17 juli 2024 · artikel 35-vragen · gemeente Lingewaard

2024-07-17 - CDA - Schriftelijke vragen n.a.v. infonota m.b.t. Programma financiele bijdragen gemeente Lingewaard, incl. beantwoording - zh

Een raadslid stelde op 17 juli 2024 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (8 vragen).

In het kort

8 vragen en wat het college antwoordt

  • De basis voor normstelling vormt de Omgevingsvisie en uit het op 9 januari 2024 vastgestelde woningbouwprogramma Lingewaard. → De omgevingsvisie handelt toch ook over industrieterreinen en overige (ambachtelijke) bedrijvigheid?
  • Is de onderbouwing van de te verhalen financiële bijdragen aan de hand van enkele bullets (zoals is gedaan op blz. 8) concreet genoeg om te concluderen dat er daarmee… → Een Omgevingsvisie Lingewaard die in essentie bestaat uit icoontjes die in zodanig grote aantallen op kaart bij bijna alle kernen zijn geplaatst, dat daarmee het beeld is ontstaan dat bijna…
  • het aankopen door de gemeente van een gedeelte Zeegbos Dit bevordert de aantrekkelijkheid van wonen in Lingewaard, de verkoopbaarheid van woningen, e.d. → Behoort een aankoop als deze overigens tot de competentie van het college of heeft de raad daar een stem in?
  • Toegankelijk groen dichtbij huis. → En in welke kernen deze er niet zijn?
  • De uiterwaarden vormen een uitloopgebied van de kernen en zijn daarom belangrijk voor het realiseren van een aantrekkelijk en gezonde leefomgeving voor bewoners. (blz… → En in welke kernen deze er niet zijn?
  • 9. → Angeren met zijn Gelders kerkhof (d.d. eind juni 1502); met het nog resterend deel van het oorspronkelijk voetpad Huissen-Schenkenschans en met de relicten van Huize De Wardt (en daarbij…
  • Totaal kosten per wooneenheid per kern (blz. 34) Alle begrip, dat het lastig is om een meetlat te ontwikkelen die recht doet aan enerzijds de verkeersbijdragen per kern… → En voor een nieuwe wooneenheid in Doornenburg überhaupt geen bijdrage wordt verlangd (“0”)?
  • Actualisatie en evaluatie van het programma. → Waarom alleen woningen?

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

schriftelijke vragen (art. 18 rvo) datum : steller(s) : onderwerp : ontvangst griffie :

16 juli 2024 H. Arends (934234) Informatienota “Programma financiële bijdragen gemeente Lingewaard” 17 juli 2024 (in te vullen door de griffie)

(* : weghalen hetgeen niet van toepassing is) De onderstaande vragen zijn gericht aan het college van burgemeester en wethouders.

Verzocht wordt de vragen schriftelijk te beantwoorden.

Aanleiding / toelichting:

Op 9 juli 2024 werd de raad via een Informatienota in kennis gesteld van het “Programma financiële bijdragen gemeente Lingewaard” (ex art. 3.22 Omgevingswet). Het programma omvat de criteria voor wanneer een particuliere initiatiefnemer een bijdrage heeft te leveren conform de normbedragen zoals vermeld in deze nota. Zij vormen samen de maatstaf voor afspraken over financiële bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen - met name op het vlak van mobiliteit en landschap (natuur, waterberging, recreatie en erfgoed), te voldoen door particuliere initiatiefnemers aan de gemeente Lingewaard. Bijdragen die vastgelegd gaan worden in vanaf 11 juli jl. te sluiten grondexploitatieovereenkomsten.

In dit programma lijken enige inconsistenties voor te komen (om niet te spreken over op onderdelen een schijn van willekeur). Gesteld wordt dat mocht de Omgevingsvisie en/of het woningbouwprogramma Lingewaard wijzigen dan zal dit programma geactualiseerd worden. De hoofdvraag onder de navolgende vragen is of er voldoende gronden zijn om nu al naar een 1e wijziging toe te werken teneinde deze consistenties te verhelpen. Daarover de navolgende vragen.

Vragen:

Vragen en antwoorden

Vraag 1

De basis voor normstelling vormt de Omgevingsvisie en uit het op 9 januari 2024 vastgestelde woningbouwprogramma Lingewaard. De activiteiten in dit programma waarbij een financiële bijdrage wordt verhaald is daarom alleen nog het toevoegen van woningen.(blz. 3) Is dit consistent?

