vragen ChristenUnie - Verhoging kwaliteit en kosten schoolgebouwen
Een raadslid stelde op 16 december 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Schriftelijke vragen aan het college (op basis van artikel 16 of artikel 55 Reglement van Orde)
Datum: 29 november 2025 Zaaknummer: 1243521 Steller van de vragen: Harry Stam Politieke partij: ChristenUnie Molenlanden Onderwerp: Raadsvoorstel Verhoging kwaliteit en kosten schoolgebouwen agendapunt 6 Portefeuillehouder: Wethouder H. Akkerman Behandelend ambtenaar: Wilton Christiaanse en Anne Duine Toelichting:
Wij hebben kennisgenomen van de technische vragen die door VVD en SGP zijn gesteld en hebben een aantal daarvan niet ook opgenomen, ondanks dat ook wij daarvan de
antwoorden zouden willen vernemen. Hieronder een aantal aanvullende/aangescherpte vragen van de ChristenUnie fractie.
Vraag 1: Voor schoolbesturen zijn er beperkingen in de besteding van rijksmiddelen ten
aanzien van investeringen aan het schoolgebouw. Eén van de uitzonderingen die daarop
wordt genoemd is een investering op het gebied van duurzaamheid. Kan juridisch worden onderbouwd dat een genormeerd percentage (6,5%) voor de schoolbesturen niet gaat
vallen onder het investeringsverbod, ondanks dat een deel ervan zeer waarschijnlijk voor duurzaamheidsdoeleinden wordt ingezet? Met andere woorden: mag de gemeente dat
richting schoolbesturen wel doen of komen daarmee de schoolbesturen en de gemeente in mogelijk juridische conflicten met de rijksoverheid en/of met elkaar?
Antwoord 1:
Het investeringsverbod voor schoolbesturen geldt voor kapitaalinvesteringen, maar er is een uitzondering voor investeringen in duurzaamheid. Volgens de toelichting van de
toenmalige staatssecretaris zijn dergelijke investeringen toegestaan mits het gaat om een redelijk bedrag dat binnen een redelijke termijn terug te verdienen is.
Een genormeerd percentage (zoals 6,5%) is dus juridisch verdedigbaar als het aantoonbaar wordt ingezet voor duurzame maatregelen en economisch verantwoord is.
Dit betekent dat de gemeente dit richting schoolbesturen mag voorstellen, mits er transparantie is over de aard van de investering en deze binnen de genoemde voorwaarden valt.
Het risico op conflicten met de rijksoverheid of tussen gemeente en schoolbesturen is beperkt, omdat de toelichting expliciet ruimte biedt voor duurzame investeringen.
Daarnaast vervalt het Investeringsverbod naar verwachting binnenkort door het wetsvoorstel Planmatige aanpak onderwijshuisvesting.
Wel blijft het belangrijk dat schoolbesturen dit goed afstemmen met hun accountant en dat afspraken zorgvuldig worden vastgelegd. Een praktische mogelijke oplossing om juridische en administratieve risico’s verder te beperken zou kunnen zijn dat de gemeente de investering voorfinanciert en het schoolbestuur jaarlijks terugbetaalt vanuit de exploitatie. Hier wordt nader overleg over gevoerd met de schoolbesturen.
Vraag 2: Meerdere keren wordt het uitgangspunt ‘gelijk speelveld’ genoemd in de
raadsvoorstellen rond investeringen van schoolgebouwen en ook voor dit te nemen
besluit gaan wij ervan uit dat het college zich aan de regels van goed bestuur wil houden.
A. Hoe ziet het college het voor zich dat deze schoolbesturen niet zouden worden
benadeeld (financieel door bijv. leningen af te sluiten of kwalitatief door het ontbreken van de 115% kwaliteitsnorm) ten opzichte van schoolbesturen die zo’n investeringslast wel kunnen dragen, wetende dat er schoolbesturen zullen zijn die om voor hen moverende redenen zo’n investeringslast niet kunnen dragen?
