20251205 Beantwoording Vragen n.a.v. nieuwe huisvestingsverordening GL-PvdA
Een raadslid stelde op 5 december 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (4 vragen).
In het kort
4 vragen en wat het college antwoordt
- Blz 5 art 6 lid 2 b Het uitsluiten bij hennepteelt. ‘een ontruiming in verband met hennep- of drugsproblematiek leidt tot een uitsluiting van deelname aan het… → Iets kan oneerlijk voelen, maar juridisch gezien is de huurder aansprakelijk.
- Blz 8 art 12 lid 4. ‘4. → Het is een misvatting dat de voorwaarden voor binding niet zouden worden benoemd in de Huisvestingsverordening.
- Blz 11 art 17 lid 2 laatste zin. ‘2. → Het college acht deze regel zeker gerechtvaardigd.
- Blz 17 art 33, Co-ouderschap bij scheiding, de ene ouder krijgt wel urgentie. → Allereerst: urgentie verlening bij scheiding is niet wettelijk verplicht.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Datum: 27 november 2025 Betreft: vragen n.a.v. de voorgelegde huisvestingsverordening 2026, in commissie S&O, Harderwijk, 27 november 2025 Door: gezamenlijke fracties van GroenLinks-PvdA
Geacht college
De Huisvestingsverordening bevat een aantal zinsneden die wij voor meerdere interpretaties bevattelijk vinden en een aantal waarvan wij de verantwoording niet kunnen onderschrijven ( zoals het er nu staat). Daarom de volgende vragen:
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Blz 5 art 6 lid 2 b Het uitsluiten bij hennepteelt. ‘een ontruiming in verband met hennep- of drugsproblematiek leidt tot een uitsluiting van deelname aan het woonruimteverdeelsysteem van twee jaar. ‘ A. betreft dit de veroordeelde/ verantwoordelijke volwassene voor de hennepteelt, of alle bewoners van de woonruimte ( gezinsleden, huisgenoten)? Antwoord Artikel 6 lid 2 van de verordening bepaalt dat een ontruiming in verband met hennep- of drugsproblematiek leidt tot een uitsluiting van deelname aan het woonruimte verdeelsysteem van twee jaar. Juridisch gezien is de huurder (en evt. medehuurder) altijd verantwoordelijk voor alles wat zich in de woning afspeelt. Dus ook wanneer een inwonend gezinslid zich schuldig maakt aan dergelijke illegale activiteiten in de gehuurde woning. Als een verhuurder dus geconfronteerd wordt met dergelijke praktijken in een woning, dan richt de verhuurder zich in beginsel tot de huurder en eventuele medehuurder (contractant). Als dit leidt tot een gerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, dan betekent dit dus dat het gehele huishouden de woning moet verlaten. Als er sprake is van inwonende minderjarige kinderen wordt altijd jeugdzorg betrokken en wordt een integrale afweging en plan gemaakt met alle betrokken instanties. In de praktijk houdt de uitsluiting van deelname in, dat de betreffende persoon wel als woningzoekende ingeschreven kan blijven staan, maar dat hij gedurende twee jaren geen positieve verhuurdersverklaring kan krijgen. Alle woningcorporaties vragen voorafgaand aan de huurovereenkomst een positieve verhuurdersverklaring van alle kandidaten. Dit dient als bewijs van goed gedrag en verantwoordelijkheid tijdens eerdere huurperiodes. Er zit enige ruimte in het toepassen van deze bepaling door de corporaties. Afhankelijk van de omstandigheden kan maatwerk worden geleverd. B. Bent u het met ons eens dat uitsluiting oneerlijk zou zijn t.a.v. huisgenoten/ gezinsleden die geen blaam treft?
Antwoord van het college
Iets kan oneerlijk voelen, maar juridisch gezien is de huurder aansprakelijk. Van een huurder wordt verlangd dat hij/zij toeziet op hetgeen zich in de woning afspeelt.