Antwoord van het college

De omgevingsvisie handelt toch ook over industrieterreinen en overige (ambachtelijke) bedrijvigheid? Ondernemingen hebben toch net zoveel, zo niet méér baat bij goede verkeersafwikkeling en evenveel bij goed functionerende waterberging en klimaatadaptatie? Waarom niet gelijk óók een norm stellen voor vrijwillige en/of verplichte bijdragen in geval van ver(nieuw)bouw van gebouwen en bouwwerkende binnen de categorieën B, C, F, G, H en I. En de norm in die gevallen te baseren op bruto vloeroppervlak en/of aantal m1 ? Hoe vrijwillig is overigens ‘vrijwillig’?

Vraag 2

Is de onderbouwing van de te verhalen financiële bijdragen aan de hand van enkele bullets (zoals is gedaan op blz. 8) concreet genoeg om te concluderen dat er daarmee een functionele samenhang is gecreëerd tussen de activiteit en de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen zoals geschetst in de Omgevingsvisie?

Antwoord van het college

Een Omgevingsvisie Lingewaard die in essentie bestaat uit icoontjes die in zodanig grote aantallen op kaart bij bijna alle kernen zijn geplaatst, dat daarmee het beeld is ontstaan dat bijna overal zo ongeveer bijna alle ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn? Als die functionele samenhang niet met de bedoelde bullets alleen (voldoende) is gecreëerd, wanneer en op welke wijze gaat die concretisering dan gestalte krijgen?

1

Vraag 3

het aankopen door de gemeente van een gedeelte Zeegbos Dit bevordert de aantrekkelijkheid van wonen in Lingewaard, de verkoopbaarheid van woningen, e.d. Dit geldt voor de hele gemeente. (blz. 10) Kan het college het causale verband tussen de aankoop van het Zeegbos enerzijds en aantrekkelijkheid c.q. verkoopbaarheid van woningen in de gehele gemeente anderzijds duiden?

Antwoord van het college

Behoort een aankoop als deze overigens tot de competentie van het college of heeft de raad daar een stem in? In dat laatste geval, wanneer vindt die betrokkenheid van de raad plaats of heeft die plaatsgevonden?

Vraag 4

Toegankelijk groen dichtbij huis. Dat kan in de vorm van ommetjes vanuit de woonbuurt en plekken om naar toe te gaan voor rust of juist vertier en bewegen, op loop- of fietsafstand van de eigen woning. (blz. 10). Kan het college per kern aangeven welke ommetjes en rust-/vertierplekken er nu al beschikbaar zijn?

Antwoord van het college

En in welke kernen deze er niet zijn? En kan het college op basis van die inventarisatie een prioritering (tussen de kernen onderling) in de uitvoering van deze ruimtelijke ontwikkelingen aangeven?

Vraag 5

De uiterwaarden vormen een uitloopgebied van de kernen en zijn daarom belangrijk voor het realiseren van een aantrekkelijk en gezonde leefomgeving voor bewoners. (blz. 15) Kan het college per kern aangeven welke uitloopmogelijkheden er nu al beschikbaar zijn?

Antwoord van het college

En in welke kernen deze er niet zijn? En kan het college op basis van die inventarisatie een prioritering (tussen de kernen onderling) in de uitvoering van deze ruimtelijke ontwikkelingen aangeven?

Vraag 6

9. Versterken van recreatie en erfgoed in de Uiterwaarden De ruimtelijke ontwikkeling het ‘versterken van recreatie en erfgoed’ ziet op het versterken van de functie van de uiterwaarden als uitloopgebied voor de omgeving Zwanenwater. (blz. 22) 2 Waarom worden alleen de omgeving Zwanenwater (en verderop in de tekst Haalderen) benoemd?

Antwoord van het college

Angeren met zijn Gelders kerkhof (d.d. eind juni 1502); met het nog resterend deel van het oorspronkelijk voetpad Huissen-Schenkenschans en met de relicten van Huize De Wardt (en daarbij opgeteld dat bij deze kern geen recreatieve alternatieven zijn anders dan een rondje Brouwketel, mogelijk dankzij de gastvrijheid van diens bewoners); Doornenburg met de veldoven-resten in de Roswaard en ook hier geen uitloopmogelijkheid; Gendt met zijn veldoven-resten rechtvaardigen toch ook om in de ruimtelijke ontwikkelingen op hert vlak van recreatie en erfgoed te worden benoemd?

Vraag 7

Totaal kosten per wooneenheid per kern (blz. 34) Alle begrip, dat het lastig is om een meetlat te ontwikkelen die recht doet aan enerzijds de verkeersbijdragen per kern en anderzijds de te honoreren wensen/ambities per kern. De insteek (b)lijkt het toepassen van een soort profijtbeginsel te zijn, maar acht het college dat daaraan op een eerlijke wijze invulling wordt gegeven wanneer voor nieuwe wooneenheden in Haalderen met zijn hoegenaamd ontbrekende industriële bedrijvigheid en een gering woningbestand de bijdrage per wooneenheid hoger uitpakt dan voor een wooneenheid in Bemmel?

