vragen SGP - Toegang tot onafhankelijke cliëntondersteuning en afhandeling Wmo-casussen
Een raadslid stelde op 17 november 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Schriftelijke vragen aan het college (op basis van artikel 16 of artikel 55 Reglement van Orde)
Datum: 14 november 2025 Zaaknummer: 1261448 Steller van de vragen: Pieter Jacob Leenman Politieke partij: SGP Onderwerp:
Toegang tot onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO) en afhandeling Wmo-casussen RD Portefeuillehouder: Wethouder Harmen Akkerman Behandelend ambtenaren: Nina Noordermeer en Arnold Stuij Toelichting:
Als fractie ontvingen wij recent signalen van inwoners dat toegang tot passende
ondersteuning in het sociaal domein onder druk staat. Zo bereikten ons signalen dat de wachttijd voor onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO) bij MEE/Vivenz inmiddels 3-6
maanden bedraagt. Daar komt bij dat in het Reformatorisch Dagblad (september 2025) twee casussen zijn beschreven waarin inwoners uit Nieuw-Lekkerland langdurig
vastliepen bij Wmo-aanvragen voor noodzakelijke woningaanpassing en jeugdhulp. Ons beeld is dat deze situaties nog niet zijn afgerond of structureel zijn opgelost. Deze
signalen raken direct aan toegang en menselijke maat en het zorgvuldig toepassen van begrippen als “zelfredzaamheid” en “voorzienbaarheid”. Daarom de volgende vragen.
Vraag 1:
Klopt het dat de wachttijd voor onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO) bij MEE/Vivenz 3 maanden bedraagt en zelfs in voorkomende gevallen oploopt tot ca. 6 maanden?
Antwoord 1:
De wachttijd voor Onafhankelijke Clientondersteuning (OCO) vanuit MEE Plus (onderdeel van MEE Vivenz) met betrekking tot WMO-vragen is op dit moment voor inwoners van Molenlanden 3 maanden. Er staan op dit moment geen Molenlandse inwoners op de
wachtlijst voor OCO. Dat er desondanks sprake is van een wachttijd, heeft te maken met het feit dat de wachttijd bij MEE Plus, naast de hierna vermelde variabelen, ook wordt bepaald door vragen vanuit andere gemeenten dan de onze.
Verder kan de wachttijd ook nog door verschillende andere variabelen (aard van de ondersteuningsvraag, personele bezetting, etc.) fluctueren. Hierdoor is 3 maanden
wachttijd geen vast gegeven maar een momentopname. We zien dat er in het verleden
sprake is geweest van wachttijden die korter of langer waren dan 3 maanden, oplopend tot 6 maanden.
Inwoners kunnen overigens ook terecht bij het Sociaal Team voor cliëntondersteuning,
alleen is deze vorm van ondersteuning niet onafhankelijk van de gemeente. De wachttijd voor ondersteuning door het Sociaal Team is op dit moment 10 tot 12 weken.
Voor de volledigheid melden we dat OCO voor vragen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) een aparte dienst is, die via financiering van de Zorgkantoren aan inwoners wordt geboden, door o.a. MEE Plus. Voor deze OCO WLz geldt een eigen wachttijd.
Vraag 2:
Welke maximale wachttijd wordt door het collega als passend gezien binnen de wettelijke opdracht uit de Wmo 2015 en Jeugdwet, waarin gemeenten verplicht zijn inwoners toegang te bieden tot tijdige, onafhankelijke ondersteuning?
Antwoord 2:
Idealiter ervaren onze inwoners geen wachttijd voor OCO, maar de realiteit is anders. Dit heeft te maken met de manier van financieren en de daardoor noodzakelijke regionale samenhang voor OCO bij MEE Plus.
De wachttijd voor OCO is altijd punt van aandacht in de gesprekken met en
verantwoordingen van MEE Plus, omdat wachttijden impact hebben op inwoners in een kwetsbare situatie.
Daarbij geldt sowieso dat spoed- of crisis-casussen zorgvuldig gescreend worden en met voorrang worden opgepakt.
Vraag 3:
Welke concrete afspraken heeft de gemeente met MEE/Vivens gemaakt over
beschikbaarheid, maximale wachttijden, bereikbaarheid en kwaliteit van OCO? Graag de relevante contractbepalingen.
Antwoord 3:
MEE Plus ontvangt jaarlijks een subsidiebeschikking. In deze beschikking wordt
vastgelegd hoeveel uren inzet gesubsidieerd wordt (en dus beschikbaar is) voor het betreffende boekjaar. Tevens wordt hierin vastgelegd hoe de monitoring en
verantwoording moet plaatsvinden. Voor 2025 betreft dat 200 uur aan OCO-inzet.
Onlangs zijn binnen de beschikking budgetten herschikt, zodat er meer uren inzet voor OCO geleverd kan worden om aan de groeiende vraag naar OCO te kunnen voldoen.
Hierdoor is de wachttijd van 3 maanden niet opgelopen.
