Memo raadswerkgroep staatsmijnbouw (beantwoording vragen d.d. 19 oktober 2023)
Een raadslid stelde op 15 november 2023 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (1 vragen).
In het kort
1 vragen en wat het college antwoordt
- Is het college voornemens de raad alsnog wensen en bedenkingen te vragen op het aangaan van de privaatrechtelijke overeenkomst? → Onderstaand treft u de beantwoording van deze vragen. 1.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
MEMO Aan CC Van Datum Onderwerp
: : : : :
Raadswerkgroep staatsmijnbouw college van burgemeester en wethouders 23 oktober 2023 beantwoording vragen d.d. 19 oktober 2023
Geachte leden van de werkgroep, Op 19 oktober jl. is uw werkgroep in het bijzijn van medewerkers mevrouw M.
Timmerman en de heer L. Legtenberg bijeen geweest. Wij begrepen dat in uw bijeenkomst ons aanbod d.d. 3 oktober 2023 aan de raad aan de orde is gesteld. Dat aanbod zag erop toe dat wij desgewenst in opdracht van uw raad stukken die zien op of van belang zijn voor zoutwinning aan een externe jurist voorleggen. Uw griffier berichtte ons vervolgens dat er thans geen raadsbrede behoefte bestaat aan het inschakelen van een externe jurist. Wel zijn er twee vragen waar uw werkgroep graag een reactie van het college op wenst. Deze luiden als volgt:
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Is het college voornemens de raad alsnog wensen en bedenkingen te vragen op het aangaan van de privaatrechtelijke overeenkomst?
Antwoord van het college
Onderstaand treft u de beantwoording van deze vragen.
1. In hoeverre biedt de verklaring van de Minister van Economische Zaken en Klimaat d.d. 17 oktober 2023 aanvullende waarborgen op het bepaalde in de Mijnbouwwet?
In uw motie van 12 juli 2023 is opgenomen dat onze brief van 30 juni 2023 aan de verkenner als vertrekpunt geldt ter uitvoering van de opdracht van de procesbegeleider.
In de betreffende brief hebben wij als punt ingebracht dat EZK/Rijk contractpartij is met betrekking tot zaken aangaande zoutwinning en dat het garant heeft te staan voor nader te bepalen verplichtingen. In het advies van 3 juli 2023 merkt de verkenner op dat er bij de gemeente zorgen leven over de situatie dat Nobian verplichtingen niet kan nakomen.
De verkenner wijst daarbij op de zorgplicht van de Rijksoverheid en het bestaan van een waarborgfonds ingevolge de Mijnbouwwet.
In de “Verklaring over de publiekrechtelijke verplichtingen van de minister van Economische Zaken en Klimaat ten aanzien van de zoutwinning in Haaksbergen” d.d. 17 oktober 2023 (hierna: Verklaring) zet de Minister (nazorg)verplichtingen en waarborgen van het Rijk ingevolge de Mijnbouwwet uiteen. Aanvullend wordt in de Verklaring bevestigd dat de acht cavernes in Haaksbergen niet worden gebruikt voor de opslag van stoffen.
Bij wet is geregeld dat natuurlijke personen in bepaalde gevallen dat Nobian niet in staat is aan haar verplichtingen te voldoen of deze niet nakomt, ter vergoeding van schade een beroep kunnen worden doen op een waarborgfonds of een voorschot van de Minister (art. 137 jo. 140 Mijnbouwwet). De Minister verklaart micro-ondernemers dezelfde waarborgen te willen bieden als natuurlijke personen. Om die reden is zij aanspreekbaar op het stellen van voldoende zekerheid door Nobian voor micro-
ondernemingen die in die gevallen een beroep willen doen op schadevergoeding. Zij verklaart op basis van artikel 46 lid 1 Mijnbouwwet te bepalen dat Nobian daartoe financiële zekerheid dient te stellen. Op grond van dit artikel kan de Minister bepalen dat zekerheid gesteld dient te worden ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade die naar redelijke schatting ontstaat door beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen van delfstoffen. Van deze wettelijke bevoegdheid is niet eerder gebruik gemaakt.
De Minister verklaart voorts dat in het geval dat mijnbouwbedrijven niet aanspreekbaar zijn doordat ze failliet zijn of al een langere tijd Nederland hebben verlaten, het Rijk de zorgplicht overneemt. Hierbij wordt verwezen naar de Kamerbrief van 26 januari 2023 over nazorg bij Mijnbouw (kamerstuk 32849, nr. 215). Bij onverwachte gebeurtenissen kan het Rijk dan de noodzakelijke maatregelen treffen. Conform de kamerbrief verklaart de Minister dat het Rijk deze zorgplicht heeft, waaronder mede verstaan het opruimen van de zoutwinningsputten.
Conclusie:
- De Minister verklaart dat de acht cavernes niet voor opslag van stoffen worden gebruikt.
- Ten behoeve van zekerstelling voor micro-ondernemingen wil de Minister ten eerste male uitvoering geven aan het bepaalde in art. 46 Mijnbouwwet.