Antwoord van het college

En voor een nieuwe wooneenheid in Doornenburg überhaupt geen bijdrage wordt verlangd (“0”)? Horen de bijdragen voor wooneenheden in Haalderen, Doornenburg en Angeren niet veel meer in evenwicht te worden gebracht?

Vraag 8

Actualisatie en evaluatie van het programma. Dit programma wordt regelmatig geactualiseerd zodat zowel de ruimtelijke ontwikkelingen in bijlage I als de activiteiten in bijlage II actueel zijn. (blz. 25) Geven de voorgaande vragen het college aanleiding om dit programma op onderdelen nu al te gaan heroverwegen? Ondertekening: H. Arends (CDA) 3 beantwoording college beantwoording vóór behandelend ambtenaar zaaknummer onderwerp : : : : datum beantwoording bijlagen verzenddatum : : : 17 augustus 2024 (in te vullen door de griffie) Wendy ten Westenend en Joost Bruckwilder 971281 Programma (onder Omgevingswet) financiële bijdragen gemeente Lingewaard 2024 3 september 2024 (in overleg met de griffie) Geen (in te vullen door de griffie) Naar aanleiding van bovenstaande vragen treft u onderstaand het antwoord van het college aan. Inleiding / toelichting: Op 11 juli jl. hebben we u geïnformeerd over ons besluit tot vaststelling van het programma (onder de Omgevingswet) “financiële bijdragen gemeente Lingewaard”. U heeft daar vragen over gesteld. Met de vaststelling van dit programma continueren we de bestaande praktijk ten aanzien van vrijwillige financiële bijdragen van ontwikkelaars en andere initiatiefnemers voor woningbouwprojecten. Ons besluit was nodig in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het programma is de juridische grondslag voor afspraken over financiële bijdragen van initiatiefnemers en ontwikkelaars aan ruimtelijke ontwikkelingen die geen rechtstreeks gevolg zijn van het initiatief maar waar het initiatief wel baat bij heeft. Die afspraken worden vastgelegd in de overeenkomst met de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. U geeft aan dat uw achterliggende vraag luidt of beleidswijzigingen voor financiële bijdragen wenselijk zijn. Wat we hebben gedaan is de bestaande praktijk voor het vragen van financiële bijdragen zoals u die kent gecontinueerd. We vragen aan initiatiefnemers voor woningbouw een financiële bijdrage voor ruimtelijke ontwikkelingen die nodig zijn in Lingewaard en waarvan de initiatiefnemer mede profijt heeft. Zo’n bijdrage staat los van het kostenverhaal. Bij kostenverhaal gaat het om kosten die de gemeente maakt vanwege het initiatief. Kostenverhaal: Initiatief → kosten voor gemeente → Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen: Ontwikkeling → initiatief profiteert mee → initiatiefnemer betaalt initiatiefnemer draagt bij Voorheen werd op basis van de Wet ruimtelijke ordening en de gemeentelijke structuurvisie een bijdrage gevraagd. De Omgevingswet maakt het vragen van een financiële bijdrage ook mogelijk, maar dan op basis van een gemeentelijke omgevingsvisie of een programma. De omgevingsvisie stelt dat er een programma komt voor de financiële bijdragen. Dat programma hebben we vastgesteld, waarbij we zijn uitgegaan van de 4 voor u bekende praktijk bij het vragen van een “bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen”. Indien u daarin beleidswijzigingen vaststelt, passen we het programma daarop aan. We hebben het programma nú vastgesteld om te vermijden dat een hiaat ontstaat in de praktijk zoals die u kent in de financiële verhouding tussen initiatiefnemers en gemeente, bij het aangaan van nieuwe overeenkomsten na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Met ons besluit blijft de bijdrage vrijwillig. Nieuw in de Omgevingswet is de mogelijkheid tot het verplichten van de bijdrage. Daarvoor is een besluit van uw raad nodig omdat die verplichting in het omgevingsplan moet staan. We zien vooralsnog geen reden om dit voor te stellen, het verplichten kent ook weer voorwaarden en u kunt de regeling vergelijken wat voorheen kon: het vaststellen van een exploitatieplan bij een bestemmingsplan, een soort noodrem waar normaal gesproken geen gebruik van wordt gemaakt. Antwoorden: 1. Vraag: De basis voor normstelling vormt de Omgevingsvisie en uit het op 9 januari 2024 vastgestelde woningbouwprogramma Lingewaard. De activiteiten in dit programma waarbij een financiële bijdrage wordt verhaald is daarom alleen nog het toevoegen van woningen.(blz. 3) Is dit consistent? De omgevingsvisie handelt toch ook over industrieterreinen en overige (ambachtelijke) bedrijvigheid? Ondernemingen hebben toch net zoveel, zo niet méér baat bij goede verkeersafwikkeling en evenveel bij goed functionerende waterberging en klimaatadaptatie? Waarom niet gelijk óók een norm stellen voor vrijwillige en/of verplichte bijdragen in geval van ver(nieuw)bouw van gebouwen en bouwwerkende binnen de categorieën B, C, F, G, H en I. En de norm in die gevallen te baseren op bruto vloeroppervlak en/of aantal m1 ? Hoe vrijwillig is overigens ‘vrijwillig’?

