Antwoord van het college
Het college begrijpt de wens om voor kinderen en jongeren een plek te hebben waar zij veilig, onafhankelijk en zonder drempels hun verhaal kunnen doen. Juist gezien de ernst van de ervaringen die in het rapport worden beschreven, is dat van groot belang. Binnen de bestaande jeugdhulpstructuur zijn hiervoor al onafhankelijke meld- en ondersteuningsmogelijkheden beschikbaar. Het college wil vooral versterken dat kinderen en jongeren deze mogelijkheden kennen, vertrouwen en daadwerkelijk kunnen gebruiken. Een extra regionaal meldpunt lijkt op dit moment niet de meest effectieve weg, omdat dit ook kan leiden tot versnippering in plaats van tot meer duidelijkheid en toegankelijkheid voor jongeren.
b. Zo nee, waarom niet?
Kinderen en jongeren die jeugdhulp ontvangen, moeten hun verhaal op een veilige en onafhankelijke manier kunnen doen, juist ook buiten de directe invloedssfeer van de zorgaanbieder. Binnen het huidige stelsel is dit geborgd.
Allereerst hebben alle kinderen en jongeren die gebruikmaken van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet recht op ondersteuning door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Deze rol wordt landelijk ingevuld door stichting JeugdSTEM. JeugdSTEM is een zelfstandige organisatie; de vertrouwenspersonen zijn niet in dienst van zorgaanbieders, gemeenten of andere betrokken partijen. Zij bieden vertrouwelijke ondersteuning, geven informatie over rechten, denken mee over oplossingen en kunnen ondersteunen bij het indienen van klachten.
Daarnaast zijn deze vertrouwenspersonen actief en zichtbaar aanwezig op locaties waar kinderen verblijven. Zij bezoeken instellingen met regelmaat en zijn daar direct benaderbaar, zodat jongeren laagdrempelig vragen kunnen stellen of hun verhaal kunnen doen. Dit geldt ook voor De Glind.
Gelet op deze bestaande, wettelijk verankerde voorziening ziet het college op dit moment geen directe meerwaarde in het afzonderlijk opzetten van een regionaal meldpunt. Dat neemt niet weg dat het college de zorgen over de bereikbaarheid en het vertrouwen van kinderen en jongeren nadrukkelijk serieus neemt. Daarom blijft het college in regionaal verband (JeugdFV) aandacht vragen voor de bekendheid, toegankelijkheid en zichtbaarheid van deze onafhankelijke
ondersteuning, en voor signalen van kinderen en jongeren over (on)veiligheid, zeker voor jeugdigen die niet meer thuis kunnen wonen.
Vraag 3
Het rapport beveelt aan dat elk kind in de jeugdhulp een eigen, zelfgekozen volwassen vertrouwenspersoon krijgt die direct bereikbaar is en die namens het kind acties kan inzetten. In de eerdere beantwoording verwijst het college naar Jeugdstem, die vier keer per jaar langskomt in gezinshuizen. a. Is het college van mening dat vier bezoeken per jaar van een vertrouwenspersoon volstaat voor kinderen in een kwetsbare positie, gegeven de ernst van wat dit rapport beschrijft?
Antwoord van het college
Het college deelt de zorg dat kinderen in een kwetsbare positie laagdrempelig en voldoende contact moeten kunnen hebben met een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Wij vinden het van groot belang dat deze kinderen zich gehoord en gesteund voelen, zeker in het licht van de bevindingen uit het rapport.
De afspraak van vier geplande bezoeken per jaar door de vertrouwenspersoon is een basisniveau.
Tegelijkertijd is het goed om te benadrukken dat het contact met Jeugdstem zich hier niet toe beperkt. De vertrouwenspersonen zijn ook op andere momenten aanwezig in De Glind en zoeken actief contact met jongeren, bijvoorbeeld bij activiteiten zoals sport of op informele ontmoetingsplekken. Daarnaast zijn zij voor jongeren ook buiten de fysieke bezoeken bereikbaar.
Het college vindt dat niet alleen het aantal formele bezoeken bepalend is, maar vooral of kinderen de vertrouwenspersoon werkelijk weten te vinden, durven te benaderen en ervaren dat hun verhaal serieus wordt genomen. Dat vraagt blijvende aandacht voor toegankelijkheid, zichtbaarheid en vertrouwen.
b. Is het college bereid om in het contractmanagement op te nemen dat elk kind in een gezinshuis of pleeggezin een eigen, zelfgekozen en direct bereikbare vertrouwenspersoon krijgt?
