4 december 2025 · artikel 35-vragen · gemeente Enschede

beantwoording art 35 vragen aanvullende vragen nav onvoldoende beantwoord vuurwerkramp

Harald Busscher (PVV) stelde op 4 december 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Enschede (2 vragen).

In het kort

2 vragen en wat het college antwoordt

  • Wat was de reactie van ons College op bovenstaande artikelen, waren de 3 berichten waarheidsgetrouw weergegeven? → Zoniet op welke punt(en) had de onderzoeker van 1Twente ongelijk en welke lezing is de ware volgens het College?
  • Formele brief van de gemeente aan vertegenwoordiger Smallenbroek "U heeft aangegeven dat het object vrij is van huur en gebruik, enerzijds door het gestelde in NBW 7A A… → Graag een gedetailleerde, cijfermatige onderbouwing en overzicht van alle voorwaarden die op en rond 12 mei 2000 besproken zijn.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

beantwoording art 35 vragen aanvullende vragen nav onvoldoende beantwoord vuurwerkramp .

Vraag

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Wat was de reactie van ons College op bovenstaande artikelen, waren de 3 berichten waarheidsgetrouw weergegeven?

Antwoord van het college

Zoniet op welke punt(en) had de onderzoeker van 1Twente ongelijk en welke lezing is de ware volgens het College?

Antwoord Het college geeft niet per se altijd een reactie nav berichten in de media. Zo ook in dit geval niet. Wel is er kennisgenomen van de artikelen.

Vraag 2a.

Het College stelt in beantwoording van raadsvragen dat er geen sprake is geweest van een bod van de gemeente Enschede op 12 mei 2000.

Waarom staat in de interne memo gedateerd 9 juni 2000 dan de bevestiging dat de betrokken gemeenteambtenaar 1.5 miljoen gulden heeft geboden met de voorwaarde dat het perceel vrij van huur moest worden opgeleverd?

Antwoord Op 3 februari 1999 heeft de gemeente een eerste bod gedaan: fl. 775.000 vrij van huur en leeg.

De gemeente heeft vervolgens op 13 april 2000 per brief een tweede bieding/ voorstel voor schadeloosstelling gedaan van fl 1.250.000 onder last van huur. Dit bedrag bestond uit twee componenten:

1. Koopsom vastgoed: fl, 965.000

2. Schadeloosstelling huurders: fl. 285.000.

Tezamen fl. 1.250.000. Met als beoogde leveringsdatum 31-12-2002 (op dat moment liep ook de huurovereenkomst tussen de vastgoedeigenaar en de huurders af). Dit totaalbedrag was bepaald op basis van een volledige schadeloosstelling op onteigeningsbasis. Dit wil zeggen: de verwerver had op basis van de uitgangspunten van de Onteigeningswet bepaald wat het totaalbedrag zou zijn in het geval dat de vastgoedeigenaar en zijn huurders door de overheid gedwongen hun bezit of rechten zouden worden ontnomen. De wet bepaalt dat in zo’n situatie een volledige financiële compensatie aan betrokkenen moet worden betaald die zodanig is dat zij in een economisch gelijkwaardige positie worden gebracht als vóór de onteigening.

Vervolgens heeft de gemeente op 12 mei met de adviseur van verkoper over het (tweede) bod van 13 april gesproken. De gemeente deed toen ook een ander voorstel: of een bedrag van fl. 1.500.000 vrij van huur bespreekbaar was. Dit werd door de adviseur van de verkoper afgewezen. Gemeente en adviseur gingen vervolgens uit elkaar. Afgesproken werd dat de verwerver zou overleggen met de directie of het bedrag van fl. 1.250.000 onder last van huur acceptabel zou zijn. Daarmee zou de gemeente dan fl. 285.000 meer betalen dan de eerder geboden koopsom van fl. 965.000. Het is logisch dat de verwerver hiervoor akkoord van de directie nodig had. De verwerver zou dit op 15 mei 2000 bespreken.

