21 juni 2023 · artikel 35-vragen · gemeente Barneveld

vragen CDA en BI nav bespreking participatieverordening 21-06-23.docx

Een raadslid stelde op 21 juni 2023 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (1 vragen).

In het kort

1 vragen en wat het college antwoordt

  • CDA  Hoe zijn termen geduid? → Hierbij gaat het om: - “tijdig” uit artikel 40, onder a; - “onvoldoende meewerken of nakomen” in artikel 40, onder b, sub 1 en 2; - “bijzondere redenen” uit artikel 43, lid 2.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Reactie op de (technische) vragen:

Vragen en antwoorden

Vraag 1

CDA  Hoe zijn termen geduid?

Antwoord van het college

Hierbij gaat het om:

- “tijdig” uit artikel 40, onder a;

- “onvoldoende meewerken of nakomen” in artikel 40, onder b, sub 1 en 2;

- “bijzondere redenen” uit artikel 43, lid 2.

Artikel 40, onder a:

In de Participatieverordening staat nu: “eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;” Deze verplichting volgt uit artikel 9, lid 1, onder a, van de Participatiewet. Daarin staat dat de betrokkene vanaf de datum van de melding bij de gemeente om bijstand verplicht is om zich te laten registreren bij het UWV. In de toelichting op dit artikel wordt hier niets over gezegd, mede omdat anders elke verplichting uit de Participatiewet moet worden benoemd.

Artikel 40, onder b, sub 1 en 2:

In de Participatieverordening staat nu in artikel 40, onder b, sub 1 en 2:

1) het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet;

2) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende 4 weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de wet;” Als het zit in “niet of onvoldoende”, is daar in de toelichting op artikel 40 een en ander over opgenomen. Bij sub 1 gaat het om plan van aanpak. In dat kader kan naar z’n aard niet worden gesproken over nakomen. Bij de verplichtingen uit de Participatiewet kan dat wel.

Artikel 43, lid 2:

In de Participatieverordening staat nu: “In afwijking van het eerste lid kan de verlaging bedoeld in artikel 42, in drie gelijke delen worden toegepast over de maand van oplegging en de daaropvolgende twee maanden als bijzondere redenen dit rechtvaardigen.” Wat die bijzondere redenen kunnen zijn is toegelicht in de toelichting op het artikel. Daarin staat dat gedacht kan worden aan spreiding van de verlaging als sprake is van (1) vergroting van de schuldenproblematiek, (2) (dreigende) huisuitzetting en (3) afsluiting van gas en elektriciteit. Dit is niet limitatief, maar nadere specificering is in onze optiek niet nodig.

2. Burger Initiatief  De termijnen in artikel 4 zijn onduidelijk. Er lijkt sprake te zijn van een stapeling van termijnen.

Artikel 4 In de Participatieverordening staat nu in artikel 4, lid 3: “Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte.” Daarnaast staat in artikel 4, lid 5: “Het college legt binnen 15 werkdagen na afronding van het onderzoek de uitkomsten daarvan vast in een onderzoeksverslag.” Artikel 4 komt uit de modelverordening van de VNG. Dit artikel beschrijft de stappen die moeten worden genomen op het moment dat er een aanvraag wordt ingediend. Het laat zien hoe tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit moet worden gekomen.

Omdat hier beleidsvrijheid is, is er door ons voor gekozen om bij artikel 4, lid 3, aan te sluiten bij de beslistermijn uit artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin staat dat als er niet bij wettelijk voorschrift een beslistermijn is gegeven, die termijn in ieder geval

8 weken na ontvangst van een aanvraag eindigt. Een beslistermijn is geen onderzoekstermijn, maar hier wordt beoogd dat door de gemeente tijdig het onderzoek in gang wordt gesteld. Gelet op de beslistermijn moet immers in principe binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag het onderzoek en afronding daarvan plaatsvinden. Het onderzoeksverslag is daar onderdeel van, want dit is de basis van de beschikking die gaat worden afgegeven (zie ook artikel 4, lid 8, van de Participatieverordening). Gelet hierop is geen sprake van een opeenstapeling van termijnen.

3. CDA  Is bewust in artikel 48 geen verwijzing naar artikel 42 opgenomen?

In artikel 48, lid 1, van de Participatieverordening is inderdaad geen verwijzing naar artikel 42 opgenomen. Dit lijkt al in de huidige verordening per abuis niet te zijn gebeurd. We gaan dit repareren door de tekst te wijzingen in “Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 40, onder b en c, 42, eerste lid, 44, eerste lid, of 46 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.”  NB: dit vraagt een tekstwijziging. Dit moet aan de raad kenbaar worden gemaakt.

Bekijk de brief: Beantwoording vragen CDA en BI nav bespreking participatieverordening 21-06-23.docx

Bron: raadsinformatie van de gemeente Barneveld (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Barneveld

Alle artikel 35-vragen in Barneveld