Het is van groot belang dat ieder kind in een gezinshuis of pleeggezin beschikt over een laagdrempelige en onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Tegelijkertijd moet het college zorgvuldig zijn over wat op korte termijn lokaal in het contractmanagement kan worden vastgelegd. De inzet en organisatie van vertrouwenspersonen wordt regionaal opgepakt en afgestemd. Capaciteit en middelen kunnen daarbij slechts éénmaal worden ingezet, waardoor het niet doelmatig is om dit lokaal afzonderlijk te regelen.
Daarnaast geldt dat, wanneer dit onderwerp regionaal wordt doorontwikkeld en mogelijk contractueel wordt geborgd, dit een zorgvuldige voorbereiding en afstemming vraagt, wat tijd kost.
Het college zal dit onderwerp daarom zowel ambtelijk als bestuurlijk actief onder de aandacht brengen in de regionale samenwerking, met als doel te komen tot een gedragen en uitvoerbare oplossing.
4. Het rapport toont aan dat de gevolgen van de mishandeling voor oud-bewoners verwoestend zijn: trauma- en angstklachten, verslavingsproblematiek, dakloosheid, zelfmoordneigingen en een blijvende sociale achterstand. Bijna alle oud-bewoners geven aan dat hun nooit persoonlijk excuses zijn aangeboden. Zij vragen om erkenning, openheid en financiële genoegdoening. De Rudolphstichting geeft in de Barneveldse Krant aan niet over de financiële middelen te beschikken voor compensatie.
a. Welke rol ziet het college voor de gemeente Barneveld in het ondersteunen van (oud)slachtoffers, bijvoorbeeld door het faciliteren van een gesprek over erkenning en genoegdoening tussen slachtoffers en de verantwoordelijke organisaties, of door bij het Rijk aan te dringen op een landelijke regeling?
Het college erkent dat de impact op oud-bewoners, zoals beschreven in het rapport, zeer ingrijpend is. De verhalen van slachtoffers en oud-bewoners maken duidelijk dat erkenning, openheid en passende ondersteuning niet alleen bestuurlijke begrippen zijn, maar voor betrokkenen persoonlijk van grote betekenis zijn. Wethouder De Heer heeft hierover gesproken met meerdere slachtoffers en oud-bewoners en ook met de betrokken organisaties. Die gesprekken hebben het belang benadrukt van persoonlijke erkenning, zorgvuldige communicatie en concrete opvolging. Het college ziet in eerste instantie een verantwoordelijkheid voor de betrokken organisaties zelf om hierover met slachtoffers in gesprek te gaan. Tegelijkertijd is het college bereid om binnen de regionale samenwerking en richting het Rijk aandacht te vragen voor de positie van oud-slachtoffers, inclusief de vraag of landelijke ondersteuning of een landelijke regeling wenselijk is. Om uitdrukking te geven aan het belang van erkenning voor de slachtoffers en hen steun en medeleven te betuigen is wethouder De Heer aanwezig geweest bij de onthulling van het monument ‘De Erkenning’ op 12 juni jl., het eerste landelijke monument voor mensen die te maken hebben gehad met mishandeling, misbruik of andere vormen van geweld tijdens hun verblijf in de jeugdzorg.
5. Het rapport beveelt aan om de dossiers van oud-bewoners onder te brengen bij een onafhankelijk archief, buiten de instellingen die zelf onderwerp van onderzoek zijn. Het digitale archief van 2000 tot heden is bovendien nog niet onderzocht.
a. Is het college bereid om er bij Pluryn en de Rudolphstichting op aan te dringen dat alle historische dossiers worden overgedragen aan een onafhankelijk archief en dat het digitale archief alsnog wordt onderzocht?