B. Het college is nog in gesprek met de schoolbesturen die in Groot-Ammers aan het
nieuwbouwproject deelnemen, waarbij het uitgangspunt is om een ‘sober en doelmatig
gebouw’ te realiseren. Hoe ziet het college ook hier het gelijke speelveld voor zich als de gemeenteraad enerzijds voor deze school een streng oordeel heeft gegeven op het
gevraagde budget en anderzijds het college de norm wil verhogen waarbij de kosten
ervan het budget met minstens 8,5% doen verhogen. Daarnaast is het mogelijk dat in dit
dilemma de gemeente niets bijdraagt en er dus aan het uitgangspunt niet wordt getornd, maar die extra lasten en kwaliteit wél voor de andere scholen zou instellen. Vraag 2A graag ook beantwoorden voor de situatie met de nieuwe school in Groot-Ammers.
Antwoord 2a:
Het uitgangspunt van een gelijk speelveld blijft voor het college belangrijk. Het raadsvoorstel om de kwaliteitsnorm te verhogen introduceert een extra kwaliteitsniveau, waarbij de gemeente 8,5% van de meerkosten op zich neemt. Hiermee bieden we alle scholen hetzelfde uitganspunt en nemen we het voortouw. Het college blijft actief in
gesprek met schoolbesturen om te zorgen dat voor hen deze norm haalbaar en betaalbaar blijft. Ook in de fase van uitvoering en doorrekening denken wij mee over mogelijkheden en oplossingen. Hoewel er geen formele toezegging is om te gaan voor de verhoogde norm, is de mogelijkheid en bereidheid om samen verantwoordelijkheid te nemen op dit vlak groot.
Antwoord (2A voor Groot-Ammers en) 2b:In de plannen voor de nieuwbouw van de Brede
School in Groot-Ammers is uitgegaan van een sober en doelmatig ontwerp dat binnen de VNG-norm blijft. Wij zijn van mening dat de verhoogde kwaliteitsnorm ook voor dit project wenselijk zou zijn, mede voor betere energieprestaties, een gezonder binnenklimaat en meer flexibiliteit in het gebruik van ruimtes. Het alsnog toepassen daarvan zou leiden tot vertraging en extra kosten, omdat het project zich al in een uitvoerend stadium bevindt. Daarom wordt nu in overleg met de school bekeken of en in welke mate het mogelijk en zinvol is om elementen van de hogere norm alsnog te integreren, met oog voor de gevolgen voor planning en uitvoering.
Vraag 3: Met het genoemde amendement waarmee het besluit rond het IHP gewijzigd is vastgesteld, heeft de raad duidelijk aangegeven dat schoolgebouwen in het
basisonderwijs cruciale voorzieningen zijn waarvan de financiële lasten door de gemeente structureel gedragen moeten kunnen worden en daarmee de dekking gevonden moet
worden in de exploitatiebegroting van de gemeente. Het college wijkt in dit raadsvoorstel daarvan af door het inzetten van de reserve IHP die een beperkte(r) oormerk heeft. Kan het college aangeven waarom zij dit enerzijds valt binnen de grenzen van behoorlijk
bestuur, wetende dat bij de actualisatie van het IHP (en dus toekomstige nieuwbouw van de volgende tranche aan scholen) mag worden aangenomen dat deze financiële dekking nog steeds geldt?
Antwoord 3:
Het college erkent het amendement dat bij de vaststelling van het IHP in 2024 is aangenomen, waarin is vastgelegd dat kapitaallasten voor investeringen in schoolgebouwen via de exploitatiebegroting worden gedekt. Dit uitgangspunt blijft van kracht voor het deel van de investering dat overeenkomt met de VNG-norm.
Voor de verhoging van de kwaliteitsnorm (+15%) stelt het college voor om de gemeentelijke bijdrage van 8,5% te dekken uit de Reserve IHP. Deze keuze is gemaakt om de exploitatiebegroting niet verder te belasten, aangezien deze al onder druk staat door de uitvoering van het IHP. De reserve is specifiek bedoeld voor onderwijshuisvesting en biedt met de huidige ruimte de mogelijkheid om deze extra kwaliteitsinvestering te realiseren.
Het college ziet deze inzet als een verantwoorde oplossing. De basisinvestering blijft conform het amendement gedekt vanuit de exploitatie, terwijl voor de aanvullende kwaliteitsverhoging een bestemmingsreserve wordt gebruikt. Bij toekomstige actualisaties
van het IHP zal opnieuw worden gekeken naar structurele borging van kapitaallasten, zodat de uitgangspunten van de raad ook op langere termijn worden geborgd.
Bekijk de brief: Beantwoording vragen ChristenUnie - Verhoging kwaliteit en kosten schoolgebouwen
Bron: raadsinformatie van de gemeente Molenlanden (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.