Het college sluit niet uit dat uitsluiting van het woonruimteverdeelstysteem in uitzonderlijke situaties oneerlijk voelt. Zoals hierboven is toegelicht, kan maatwerk worden geleverd, afhankelijk van de omstandigheden. Naar het oordeel van het college is dit voldoende.
Vraag 2
Blz 8 art 12 lid 4. ‘4. Aan de woningen die aangeboden worden via het lotingmodel kan de voorwaarde worden verbonden dat de woningzoekende economisch of maatschappelijk gebonden moet zijn aan de woningmarktregio als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet.’ A. Waarom wordt niet vastgelegd in de verordening wat precies de voorwaarden zijn en wie bepaalt nu deze voorwaarden? De woningstichting/ verhuurder? Of de gemeente in de verordening? Zijn er nu verschillen per verhuurder?
Antwoord van het college
Het is een misvatting dat de voorwaarden voor binding niet zouden worden benoemd in de Huisvestingsverordening. In artikel 14 van de Huisvestingsverordening zelf wordt reeds verwezen naar artikel 14 lid 3 van de Wet (lees: Huisvestingswet). Daar staat benoemd wat onder economische en maatschappelijke binding wordt verstaan. Daarnaast wordt ook in de artikelgewijze toelichting in de Huisvestingsverordening omschreven wanneer sprake is van economische en/of maatschappelijke binding aan de regio. Wat het college betreft zijn de regels dus duidelijk. De Huisvestingsverordening is van toepassing op het toewijzen van sociale huurwoningen dus geldt voor alle woningcorporaties in de regio Noord-Veluwe.
Iedereen hanteert dezelfde regels.
Vraag 3
Blz 11 art 17 lid 2 laatste zin. ‘2. Burgemeester en Wethouders kunnen de aangevraagde urgentieverklaring op basis van scheiding of relatiebreuk met kinderen of woonlasten, als bedoeld in de artikelen 33 en 34, weigeren/ afwijzen indien de aanvrager naar hun oordeel niet al hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kan worden heeft gedaan om het huisvestingsprobleem op te lossen. In ieder geval wordt van deze woningzoekende verwacht dat hij gedurende zes maanden wekelijks heeft gereageerd op vrijkomend woningaanbod en dit ook kan aantonen.’ A. op welke manier is deze regel gerechtvaardigd? Nieuw ingeschrevenen maken daarbij nooit kans. Urgentie kan in dit geval pas na maanden mogelijk worden verleend, wat in het nadeel van mensen met onvoldoende financiële middelen of inkomsten valt, omdat zij financieel nog meer in de problemen raken en o.a. dakloosheid van een van de partners ( en / of kinderen) op de loer ligt.
Antwoord van het college
Het college acht deze regel zeker gerechtvaardigd. De strekking is dat personen die een urgentie aanvragen, een inspanningsverplichting hebben om zelf andere woonruimte te vinden. Immers, urgentieverlening aan de één, betekent langer wachten voor de ander. Om die reden acht het college het gerechtvaardigd om te verlangen dat de woningzoekende zelf ook actief op zoek is geweest. De urgentiecommissie, die namens het college beslist op urgentie aanvragen, heeft hierbij wel een zekere ruimte. De bepaling luidt immers: “B&W kunnen de aangevraagde urgentieverklaring (….) weigeren/afwijzen, etc…”. Ook kan toepassing van de hardheidsclausule in zeer uitzonderlijke situaties uitkomst bieden.
Vraag 4
Blz 17 art 33, Co-ouderschap bij scheiding, de ene ouder krijgt wel urgentie. De ander niet. Bij ontbreken van een woning bij een van de ouders , kan co-ouderschap niet worden vormgegeven. Dat co- ouderschap is in het belang van het kind. En in het belang van economische zelfstandigheid van de partner met het minste inkomen/ draagkracht. ( door toewijzing verantwoordelijkheid van kinderen meestal de vrouw) A. Hoe wordt omgegaan met de situatie waarbij de verzorgende van de kinderen aan het kortste eind trekt? Moet het belang van het kind hier niet prevaleren? Kan hier in de verordening iets over worden vastgelegd?