Antwoord van het college

Waarom alleen woningen?

Dat is de bestaande praktijk. Voor het ontwikkelen van bedrijventerrein zijn we zelf initiatiefnemer.

Nieuwvestiging van solitaire bedrijven (nieuwbouw op onbebouwde plekken) is in algemene zin uitgesloten.

Het generiek uitsluiten van nieuwvestiging van bedrijven of voorzieningen en vervolgens vastleggen dat we een bijdrage vragen aan dergelijke initiatieven leidt bij marktpartijen tot onduidelijkheid over het gemeentelijk beleid.

Hoe vrijwillig is vrijwillig?

Het gaat in dit programma om een vrijwillige financiële bijdrage. Door middel van een overeenkomst wordt met de initiatiefnemer afspraken gemaakt over de te verkrijgen financiële bijdragen. Indien niet overeengekomen wordt met de initiatiefnemer kan de financiële bijdrage ook verplicht worden gesteld. Het verplichten van een financiële bijdrage is een nieuwe mogelijkheid onder de Omgevingswet (artikel 13.23 Omgevingswet), voorheen was dit niet mogelijk. Een afdwingbare financiële bijdrage zou dan ook een afwijking van het huidige beleid zijn. Indien de raad wil dat gebruik gemaakt wordt van deze mogelijkheid, is wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk (artikel 13.23, eerste lid, Omgevingswet). Zo’n omgevingsplanwijziging wordt vastgesteld door de gemeenteraad (artikel 2.4 Omgevingswet).

2. Vraag:

Gaat het college aan particuliere initiatiefnemers (én de raad) ook terugkoppelen aan welke ruimtelijke ontwikkeling (in concreto) hun bijdragen besteed (zijn) gaan worden?

Antwoord:

Zoals het nu gebruikelijk is worden de financiële bijdragen opgenomen in het fonds ruimtelijke ontwikkelingen. Het besluit om financiën uit dit fonds te gebruiken wordt genomen door de raad. Dit betreft 5

openbare besluitvorming en het college ziet geen reden om hier nu van af te wijken. Als afgeweken gaat worden van het huidige beleid en financiële bijdragen verplicht worden gesteld met een omgevingsplanwijziging, wordt in lijn met artikel 13.23, tweede lid, van de Omgevingswet vorm gegeven aan een periodieke publieke verantwoording.

3. Vraag:

Is de onderbouwing van de te verhalen financiële bijdragen aan de hand van enkele bullets (zoals is gedaan op blz. 8) concreet genoeg om te concluderen dat er daarmee een functionele samenhang is gecreëerd tussen de activiteit en de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen zoals geschetst in de Omgevingsvisie? Een Omgevingsvisie Lingewaard die in essentie bestaat uit icoontjes die in zodanig grote aantallen op kaart bij bijna alle kernen zijn geplaatst, dat daarmee het beeld is ontstaan dat bijna overal zo ongeveer bijna alle ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn? Als die functionele samenhang niet met de bedoelde bullets alleen (voldoende) is gecreëerd, wanneer en op welke wijze gaat die concretisering dan gestalte krijgen?

Antwoord:

Op blz. 8 zijn de elementen opgenomen die nodig zijn voor een onderbouwing van het vragen van de financiële bijdrage. Door die elementen in de onderbouwing op te nemen kan blijken dat sprake is van een functionele samenhang tussen de activiteit en de ruimtelijke ontwikkeling. De elementen zijn gebaseerd op de Nota van wijziging op Afdeling 13.7 Financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied (Kamerstukken II, 2018/19, 35133, nr. 5, p. 3) en de Handreiking kostenverhaal en financiële bijdragen Omgevingswet van het ministerie van Binnenlandse zaken (Handreiking kostenverhaal en financiële bijdragen Omgevingswet, (Programma aan de slag met de Omgevingswet) april 2022, p. 25).

Concretisering van de onderbouwing zit in hoofdstuk 3 en bijlage I en II van het programma.

In hoofdstuk 3 is per ruimtelijke ontwikkeling opgenomen:

• een omschrijving of aanduiding van het gebied dat wordt ontwikkeld; en

• het verband tussen de activiteit en de ontwikkeling waaraan wordt bijgedragen.