In de context van gebiedsontwikkeling onder de toenmalige Wet voorkeursrecht gemeenten was/is het meest voor de hand liggend dat de gemeente als derde partij (naast de vastgoedeigenaar en de huurders) de onderhandeling over de voorwaarden waaronder het vrij van huur maken van een aan te kopen object zou plaatsvinden overliet aan de partijen die eerder met elkaar de huurovereenkomst hadden gesloten: de vastgoedeigenaar en zijn huurders.

Zowel de Wet voorkeursrecht gemeenten als de (toenmalige) Onteigeningswet stelden minnelijke verwerving door de overheid voorop. Minnelijk wil zeggen dat partijen tot overeenstemming komen zodat een onteigeningsprocedure kan worden voorkomen. Zo’n minnelijke verwerving is eenvoudiger te realiseren wanneer eigenaar en verhuurder beiden al overeenstemming hebben voordat de gemeente tot aankoop of later mogelijk: onteigening overgaat. In deze context moet de uitspraak van de verwerver worden uitgelegd dat de gemeente niet met de huurder wilde blijven zitten. Dat is ook in lijn met de plannen die het toenmalig college en de raad al hadden gemaakt, namelijk de herontwikkeling van de wijk.

Het vestigen van de Wvg bracht natuurlijk al met zich mee dat zowel de vastgoedeigenaar als de huurder op termijn ‘uit het gebied’ zouden moeten vertrekken om ruimte te maken voor de beoogde woningbouw.

Het besluit om destijds een voorkeursrecht te vestigen liet zien dat de gemeente voor het gebied een andere ruimtelijke ontwikkeling nastreefde dan de bestaande activiteiten van de toenmalige vastgoedeigenaren en huurders. Dit kan anders geïnterpreteerd zijn.

Vraag 2b Waarom probeert het College de inhoud van dit memo te bagatelliseren met antwoorden die aantoonbaar onjuist zijn?

Antwoord Het college neemt afstand van uw opvatting en verwijst verder naar antwoord op vraag 2a.

Vraag 3a.

Het College zegt in beantwoording van raadsvragen op de vraag: waarom de gemeente van de huurder wilde afkomen, dat dit pertinent niet waar is.

Waarom staat in de interne memo d.d. 9 juni 2000 dan de tekst: ‘’De dag voor de ramp heb ik met van Hoogmoed gesproken. In discussie was toen een vraagprijs van fl 1.250.000, -levering onder last van huur. Hiermee had ik problemen omdat wij niet met de huurders wilden blijven zitten. Ik heb toen geprobeerd om met een bod van fl 1.500.000, -- de zaak vrij van huur te krijgen” Waarom probeert het College ook hier de inhoud van dit memo te bagatelliseren met antwoorden die aantoonbaar onjuist zijn?

Antwoord Zie het antwoord op vraag 2a. De gemeente streefde ernaar dat verhuurder en huurders in onderling overleg tot overeenstemming zouden komen over beëindiging van de huur. De gemeente was bereid om de kosten die hiermee waren gemoeid te vergoeden aan de verhuurder/ vastgoedeigenaar.

Vraag 3b Gezien de letterlijke citaten uit de interne memo gedateerd 9 juni 2000, die het bod van f 1.500.000 op 12 mei 2000 en de wens om niet met de huurders te blijven zitten bevestigen, waarom heeft het College deze feiten stellig en herhaaldelijk ontkend in de beantwoording van de art. 35 vragen, en wie is binnen het College verantwoordelijk voor het verstrekken van deze aantoonbaar onjuiste informatie? Kan het College de Raad onverwijld afschrift doen van de interne memo gedateerd 9 juni 2000 inzake grond-onderhandelingen, en zo nee, op welke wettelijke grondslag (conform de Wet Open Overheid) wordt de openbaarmaking specifiek van dit genoemde, cruciale document geweigerd?

Antwoord Hier is een korte, puntsgewijze samenvatting van de interne memo d.d. 9 juni 2000 (Van:

B.K.J. Rip; Aan: F. van Aggelen; Onderwerp: SE Fireworks) zoals aangetroffen in het dossier:

Aanleiding en status vóór de ramp: de dag vóór de ramp lag een vraagprijs van ƒ 1.250.000 (levering onder last van huur). De gemeente overwoog ƒ 1.500.000 te bieden om het object vrij van huur te krijgen; daarop wilde de verkoper destijds niet ingaan.