Antwoord van het college
Allereerst: urgentie verlening bij scheiding is niet wettelijk verplicht. Toch kiezen wij in de regio voor het verlenen van urgentie wanneer sprake is van scheiding/relatiebreuk met kinderen. De achterliggende gedachte hierbij is dat we willen voorkomen dat kinderen op straat komen te staan. Dát is het doel van urgentieverlening; het doel is niet dat ouders op een zo goed mogelijke manier invulling kunnen geven aan hun co-ouderschap. In een situatie waarin iemand dreigend dakloos wordt vanwege scheiding is een dak boven het hoofd van de kinderen prioriteit. Afspraken rond de zorg voor de kinderen is daaraan ondergeschikt, hoe wenselijk het natuurlijk ook is dat hier goed uitvoering aan kan worden gegeven. Co-ouderschap kan (al dan niet tijdelijk) ook vorm worden gegeven op andere manieren, denk aan ‘bird nesting’, waarbij niet het kind, maar de ouder wisselt van huis. Iets anders vastleggen in de Huisvestingsverordening is wat het college betreft dus niet wenselijk.
5. Blz 15, art 28, 1b, Urgentie bij geweld en bedreiging, ‘b. ten aanzien van de woningzoekende of één of meer leden van diens huishouden sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, ten gevolge waarvan de aanvrager redelijkerwijs niet langer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen, en voldaan wordt aan de in het derde lid genoemde criteria.’ A. Dit zou men kunnen lezen als dat de persoon die geweld wordt aangedaan de woning moet verlaten. Voor urgentie mogelijkerwijs wordt verleend.
B. is het college met ons eens dat de regel zou moeten zijn dat de geweldplegers ten eerste de gezamenlijke woning moeten verlaten, zodat de persoon die geweld wordt aangedaan niet ook nog dakloos raakt?
C. Zou dat ook als regel kunnen worden ingevoerd?
Antwoord op A, B en C:
Artikel 28 lid 1 onder b gaat uit van een situatie dat een slachtoffer van huiselijk geweld niet langer in de woning kan blijven wonen. Hiermee wordt niet gezegd dat een slachtoffer altijd zou moeten vertrekken uit de woning; ook niet om voor urgentie/directe bemiddeling in aanmerking te komen. De afweging of het voor het slachtoffer beter is om in de woning te blijven of niet, wordt door betrokkene gemaakt, samen met instanties. Bij (een dreiging op) acuut huiselijk geweld kan een tijdelijk huisverbod aan de dader worden opgelegd door de burgemeester. In dat geval kan het slachtoffer (vooralsnog) in de woning blijven en afhankelijk van de (on)mogelijkheid om langer in de woning te blijven, kan vanuit die situatie urgentie/directe bemiddeling worden aangevraagd.
Er kan echter ook aanleiding zijn om het slachtoffer op te vangen in de (vrouwen)opvang, om zo de directe veiligheid van het vermeende slachtoffer (en diens kinderen) te waarborgen. De risicotaxatie huiselijk geweld van de politie samen met de gesprekken die Veilig Thuis en Moviera voeren, leiden tot een taxatie van de onveiligheid. Er kan dan worden besloten tot plaatsing in de vrouwenopvang van Moviera.
De Huisvestingsverordening regelt wanneer iemand vanwege huiselijk geweld in aanmerking komt voor urgentie. Ongeacht of dit vanuit de thuissituatie of vanuit een opvang situatie wordt aangevraagd. De Huisvestingsverordening bepaalt dus niet of/dat een slachtoffer eerst de woning moet verlaten. Ook staan wij buiten de vraag wie recht heeft om in de woning te blijven wonen.
Een aanpassing van deze regels acht het college gezien het voorgaande niet nodig.
Bekijk de brief: 20251205 Beantwoording Vragen n.a.v. nieuwe huisvestingsverordening GL-PvdA
Bron: raadsinformatie van de gemeente Harderwijk (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.