In bijlage I en II is per ruimtelijke ontwikkeling aangegeven:

• de financiering van de ontwikkeling; en

• een indicatie van de gevraagde bijdrage Voor de realisatie en planning van de ruimtelijke ontwikkelingen wordt verwezen naar par. 2.4 waarin is opgenomen dat deze ruimtelijke ontwikkeling – tijdhorizon omgevingsvisie – plaatsvindt tot 2035. Omdat de Omgevingsvisie de grondslag vormt voor het Programma financiële bijdragen wordt die tijdhorizon ook gebruikt in de onderbouwing in hoofdstuk 3.

We menen dat de onderbouwing voldoende is geconcretiseerd in dit programma omdat hoofdstuk 3 toelicht waarom en hoe een initiatief meeprofiteert aan een ontwikkeling waarvoor een bijdrage wordt gevraagd.

Voor de beschrijving van ruimtelijke ontwikkelingen volgt ons programma de omgevingsvisie. Het klopt dat gewenste ontwikkelingen daarin in algemene zin zijn beschreven. Het nader concreet beschrijven als grondslag voor het vragen van een bijdrage kent ook een risico, namelijk dat in de uitvoering van een ontwikkeling de bijdrage wordt besteed aan “net iets anders is dan in de (te concrete) beschrijving stond”.

4. Vraag:

Landschapszones als groene buffer tussen woonkernen in (blz. 9).

Waarom wordt de “Schakel tussen landschappen”, zoals deze is beschouwd in Gebiedsvisie NEXTgarden/NEXTliving (337046 - Bijlage 2 - concept Gebiedsvisie) niet expliciet in paragraaf 3.2 (blz. 9) benoemd als zijnde eveneens een van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen?

Antwoord:

Een ontwikkelaar draagt niet bij aan “een vorm van opplussen binnen het exploitatiegebied NEXTgarden”.

Reden daarvoor is dat landschapsversterking op NEXTgarden zelf niet redelijkerwijs kan worden toegerend 6

aan een initiatief voor woningbouw buiten NEXTgarden.

Een ontwikkelaar draagt wel bij aan “groene deel” van de schakelfunctie – de overgangszone tussen glas en andere gebieden / functies – zoals beschreven op pag 7 en 8 van de gebiedsvisie en voor zover gelegen buiten het glastuinbouwgebied. Dat deel zit in de beschrijving van de landschapszones op pag 9 van het programma.

5. Vraag: het aankopen door de gemeente van een gedeelte Zeegbos Dit bevordert de aantrekkelijkheid van wonen in Lingewaard, de verkoopbaarheid van woningen, e.d. Dit geldt voor de hele gemeente. (blz. 10) Kan het college het causale verband tussen de aankoop van het Zeegbos enerzijds en aantrekkelijkheid c.q. verkoopbaarheid van woningen in de gehele gemeente anderzijds duiden? Behoort een aankoop als deze overigens tot de competentie van het college of heeft de raad daar een stem in? In dat laatste geval, wanneer vindt die betrokkenheid van de raad plaats of heeft die plaatsgevonden?

Antwoord:

Het causale verband is dat voor de versterking van groene landschapszones het nodig is dat we het provinciaal eigendom in het Zeegbos als onderdeel van de groene landschapszone tussen Arnhem en Huissen, overnemen. Daarmee voorkomen we dat dit gebied een andere eigenaar krijgt met eventueel “andere plannen dan het versterken van de landschapszone”.

De provincie heeft in 2021 ons gevraagd of we belangstelling hebben voor het overnemen van het provinciaal grondeigendom in het Zeegbos, ca. 10 ha. Naar aanleiding daarvan zijn we in gesprek en willen we duidelijkheid verkrijgen over voorwaarden voor overname, prijs, en een goed structureel beheer. Voor dat laatste zijn ook anderen nodig, waaronder Park Lingezegen, Staatsbosbeheer en gemeente Arnhem, allen eigenaar van aangrenzend gebied dat onderdeel is van dezelfde groene buffer tussen Arnhem en Huissen.

Dat we hierover in overleg zijn hebben we bij gelegenheid van de begroting 2022 gemeld. Onze intentie is om aan u een voorstel voor aankoop te doen waarbij we tegelijk inzicht kunnen bieden in beheer(kosten).

Zo’n voorstel hopen we in 2025 te doen.

6. Vraag:

Investeringen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat functieverandering bij agrarische bedrijven buiten het concentratiegebied glastuinbouw (blz. 10) Wordt het geen tijd om het (dis)functioneren van het glastuinbouw-intensiveringsbeleid eerst te evalueren alvorens uitzonderingen als deze (‘alleen buiten het concentratiegebied’) onverkort in stand te blijven houden?