Zorgvuldig, veilig en waar nodig onafhankelijk beheer van historische dossiers is van groot belang. Voor oud-bewoners kunnen dossiers van grote betekenis zijn bij het reconstrueren van hun eigen geschiedenis en bij erkenning van wat hun is overkomen. Onlangs hebben er opnieuw gesprekken plaatsgevonden met de Rudolphstichting en Pluryn. In deze gesprekken zijn door JeugdFV en wethouder De Heer kritische vragen gesteld over de uitkomsten van het rapport en over de wijze waarop beide organisaties daarop hebben gereageerd. Pluryn heeft daarbij een nadere toelichting gegeven op de archieven. Dossiers zijn beschikbaar voor de jeugdigen om wie het gaat en worden niet vernietigd. Het college ziet daarom op dit moment geen meerwaarde in het onderbrengen van deze dossiers bij een onafhankelijk archief. Daarbij weegt mee dat overdracht of bredere ontsluiting van dossiers ook risico’s kan meebrengen voor de privacy en veiligheid van de jeugdigen op wie de dossiers betrekking hebben. Zorgvuldige beschikbaarheid voor de betrokken jeugdigen zelf staat voor het college voorop en is op die manier onder de aandacht gebracht in het gesprek.
b. En is het college bereid om, als dit niet vrijwillig gebeurt, te bezien welke juridische middelen de gemeente als opdrachtgever van jeugdhulp ter beschikking staan?
Voor de inzet van juridische middelen verwijst het college naar het antwoord op vraag 7a. Daarbij geldt dat het college signalen over veiligheid, kwaliteit en toegankelijkheid van dossiers serieus neemt en deze, binnen de eigen rol en bevoegdheden, zal blijven bespreken met JeugdFV en de betrokken organisaties.
6. In de eerdere beantwoording stelt het college voor om een SKJ-registratie voor ten minste één gezinshuisouder per gezinshuis verplicht te stellen. Het rapport ‘Explosieve Ervaringen’ beschrijft echter een systemisch probleem dat vraagt om fundamentelere maatregelen: strengere selectie en systematische evaluatie van personeel, onaangekondigde inspecties, onafhankelijk extern toezicht en actieve betrokkenheid van kinderen bij hun eigen hulpverleningsplan.
a. Deelt het college de analyse dat een enkele SKJ-registratie onvoldoende is om de structurele problemen die het rapport beschrijft te adresseren?
Het college begrijpt dat de bevindingen uit het rapport vragen oproepen over de vraag of bestaande kwaliteitseisen voldoende bescherming bieden. Een SKJ-registratie is binnen de Jeugdwet voor gezinshuisouders niet verplicht.
Binnen JeugdFV worden gezinshuisouders gezien als professionele jeugdzorgverleners. De belangrijkste eisen omvatten specifieke beroepskwalificaties, geografische voorwaarden en kwaliteitsnormen waarbij ten minste één van de gezinshuisouders SKJ geregistreerd is en één gezinshuisouder fulltime beschikbaar is. De reden dat JeugdFV een SKJ-registratie verplicht stelt voor ten minste één gezinshuisouder heeft te maken met kwaliteitsborging en -verbetering.
Daarnaast dient er een SKJ- of BIG-geregistreerde gedragswetenschapper betrokken te zijn. Deze dient gemiddeld één uur per week aantoonbaar betrokken te zijn per jeugdige.
Met de aanscherping van de voorwaarden rondom gezinshuizen, die per 12 maart 2026 van kracht zijn, gaat het niet alleen om de toevoeging van een SKJ-geregistreerde gezinshuisouder. De voorwaarden zijn breder aangescherpt en zijn bedoeld om strengere selectie, transparantere werkwijzen en kwalitatief goede zorg te bevorderen. Het college vindt dit belangrijk, juist omdat kinderen die niet thuis kunnen wonen extra afhankelijk zijn van de veiligheid en professionaliteit van hun omgeving. Via de regionale samenwerking en het contractmanagement ziet het college erop toe dat deze aangescherpte voorwaarden in de praktijk worden nageleefd.
b. Welke aanvullende, concrete maatregelen is het college bereid te nemen in het contractmanagement?
De ernst van de bevindingen uit het rapport roept vanzelfsprekend de vraag op of aanvullende maatregelen nodig zijn. De eisen voor gezinshuizen zijn sinds 2026 aangescherpt. Op dit moment ziet het college daarom vooral aanleiding om scherp te blijven volgen of deze aangescherpte eisen in de praktijk daadwerkelijk worden nageleefd en of zij voldoende bijdragen aan veiligheid en kwaliteit. JeugdFV is daarnaast actief betrokken bij de landelijke herziening van de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen.