Overige afspraken betreffen werkafspraken die niet in de beschikking zijn vastgelegd. Zo worden aanmeldingen voor OCO aangenomen en gescreend door het Servicebureau van MEE Plus. Er wordt direct bij aanmelding bekeken of de inwoner zich op de juiste plek
meldt voor ondersteuning of dat een andere organisatie of vorm van hulp/ondersteuning beter passend is. Het Servicebureau is dagelijks bereikbaar voor inwoners.
OCO-medewerkers van MEE Plus moeten voldoen en blijven voldoen (door bijvoorbeeld bijscholing) aan kwaliteitseisen middels kwaliteitswaarborg Registerplein.
Een maximale wachttijd is niet vastgelegd, maar de wachttijd wordt minstens elk kwartaal gemonitord en overlegd. We zoeken binnen onze mogelijkheden gezamenlijk naar oplossingen om de wachttijden zo kort mogelijk te houden.
Vraag 4: In het RD van september ’25 werd verslag gedaan van twee langdurige en ingrijpende casussen in Nieuw-Lekkerland, waarbij inwoners niet of pas na jaren
passende ondersteuning ontvingen. De wethouder heeft eerder officieus toegezegd met
beide families in gesprek te gaan. Kan het college aangeven of deze gesprekken hebben plaatsgevonden, wat de uitkomsten en bevindingen waren, en hoe beide casussen inmiddels concreet zijn opgelost?
Antwoord 4:
Mede omwille van de privacy doen wij geen uitspraken over individuele casussen en daarom ook niet hoe beide in het RD vermelde casussen zijn opgelost. Wat we
procedureel kunnen melden, is dat in de eerste casus een gesprek met de wethouder heeft plaatsgevonden en dat dit een vervolg krijgt.
De tweede casus is nog in behandeling bij het Sociaal loket, waarvan eerst de uitkomst wordt afgewacht.
Vraag 5:
In beide RD-casussen – en in aanvullende signalen van inwoners – lijkt het begrip “u had dit kunnen voorzien” of “u moet het zelf oplossen” te zijn gebruikt als grond om
noodzakelijke ondersteuning te weigeren of af te houden. Hoe borgt het college dat de begrippen “zelfredzaamheid” en “voorzienbaarheid” niet worden misbruikt als afwijzingsgrond bij Wmo- en jeugdtoegang?
Antwoord 5:
Overeenkomstig de gemeentelijke Wmo-verordening verstrekt het college enkel een
maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie én de cliënt ondanks gebruik van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale
netwerk, algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen, niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie . De eigen verantwoordelijkheid van de inwoner is in het wettelijk stelsel uitgangspunt.
De volgende voorbeelden maken dat wellicht duidelijker: -
Als een inwoner fysiek in staat is om met het openbaar vervoer te reizen, komt men niet in aanmerking voor de MolenHopper.
-
Als op het adres van een inwoner met een beperking ook een huisgenoot woont zonder beperkingen, wordt verwacht dat diegene het huishouden doet en wordt er door de gemeente geen huishoudelijke ondersteuning toegekend.
-
Als een inwoner zelfstandig woont en beschikt over een indicatie van het CIZ voor de Wet langdurige zorg, dient eventuele dagbesteding georganiseerd en bekostigd te worden door het Zorgkantoor en niet de gemeente.
Het is aan de gemeente om dit zorgvuldig en op uniforme wijze te onderzoeken. Dit
onderzoek bestaat uit een gesprek met de inwoner en eventuele mantelzorger. Soms is het noodzakelijk om aanvullend medisch advies op te vragen. De conclusie uit het
onderzoek kan zijn, dat de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.
Of dat hij in staat wordt geacht het zelf of met hulp van zijn netwerk op te lossen. Of er kan aanspraak worden gemaakt op een algemene voorziening of een (wettelijke)
voorliggende voorziening. Het Sociaal loket zal de inwoner zo goed mogelijk informeren en adviseren hoe de hulpvraag dan wel kan worden opgelost.
Het begrip ‘voorzienbaar’ verwijst in deze context met name naar de invulling van de
eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de eigen gezondheidssituatie. Zo is het soms
voorzienbaar (of anders gezegd: mag je verwachten) dat door een aandoening op termijn problemen kunnen ontstaan bij het gebruik van de woning. Dan mag van een inwoner
worden verwacht dat hij of zij daar zoveel mogelijk rekening mee houdt. Een voorbeeld daarvan is dat iemand met een ernstige mobiliteitsbeperking verhuist naar een woning met een trap en vervolgens een aanvraag indient voor een traplift. Maar meestal is het
niet zo zwart-wit en wordt op basis van maatwerk in goed overleg wel een (deel)oplossing gevonden.
Belangrijk is dat elke individuele aanvraag op de eigen merites wordt beoordeeld,
uiteraard binnen de grenzen van wet- en (lokale) regelgeving en dat daarmee maatwerk wordt geleverd zonder dat sprake is en mag zijn van willekeur.
Vraag 6:…
Bron: raadsinformatie van de gemeente Molenlanden (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.