Antwoord:

Ons besluit continueert de bestaande praktijk ten aanzien van financiële bijdragen van initiatieven aan ruimtelijke ontwikkelingen. We voorkomen daarmee het aangaan van overeenkomsten zonder juiste juridische grondslag voor zo’n bijdrage. Indien u het beleid ten aanzien van het vragen van bijdragen wijzigt, passen we het programma aan. Overigens is voor wijziging van beleid voor het concentratiegebied ook wijziging van de provinciale verordening nodig.

7. Vraag:

Toegankelijk groen dichtbij huis. Dat kan in de vorm van ommetjes vanuit de woonbuurt en plekken om naar toe te gaan voor rust of juist vertier en bewegen, op loop- of fietsafstand van de eigen woning. (blz. 10).

Kan het college per kern aangeven welke ommetjes en rust-/vertierplekken er nu al beschikbaar zijn? En in welke kernen deze er niet zijn? En kan het college op basis van die inventarisatie een prioritering (tussen de kernen onderling) in de uitvoering van deze ruimtelijke ontwikkelingen aangeven?

Antwoord:

7

Nee. Voor het vragen van bijdragen voor ruimtelijke ontwikkelingen was dit niet relevant. De omgevingsvisie (pag. 37 visie) geeft aan dat we toegankelijk groen versterken. Het coalitieakkoord bevat hiervoor een vorm: groene landschapszones tussen de woonkernen. In de regionale verstedelijkingsvisie is toegankelijk groen een aspect van het groenblauwe raamwerk. Voor de versterking vragen we een bijdrage aan initiatiefnemers voor woningbouw omdat hier sprake is van profijt van toegankelijk groen in de omgeving.

Overigens kan het opnemen van bepalingen over invulling, prioritering e.d. in een programma als grondslag voor bijdragen, ook een risico zijn. Dat risico is dat op het moment dat een invulling of prioritering verandert, de gemeente afwijkt van de juridische grondslag voor een financiële afspraak.

8. Vraag:

De ruimtelijke ontwikkeling ziet op het ontwikkelen van de natuur langs de Linge door het toevoegen van boombeplanting. (blz. 11) Zal boombeplanting tussen Pannenhuis en Broeksestraat het open komklei-karakter niet juist geweld aan gaan doen?

Antwoord:

Het versterken van natuur met boombeplanting komt uit de Omgevingsvisie en het ambitiedocument voor de Lingezone. Ons programma noemt die ontwikkeling als grondslag voor een bijdrage. Daarmee is nog geen concreet plan vastgelegd maar is het mogelijk om voor dergelijke plannen een bijdrage te vragen.

9. Vraag:

Mobiliteitstransitie: fietsroutes en bereikbaarheid OV (blz. 12) Bereikbaarheid OV zou ook de bereikbaarheid te voet van bushaltes dienen te omvatten. Waarom wél aandacht voor (trottoirs langs) de Polseweg en níet voor de abominabele staat van de trottoirs van en naar de bushalte(s) een kern verderop (of terug), waardoor rollator- en kinderwagengebruikers dit trottoir mijden en verkiezen te lopen op de gevaarlijke – provinciale - rijbanen…..)?

Antwoord:

Een bijdrage mag worden gevraagd voor maatregelen die de bereikbaarheid verbeteren en waar het initiatief tot nieuwbouw van meeprofiteert. Die maatregelen staan in het GMP-plus en op pag. 14 van het programma.

Geen bijdrage mag worden gevraagd voor (al dan niet achterstallig) onderhoud.

10. Vraag:

De uiterwaarden vormen een uitloopgebied van de kernen en zijn daarom belangrijk voor het realiseren van een aantrekkelijk en gezonde leefomgeving voor bewoners. (blz. 15) Kan het college per kern aangeven welke uitloopmogelijkheden er nu al beschikbaar zijn? En in welke kernen deze er niet zijn? En kan het college op basis van die inventarisatie een prioritering (tussen de kernen onderling) in de uitvoering van deze ruimtelijke ontwikkelingen aangeven?

Antwoord:

Nee, dat is voor het programma ook niet nodig. Pag 15 van het programma legt het verband tussen het toekomstige veranderingen rondom het Zwanenbad en een bijdrage voor het versterken van recreatiegroen.

Dit wordt toegerekend aan bouwplannen in Huissen. Veranderingen rond het Zwanenbad zijn voorzienbaar omdat verschillende overheden opgaven hebben die hier realiseerbaar zijn (natuurontwikkeling, ruimte voor water, e.d.).

Het toerekenen van de versterking van recreatiegroen in het algemeen en aan alle woonkernen valt onder de beschrijving op pag. 9.

11. Vraag:

EcoPark de Kapel (blz. 19) Heel loffelijk dat het college deze ontwikkeling financieel wil steunen, maar er zijn meer initiatieven in 8

Lingewaard met een vergelijkbaar karakter als dit EcoPark. Waarom gaat dit initiatief wél financieel gesteund worden en min of meer vergelijkbare initiatieven elders niet?