7. De gemeente is op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de jeugdhulp en is als opdrachtgever en financier contractpartij van de zorgaanbieders in De Glind. Dat geeft de gemeente juridische instrumenten die verder gaan dan het voeren van gesprekken: denk aan het eisen van een verbeterplan met concrete termijnen, het opschorten van betalingen bij niet-naleving van contractuele kwaliteitseisen, het niet verlengen of beëindigen van overeenkomsten, en het formeel verzoeken aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om verscherpt toezicht in te stellen.
a. Kan het college een overzicht geven van de juridische middelen die de gemeente en de regio JeugdFV ter beschikking staan om Pluryn, de Rudolphstichting en Stichting Jeugddorp De Glind te houden aan hun verplichtingen op het gebied van veiligheid, transparantie en medewerking aan erkenning van slachtoffers?
Het college begrijpt de behoefte aan duidelijkheid over welke middelen beschikbaar zijn wanneer veiligheid, transparantie of kwaliteit tekortschieten. De regio JeugdFV beschikt over bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten om toe te zien op de naleving van wettelijke en contractuele kwaliteitseisen door gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Voor de in de vraag genoemde partijen geldt dat Pluryn gecontracteerde aanbieder is binnen JeugdFV.
Bestuursrechtelijk gaat het om toezicht en controle op basis van onder meer de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Privaatrechtelijk gaat
het om het contractmanagement, waarbij de regio op grond van de overeenkomst en het Burgerlijk Wetboek kan sturen op naleving van contractuele verplichtingen.
Als een gecontracteerde aanbieder niet voldoet aan contractuele kwaliteitseisen, kan JeugdFV daarop aanspreken en – afhankelijk van de aard en ernst van de tekortkoming – passende contractuele maatregelen inzetten. Daarbij kan gedacht worden aan het vragen van een verbeterplan, het stellen van termijnen, het intensiveren van contractgesprekken of, waar juridisch mogelijk, het toepassen van zwaardere contractuele maatregelen.
Daarbij geldt wel een belangrijke begrenzing, die het college zorgvuldig wil benoemen. De aanbevelingen uit het rapport ‘Explosieve Ervaringen’ zijn niet als zodanig contractuele verplichtingen. Medewerking aan erkenning of genoegdoening voor slachtoffers is evenmin een contractuele eis binnen de huidige afspraken. Voor zover het gaat om veiligheid en kwaliteit van jeugdhulp kan de regio wél toetsen aan de geldende wettelijke en contractuele normen. Daarnaast kan het college bestuurlijk blijven aandringen op erkenning, openheid en concrete opvolging richting slachtoffers en oud-bewoners.
De primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op de kwaliteit en veiligheid van jeugdhulpaanbieders ligt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De IGJ houdt onafhankelijk toezicht en kan, wanneer daar aanleiding toe is, onderzoek doen en maatregelen treffen. De gemeente en de regio JeugdFV hebben vanuit hun rol als opdrachtgever en contractpartij vooral instrumenten binnen het contractmanagement en de regionale samenwerking. Het college zal signalen over veiligheid serieus nemen en deze, waar nodig, onder de aandacht brengen bij JeugdFV of de bevoegde toezichthouder.
b. En is het college bereid om, indien de betrokken organisaties onvoldoende medewerking verlenen aan de aanbevelingen uit het rapport ‘Explosieve Ervaringen’, deze juridische middelen daadwerkelijk in te zetten?
De aanbevelingen uit het rapport zijn niet opgenomen in de contracten van JeugdFV met de aanbieders. Daardoor kunnen het college en JeugdFV niet rechtstreeks handhaven op grond van die aanbevelingen, lokaal noch regionaal. Daarnaast is alleen Pluryn een gecontracteerde partij.
Dat neemt niet weg dat het college het belang van de aanbevelingen nadrukkelijk kan benoemen, onder de aandacht kan brengen en bestuurlijk kan blijven volgen. Dit is ook gedaan in de gesprekken met de Rudolphstichting en Pluryn.