Effect van de ramp op de huur: huurders hebben de huur opgezegd en, aanvullend, op grond van NBW 7A:1589 is de huurovereenkomst van rechtswege beëindigd (de verhuurde zaak is geheel en al vergaan). Daarmee werd verwerving vrij van huur juridisch/feitelijk mogelijk.

Nieuw voorstel na de ramp: adviseur van de vastgoedeigenaar (namens verkoper) stelt voor: gemeente koopt voor ƒ 1.500.000, waarbij de verzekeringspenningen worden gecedeerd aan de gemeente. Totale verzekerde som: ƒ 1.629.200; volledige uitkering alleen bij herbouw op locatie, anders uitkering tegen huidige waarde. Verzekeringsvoorwaarden zouden worden toegezonden.

Organisatie en eigendomsvorm: eigendom berust op dat moment bij een CV van de vastgoedeigenaar; verkoper wil overbrengen naar privé vóór vervreemding.

Voorbehouden gemeente: dossier is onderwerp van justitieel onderzoek; over bodemverontreiniging is nog niets definitief te zeggen—eerst bodemonderzoek nodig; gemeente maakt hier een voorbehoud bij verdere besluitvorming.

Afspraak vervolg: Rip zegt toe de mondelinge afspraken schriftelijk te bevestigen en zich intern voor dit voorstel in te spannen; vervolgafspraken met de verzekeraar en aanlevering van voorwaarden zijn voorzien.

Vraag 4a.

Waarom bevat het gemeentearchief over de grondonderhandelingen dan de volledige huurovereenkomst en niet slechts een deel en heeft de gemeente Enschede wel de volledige huurovereenkomst haar bezit?

Antwoord Dat klopt ook. Het digitale archief bevat zowel een kopie van een deel van de overeenkomst (tot en met artikel 5.2) als ook de gehele overeenkomst veel verderop in het dossier. Deze gehele overeenkomst hebben we in eerste instantie over het hoofd gezien.

Vraag 4b Waarom schrijft de betrokken gemeenteambtenaar in notities: “Ik heb kopie huurovereenkomst meegekregen. Rene schat uiterste ontruimingsdatum op 2007. Ik zal berekening opstellen”?

Dus ook hier weer probeert het College de inhoud te bagatelliseren met antwoorden die aantoonbaar onjuist zijn.

Antwoord Dat is bij dit college niet bekend.

Vraag 5.

Als de onderhandelingen over verwerving van het perceel in mei 2000 zouden zijn stukgelopen op de huurbescherming, wat was dan de verwachte minimale doorlooptijd (in maanden of jaren) voor een onteigeningsprocedure op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) in die periode, en wat waren de verwachte juridische en schadeloosstellingskosten hiervan?

Antwoord Dit is een vraag die nu lastig te beantwoorden is, omdat dan allerlei aannames gedaan moeten worden die niet feitelijk gecheckt kunnen worden. Waarbij ook nog speelt dat de wetgeving op dit gebied veranderd is, waardoor beantwoording nog lastiger is. En wat betreft verwachte schadeloosstellingskosten de gemeente altijd op dat moment een onafhankelijke derde om een taxatie/inschatting vraagt waarbij de feiten die op dat moment gelden essentieel zijn, zoiets is achteraf niet te vervaardigen.

Vraag 6a Volgens de PVV wilde de gemeente maar al te graag de grond in bezit krijgen, ongeacht de juridische werkelijkheid. Kan het College de Raad afschrift doen van de schriftelijke mededeling (brief, e-mail of intern memo) van de grond-eigenaar aan de gemeente waarin de formele opzegging door de huurders wordt gemeld, en ook van de juridische verificatie die de gemeente hierop uitvoerde?

Antwoord Er zijn twee afzonderlijke passages te vinden in het dossier waarin het opzeggen van de huur door huurders expliciet wordt genoemd:

Eén in een interne memo na de ramp. En Eén in een officiële brief van de gemeente waarin dit wordt bevestigd.