Antwoord:

Omdat hier een besluit is genomen in het kader van een subsidieaanvraag bij de provincie (dorpendeal).

Daarmee is het ecopark realiseerbaar en hebben woningen in Gendt hier profijt van. (Verschil met het Zeegbos: het Zeegbos is een onderdeel van een bovenlokaal netwerk van (recreatie-) groen en is toerekenbaar aan de hele gemeente. Het ecopark is een kleine solitaire ontwikkeling en wordt niet toegerekend aan initiatieven in de hele gemeente).

12. Vraag: 3.6 Kern Angeren; 15. Verbetering ontsluiting woonkernen en bedrijventerreinen (blz. 20) Kan het college uitleggen waarom de hier genoemde mobiliteitsknelpunten louter in relatie tot Angeren (en Huissen) worden benoemd en niet in relatie tot Doornenburg en Gendt, terwijl een substantieel deel van de weggebruikers op de benoemde mobiliteitsknelpunten ook uit die kernen afkomstig is?

Antwoord:

De relatie met “via Huissen rijden” is bij bouwplannen in Huissen en Angeren “vanzelfsprekend” en dus aan een ontwikkelaar uit te leggen en die zal er niet over in discussie willen. Vanuit Doornenburg en Gendt is “via Huissen rijden” vermijdbaar omdat er een alternatief is (Bemmel – N15). Een ontwikkelaar betaalt voor een “aantoonbaar profijt” en voor een “aannemelijk profijt”.

13. Vraag:

9. Versterken van recreatie en erfgoed in de Uiterwaarden De ruimtelijke ontwikkeling het ‘versterken van recreatie en erfgoed’ ziet op het versterken van de functie van de uiterwaarden als uitloopgebied voor de omgeving Zwanenwater. (blz. 22) Waarom worden alleen de omgeving Zwanenwater (en verderop in de tekst Haalderen) benoemd? Angeren met zijn Gelders kerkhof (d.d. eind juni 1502); met het nog resterend deel van het oorspronkelijk voetpad Huissen-Schenkenschans en met de relicten van Huize De Wardt (en daarbij opgeteld dat bij deze kern geen recreatieve alternatieven zijn anders dan een rondje Brouwketel, mogelijk dankzij de gastvrijheid van diens bewoners); Doornenburg met de veldoven-resten in de Roswaard en ook hier geen uitloopmogelijkheid; Gendt met zijn veldoven-resten rechtvaardigen toch ook om in de ruimtelijke ontwikkelingen op het vlak van recreatie en erfgoed te worden benoemd?

Antwoord:

Dit heeft te maken met het benoemen van verwachtbare initiatieven. Rijk en provincie hebben opgaven (voor rivierbeheer en natuurontwikkeling) op grond waarvan initiatieven te verwachten zijn rondom het Zwanenbad. De omgevingsvisie wil dat de ambitie met betrekking tot erfgoed en recreatiegroen dan meelift.

Daarvoor is financiering nodig. Het programma vraagt hiervoor een bijdrage aan initiatieven in Huissen.

Dat deze beschrijving terug komt bij Haalderen is een fout. We herstellen dit met een herstelbesluit.

14. Vraag:

Verwachte activiteiten nr. 9 (blz. 29) Waarom niet tevens heffen op nieuwe woningeenheden in (én besteden aan) de andere kernen dan Huissen en Haalderen?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 13. Rondom het Zwanenbad zijn initiatieven te verwachten voor natuur en water, waarbij wij willen dat recreatie meelift in die initiatieven en dit programma het mogelijk maakt om daar cofinanciering voor op te halen.

15. Vraag: 9

Verwachte activiteiten nr. 15 (blz. 30) Waarom niet tevens heffen op nieuwe woningeenheden in ook de andere kernen dan Angeren t.b.v. deze toch ook voor alle andere kernen relevante voorzieningen?

Antwoord:

Vanwege het onderbouwen van de functionele relatie c.q. het aantoonbare profijt, zie ook antwoord op 10 en 12

16. Vraag:

Totaal kosten per wooneenheid per kern (blz. 34) Alle begrip, dat het lastig is om een meetlat te ontwikkelen die recht doet aan enerzijds de verkeersbijdragen per kern en anderzijds de te honoreren wensen/ambities per kern. De insteek (b)lijkt het toepassen van een soort profijtbeginsel te zijn, maar acht het college dat daaraan op een eerlijke wijze invulling wordt gegeven wanneer voor nieuwe wooneenheden in Haalderen met zijn hoegenaamd ontbrekende industriële bedrijvigheid en een gering woningbestand de bijdrage per wooneenheid hoger uitpakt dan voor een wooneenheid in Bemmel? En voor een nieuwe wooneenheid in Doornenburg überhaupt geen bijdrage wordt verlangd (“0”)? Horen de bijdragen voor wooneenheden in Haalderen, Doornenburg en Angeren niet veel meer in evenwicht te worden gebracht?