- De Minister verklaart dat het Rijk de zorgplicht overneemt, indien mijnbouwbedrijven niet aanspreekbaar zijn doordat ze failliet zijn of al een langere tijd Nederland hebben verlaten. Bij onverwachte gebeurtenissen kan het Rijk de noodzakelijke maatregelen treffen.
2. Is het college voornemens de raad alsnog wensen en bedenkingen te vragen op het aangaan van de privaatrechtelijke overeenkomst?
In onze vergadering van 17 oktober jl. hebben wij besloten een overeenkomst met Nobian Salt B.V. (hierna: Nobian) aan te gaan. In deze overeenkomst hebben wij de toezeggingen van Nobian vastgelegd. Daarmee hebben wij invulling gegeven aan het derde onderdeel van de brief van ons college d.d. 30 juni 2023 aan de verkenner zoutwinning, waarin de toezeggingen beschreven zijn. Deze brief heeft de raad in zijn motie van 12 juli 2023 als vertrekpunt genomen. Tevens maken de onderdelen van de overeenkomst deel uit van het dashboard van de procesbegeleider. Met het sluiten van de overeenkomst hebben wij invulling gegeven aan uw motie van 12 juli 2023. Wij hebben de overeenkomst willen aangaan voorafgaande aan uw besluitvorming over de verklaring van geen bedenkingen, zodat de afspraken in de overeenkomst ten tijde van uw besluitvorming zeker zijn gesteld. In het borgen van afspraken na besluitvorming zit een inherent risico.
In art. 160 lid 1 sub e. Gemeentewet staat dat het college bevoegd is om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. De overeenkomst met Nobian is een voorbeeld van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Een privaatrechtelijke rechtshandeling kan onderwerp zijn van de actieve informatieplicht van het college. De actieve informatieplicht behelst dat het college de raad alle inlichtingen geeft die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (art. 169 lid 2 Gemeentewet). In art. 169 lid 4 is een specifieke invulling aan de actieve informatieplicht van het college gegeven. In deze bepaling staat dat het college de raad vooraf inlichtingen geeft over het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening “ingrijpende gevolgen” kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn
wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. De VNG merkt in zijn handreiking “Raadgever overeenkomsten” over het begrip ingrijpende gevolgen op: “Wat ingrijpende gevolgen precies zijn, is door de wetgever niet verder ingevuld en kan voor iedere gemeente anders zijn. De raad kan hierover in gesprek gaan met het college”.1 De toenmalige minister van Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties merkte in een brief aan de Eerste Kamer van 3 oktober 2005 over deze bepaling op: “Wat ingrijpend is, kan naar mijn mening uitsluitend op lokaal niveau door de raad zelf worden bepaald. Zo kan de ene raad van oordeel zijn dat onder ingrijpend moet worden verstaan een besluit met financiële consequenties die een bedrag van 1 miljoen te boven gaan, terwijl een andere raad de grens om hem moverende redenen hoger of lager legt. Mij dunkt dat dit een van de vele voorbeelden is waarin gemeenten zich van elkaar kunnen onderscheiden.”2 In de Financiële verordening Haakbergen heeft uw raad kaders gesteld ter lokale invulling van art. 169 lid 4 Gemeentewet. Ingevolge art. 7 (Informatieplicht) besluit het college over:
a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten met een waarde groter dan € 800.000;
b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties; en
c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
De overeenkomst met Nobian heeft geen betrekking op één van deze onderwerpen die wij voor wensen en bedenkingen aan uw raad hebben voor te leggen. De overeenkomst kent als zodanig geen rechtstreekse financiële (rechts)gevolgen voor de gemeente als rechtspersoon. Zowel het op te richten waarborg- als het omgevingsfonds worden in een op te richten stichting ondergebracht. Ruimtelijke consequenties van zoutwinning zijn bovendien geen gevolg van de overeenkomst, maar maken deel uit van de aanvragen om omgevingsvergunningen.
Conclusie:
Gelet op het feit dat:
- het uw raad bekend is dat wij de toezeggingen van Nobian in een overeenkomst wilden vastleggen;
- het vastleggen van afspraken onderdeel is van uw motie van 12 juli 2023 en het dashboard van de procesbegeleider;
- het na besluitvorming borgen van afspraken inherent een risico omvat;
- wij binnen de kaders uit de Financiële verordening Haaksbergen over de actieve informatieplicht zijn gebleven;
- de overeenkomst geen rechtstreekse financiële gevolgen voor de gemeente kent;
- ruimtelijke gevolgen niet uit de overeenkomst als zodanig voortvloeien; zijn wij niet voornemens de overeenkomst voorafgaande aan het sluiten daarvan aan uw raad voor wensen en bedenkingen voor te leggen.
1 https://vng.nl/artikelen/raadgever-overeenkomsten 2
Kamerstukken EK 2005-2006, 28 995 enz., I
Bekijk de brief: Memo raadswerkgroep staatsmijnbouw (beantwoording vragen d.d. 19 oktober 2023)
Bron: raadsinformatie van de gemeente Haaksbergen (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.