1. Memo na de vuurwerkramp (interne notitie) "Inmiddels hebben de huurders de huur opgezegd hetgeen Smallenbroek zal accepteren.

Ook op grond van NBW 7A 1589 is de huurovereenkomst van rechtswege beëindigd (de verhuurde zaak is geheel en al vergaan)."

Vraag 2

Formele brief van de gemeente aan vertegenwoordiger Smallenbroek "U heeft aangegeven dat het object vrij is van huur en gebruik, enerzijds door het gestelde in NBW 7A A 589 waarbij de huur van rechtswege wordt beëindigd als het gehuurde geheel verloren is gegaan en anderzijds doordat de huurders de huur hebben opgezegd." Er is hierop geen juridische verificatie uitgevoerd, althans in het archief bevindt zich geen brief waaruit zou blijken dat de huurders de huur hebben opgezegd. 7. Vraag 7a. Wat was dan de exacte vraagprijs waarop het College moest reageren en welke voorwaarden waren daaraan dan precies verbonden?

Antwoord van het college

Graag een gedetailleerde, cijfermatige onderbouwing en overzicht van alle voorwaarden die op en rond 12 mei 2000 besproken zijn.

Antwoord Zie het antwoord op vraag 2a.

Vraag 8.

In aanvulling op de eerdere vragen over het prijsvoorstel, verzoekt de PVV Enschede alsnog om een chronologische en complete lijst van alle schriftelijke en vastgelegde mondelinge biedingen en tegenbiedingen die de gemeente Enschede met de grond-eigenaar uitwisselde over het perceel Tollensstraat 46-50, met daarbij de gestelde voorwaarden ('verhuurde staat' of 'onverhuurde staat').

Antwoord Op basis van het ons bekende dossier (voor zover nog aanwezig) is het volgende overzicht te geven. Wanneer er een daadwerkelijk bod is uitgebracht is dit vermeld, wanneer er onderhandeld is over een mogelijke prijs in de toekomst, wordt dit aangeduid als onderhandelingsvoorstel. Daarmee werd getoetst voor welk bedrag een deal mogelijk zou kunnen zijn. Een bod is een concreet voorstel wat doorgaans in een later stadium aan de orde is.

Er zijn tijdens het verwervingsproces 3 formele biedingen per brief gedaan: de eerste op 02.02.1999 en de tweede op 13 april 2000. Per brief van 28 juni 2000 zijn beide biedingen door de gemeente weer ingetrokken. Op 6 juni 2001 is overeenstemming bereikt.

Na taxaties en verzekeringsuitkeringen wordt dan overeengekomen dat de gemeente alleen de grondwaarde betaalt. Prijs: ƒ 639.513 (≈ € 290.198,34) Plus deskundigenkosten: ƒ 15.220 (≈ € 6.906,72). Verzekeringsuitkeringen voor opstallen blijven bij eigenaar en zijn verdisconteerd in de prijs.

Belangrijkste reden voor uiteindelijke prijs:

De definitieve koopsom is gebaseerd op grondwaarde (f 185 per m²) en niet op reconstructiewaarde, omdat de opstallen door de ramp verloren waren gegaan en deze dus voor rekening van de verzekering zijn gekomen.

Vraag 9.

Kan het College de interne taxatieraming en de calculatie overleggen die het gemeentelijke prijsvoorstel in onverhuurde staat heeft geleid, waarbij expliciet de geschatte component voor de schadeloosstelling of uitkoop van SE Fireworks V.O.F. (de huurder) is gespecificeerd en gemotiveerd? Indien niet mogelijk waarom niet.

Antwoord De gemeente heeft in haar prijsvoorstel expliciet het huurdersdeel onderscheiden en gemotiveerd. Dat staat helder in de brief van 13 april 2000 (Rip aan Van Hoogmoed):

Voorstel en expliciete huurdercomponent “Met de schadeloosstelling ad f 1.250.000,— kunnen wij instemmen onder de voorwaarde dat het pand leeg en ontruimd wordt geleverd per 31 december 2002. Levering onder last van huur is voor de gemeente slechts acceptabel als hier een koopsom tegenover staat van f 965.000,—. Dit betekent dat wij de schadeloosstelling voor de huurder hebben getaxeerd op een bedrag van f 285.000,—.”.