Antwoord:

Er is gestreefd naar een formule die zo eerlijk mogelijk de benodigde financiële bijdrage berekend. De Formule is gebaseerd op de investering die nodig is om de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. In dit programma is de motivering opgenomen waarom bij het toevoegen van woningen profijt is van deze ruimtelijke ontwikkeling. Omdat de nieuw toegevoegde woningen profijt hebben van deze ruimtelijke ontwikkeling wordt een bijdrage gevraagd. Aangezien het oneerlijk zou zijn om de nieuw toe te voegen woningen voor de gehele investering te laten bijdragen, wordt in de formule rekening gehouden met de reeds bestaande woningen. Bestaande woningen hebben namelijk ook profijt van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen.

Aangezien de formule gebaseerd is op de investering nodig voor een ontwikkeling, de reeds bestaande woningen en de toe te voegen woningen kan dit per kern anders uitpakken. In het geval van Haalderen zijn er minder bestaande woningen en ook minder woningen die worden toegevoegd in vergelijking met de kern Bemmel en Ressen. Daarnaast heeft de kern Haalderen wel profijt van de ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor financiële bijdragen worden gevraagd. Dit heeft gevolgen voor de uitkomsten van de formule.

In het geval van de kern Doornenburg worden er geen nieuwe woningen verwacht. Daarom kan ook geen financiële bijdrage worden gevraagd voor ruimtelijke ontwikkelingen vanuit de kern Doornenburg. In het geval dat er geplande ruimtelijke ontwikkelingen voor de kern Doornenburg ontstaan, wordt bijlage II aangepast en ook de berekening ingevuld.

Er blijkt een fout te zijn gemaakt in de berekening van de kern Haalderen bij ontwikkeling nr. 13 (p. 33/34 van het programma). Bij de toe te voegen woningen in Haalderen had 130 moeten staan in plaats van 0. Dit verandert de berekening en daarbij ook de kosten per wooneenheid voor de kernen Gendt en Haalderen. Dit zal in een herstelbesluit worden herzien.

Nu per kern rekening wordt gehouden met de hoogte van de investering en de reeds bestaande woningen, wordt voldoende rekening gehouden met het vragen van een evenwichtige bijdrage per wooneenheid.

17. Vraag:

Zijn de vermelde bedragen in Bijlage II trouwens de vrijwillige of de verplichte bijdragen?

Antwoord: 10

Het gaat in dit programma om een vrijwillige financiële bijdrage. Het verplichten van een financiële bijdrage is een nieuwe mogelijkheid onder de Omgevingswet (artikel 13.23 Omgevingswet), voorheen was dit niet mogelijk. Een afdwingbare financiële bijdrage zou dan ook een afwijking van het huidige beleid zijn. Indien de raad gebruik wil maken van deze mogelijkheid, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk (artikel 13.23, eerste lid, Omgevingswet). Een omgevingsplanwijziging wordt vastgesteld door de gemeenteraad (artikel 2.4 Omgevingswet).

18. Vraag:

Actualisatie en evaluatie van het programma. Dit programma wordt regelmatig geactualiseerd zodat zowel de ruimtelijke ontwikkelingen in bijlage I als de activiteiten in bijlage II actueel zijn. (blz. 25) Geven de voorgaande vragen het college aanleiding om dit programma op onderdelen nu al te gaan heroverwegen?

Antwoord:

De geconstateerde fouten zijn aanleiding voor een herstelbesluit waarmee:

• Het aantal toe te voegen woningen in Haalderen (pag. 33/34) 130 wordt;

• De koppeling tussen ontwikkeling nr.9 (uiterwaarden) aan bouwen in Haalderen (pag. 22) vervalt.

Voor het overige volgen we in onze programma’s beleidsuitgangspunten die de raad heeft vastgesteld.

burgemeester en wethouders van Lingewaard, de secretaris,

de burgemeester,

drs. I.P. van der Valk

dr. P.T.A.M. Kalfs

De tijdsbesteding in financiële zin verbonden aan de behandeling en beantwoording van bovenstaande art. 18 rvo-vragen door de behandelend ambtenaar bedroeg: 18 uur x € 95,-- (uurtarief) = € 1.710,-.

11

Bekijk de brief: 2024-07-17 - CDA - Schriftelijke vragen n.a.v. infonota m.b.t. Programma financiele bijdragen gemeente Lingewaard, incl. beantwoording - zh

Bron: raadsinformatie van de gemeente Lingewaard (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Lingewaard

Alle artikel 35-vragen in Lingewaard