8. Is het college bereid om de gemeenteraad binnen drie maanden een raadsinformatiebrief te sturen met daarin:
a. een inhoudelijke reactie op de aanbevelingen uit het rapport ‘Explosieve Ervaringen’ en de concrete acties die de gemeente en de regio JeugdFV naar aanleiding daarvan ondernemen, Het college heeft naar aanleiding van het rapport bestuurlijk aandacht gevraagd voor de bevindingen en aanbevelingen. In dat kader hebben wethouder De Heer en JeugdFV gesprekken gevoerd met de Rudolphstichting en Pluryn. In deze gesprekken is vanuit bestuurlijke verantwoordelijkheid kritisch doorgevraagd op de uitkomsten van het rapport, de verantwoordelijkheid van de betrokken organisaties en de wijze waarop zij invulling geven aan erkenning richting betrokkenen. Het college heeft daarbij benadrukt dat zorgvuldige, tijdige en waar mogelijk persoonlijke communicatie noodzakelijk is en dat erkenning en eventuele excuses concreet, navolgbaar en betekenisvol moeten zijn voor de mensen om wie het gaat.
Het college ziet voor de gemeente een betrokken en agenderende rol, zonder daarbij de verantwoordelijkheid van de Rudolphstichting en Pluryn over te nemen. Het initiatief voor
erkenning, herstel en eventuele vervolgstappen ligt primair bij deze organisaties. Tegelijkertijd blijft het college bestuurlijk volgen of hieraan voldoende opvolging wordt gegeven. Daarnaast wordt de wens om te komen tot een minder grote concentratie van jeugdzorg betrokken bij de verdere uitwerking van het gebiedsprogramma De Glind. Binnen JeugdFV is afgesproken dat signalen over mogelijke ondoelmatige of onrechtmatige besteding van middelen door gecontracteerde zorgaanbieders worden doorgezet naar de toezichthouder. JeugdFV heeft hierover inmiddels per mail contact opgenomen. Verder stelt JeugdFV aanvullende vragen over de constructie rond Stichting Jeugddorp De Glind, de Rudolphstichting en Gezinshuis.com, om eventuele zorgen over de schijn van belangenverstrengeling nader te verduidelijken.
Het college is niet voornemens om hierover binnen drie maanden een afzonderlijke raadsinformatiebrief aan de gemeenteraad te sturen. Dat betekent niet dat het onderwerp hiermee voor het college is afgerond. Met de beantwoording van deze schriftelijke vragen geeft het college inzicht in de bestuurlijke duiding, de al ondernomen acties en de wijze waarop het college dit onderwerp binnen de eigen rol en verantwoordelijkheid blijft volgen. Als zich nieuwe bestuurlijk relevante ontwikkelingen voordoen, zal het college de raad daarover op de gebruikelijke wijze informeren.
b. een overzicht van de juridische instrumenten die de gemeente ter beschikking staan en de bereidheid om deze in te zetten, Voor het overzicht van de juridische instrumenten verwijst het college naar het antwoord op vraag 7a. Daarbij benadrukt het college dat inzet van instrumenten altijd zorgvuldig moet worden beoordeeld aan de hand van de wettelijke en contractuele mogelijkheden, de aard van eventuele signalen en het belang van veiligheid en kwaliteit voor kinderen en jongeren.
c. een overzicht van de huidige veiligheidssituatie in de gezinshuizen in De Glind, en Het college begrijpt de behoefte van de raad aan duidelijkheid over de huidige veiligheidssituatie.
Tegelijkertijd ligt het formele toezicht op de veiligheid en kwaliteit van jeugdhulp bij de daarvoor aangewezen toezichthouders en bij de contractuele afspraken binnen JeugdFV.
d. een plan van aanpak voor erkenning en ondersteuning van (oud-) slachtoffers?
Na het verschijnen van het rapport is er een plan opgesteld door Pluryn en de Rudolphstichting, met de titel ‘Werken aan erkenning en (eer)herstel in De Glind – een uitwerking van vijf herstelrichtingen’. Doel is om dit samen met slachtoffers en oud-bewoners invulling te geven, zodat erkenning en herstel niet alleen over hen gaan, maar zoveel mogelijk met hen tot stand komen. Bij dit plan is ook gebruikgemaakt van het onderzoek van de Universiteit voor Humanisatie ‘Daadwerkelijk Veranderen - Evaluatie erkenningsmaatregelen voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg’.
Bekijk de brief: Beantwoording schriftelijke vragen Pro'98 over De Glind
Bron: raadsinformatie van de gemeente Barneveld (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.