Vraag 10.

Wat is de financiële besparing die de gemeente Enschede administratief heeft gerealiseerd door de aankoop van het perceel vrij van huur voor f 639.513 ná de ramp, vergeleken met de geschatte of geboden kosten voor verwerving in onverhuurde staat (inclusief schadeloosstelling) vóór 13 mei 2000? Graag een gedetailleerde, cijfermatige onderbouwing.

Antwoord Die vergelijking kan niet worden getrokken, omdat een perceel in verhuurde staat een hele andere waarde heeft dan in onverhuurde staat.

In feite heeft de verzekering alle kosten van de grondeigenaar gedekt die zijn ontstaan na het verloren gaan van de opstallen en inventaris. Omdat de grond niet verloren is gegaan door de brand behield deze zijn waarde. Deze grondwaarde is door de gemeente aan de vastgoedeigenaar vergoed bij de aankoop.

Vraag 11 De in vraag 1 genoemde artikelen suggereren sterk dat verslagen van de grondonderhandelende ambtenaar zijn bewerkt of slechts deels aan onderzoekers zijn overhandigd. Daarom verzoekt de PVV Enschede om inzage in de volledige, onbewerkte notities en de ruwe, interne correspondentie (e-mails, conceptversies) van de betrokken ambtenaar over de periode 1 januari 1997 tot 31 december 2001.

Antwoord Wat we daarvan hebben is bewaard in het digitaal archiefdossier. Het college is bereid hier toegang tot te verlenen.

Vraag 12 Welke juridische adviezen of memo's (intern of extern) heeft het College ontvangen in 1999 en 2000 met betrekking tot de duur, de opzeggingsmogelijkheden en de geschilrisico's en geschatte kosten voor de beëindiging van de huurovereenkomst met SE Fireworks V.O.F.?

Antwoord Op basis van het ons bekende dossier (voor zover nog aanwezig) is het volgende overzicht te geven:

Bronverwijzingen (documentpassages)

• Damsté brieven/adviezen: 23-02-1999; 30-07-1999; 03-08-1999 (positie huurder, opzegtermijn, overgangsrecht, risico's).

• Grondbedrijf 28-09-1999 (aankoop Tollensstraat 50; huur t/m 2002; complexiteit voortijdige beëindiging).

• Gemeentelijke brief 13-04-2000 (schadeloosstelling vrij van huur ƒ 1.250.000; onder huur ƒ 965.000; huurdercomponent ƒ 285.000).

• Interne memo 09-06-2000 (NBW 7A:1589; huur eindigt van rechtswege; opzegging huurders).

Vraag 13 a Op welke wijze kan het College de Raad nu formeel garanderen dat de administratieve documenten (zoals de notities en correspondentie van het grondbedrijf) die in 2000/ 2001 aan de Commissie Oosting werden overhandigd, volledig ongewijzigd en zonder selectie waren verstrekt? En als het College dit niet kan garanderen, waarom blijft het College dan bij de beantwoording van vragen terugverwijzen naar de Commissie Oosting die in haar rapport overduidelijk niet alle informatie heeft benoemd?

Antwoord Zo’n garantie kan niet worden gegeven, het gaat over gebeurtenissen van meer dan 25 jaar geleden. Het college kan om die reden ook geen verklaring afleggen.

Vraag Gaat het College zijn standpunten heroverwegen nu duidelijk blijkt dat het College aantoonbaar onjuiste antwoorden geeft over deze kwestie?

Antwoord Zie antwoord op vraag 11.

Enschede, 25 maart 2026 Burgemeester en Wethouders van Enschede, de Secretaris, de Burgemeester,

M.W. de Graaf

R.W. Bleker

Bekijk de brief: Beantwoording art 35 vragen PVV Aanvullende vragen nav onvoldoende beantwoord vuurwerkramp

Bron: raadsinformatie van de gemeente Enschede (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Enschede

Alle artikel 35-vragen in Enschede