vragen SGP - Toetsing locaties asielopvang
Een raadslid stelde op 24 februari 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Schriftelijke vragen aan het college (op basis van artikel 16 of artikel 55 Reglement van Orde)
Datum:16 februari 2026 Zaaknummer: 1262403 Steller van de vragen: Corné Egas Politieke partij: SGP Onderwerp: RV Toetsing locaties Asielopvang Portefeuillehouder: Wethouder Bikker Behandelend ambtenaar: Fay Hakkesteegt en Menno Keller Toelichting: Artikel website Het Kontakt dd vrijdag 13 februari 2026
Vraag 1: Heeft het college kennisgenomen van het artikel op de website van Het Kontakt met als titel: CDA: maximaal 30 asielzoekers in Arkel etc… Antwoord 1: Ja, hier hebben we kennis van genomen.
Vraag 2: Intussen heeft onze fractie ook kennisgenomen van het voorgenomen
amendement. Om uiteindelijk een goede afweging te kunnen maken heeft onze fractie de volgende vragen: Op 25 september heeft de raad een amendement aangenomen waarin de mogelijkheid tot aanwijzen van kleinere locaties mogelijk gemaakt wordt. De raad
heeft echter twee belangrijke voorbehouden gemaakt. 1. Er zijn geschikte locaties en 2
Het moet financieel haalbaar zijn. Welke organisatorische maatregelen moet de gemeente
Molenlanden nemen om überhaupt 8 locaties in eigen beheer te managen, moet er binnen de ambtelijke organisatie een compleet nieuwe afdeling geïmplementeerd worden en wat zijn de kosten die hiermee gemoeid zijn?
Antwoord 2:
Doordat bij een opvanglocatie onder de 75 personen de gemeente in zijn totaliteit
verantwoordelijk is voor de opstart alsmede het beheer en exploitatie per locatie brengt
dit veel extra ambtelijke capaciteit met zich mee. Denk bijvoorbeeld aan het aanbesteden van beveiliging, contractbeheer, administratieve handelingen, locatiemanagement,
begeleiding, financiële administratie, communicatie, beheer en onderhoud locaties.
Hierin is de praktische haalbaarheid van 8 locaties nog niet meegenomen. Het is de vraag of er überhaupt genoeg geschikte locaties van een dergelijke schaal te vinden zijn. De
kans is aanwezig dat er bij dergelijke locaties ‘loze ruimte’ is die onbenut blijft om niet
boven het door het CDA gestelde maximum van 30 mensen te komen, waar bijvoorbeeld wel huur voor betaald moet worden. Ook wordt het spreidingsvraagstuk ingewikkelder, niet alleen zijn er 8 geschikte locaties nodig, deze moeten ook nog zo veel mogelijk verspreid zijn over de gemeente.
Het programmateam asiel en migratie en aanpalende teams moeten in zo’n geval
structureel worden uitgebreid. Het exacte aantal fte’s en bijbehorende kosten is op dit
moment lastig in te schatten, maar zijn naar verwachting aanzienlijk. Een kleinere locatie betekent niet dat je minder ambtelijke capaciteit per locatie nodig hebt, zeker in de
opstart en realisatiefase. De ambtelijke capaciteit per locatie blijft hetzelfde, wat betekent dat je over 8 locaties in totaliteit meer capaciteit nodig hebt. Zo heb je op 8 locaties
intensieve trajecten met de omgeving en direct omwonenden, waar zowel bestuurlijke als ambtelijke vertegenwoordiging aanwezig is. Ook geldt dit bijvoorbeeld voor de (financiële) administratie en verantwoording aan het Rijk, het
projectleiderschap/coördinatie per locatie en de inzet van collega’s verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de buitenruimte, vergunningen, riool en de structurele inzet bij
omgevingsoverleggen. De inzet per locatie blijft dus hetzelfde, ongeacht de grootte.
Vraag 3. Hoeveel kosten moet de gemeente meer maken voor het verwerven van 6-9 locaties in vergelijking tot de 3 uit het RV?
Vraag 4. Daarnaast exploderen volgens de SGP-fractie de exploitatiekosten door
fragmentatie (beveiliging (24/7), begeleiding, zorg, beheer). Een netwerk van 8–9 locaties van ~30 bewoners betekent: meervoudige 24/7 bereikbaarheid, toezicht, BHV, huisregels/handhaving, incidentafhandeling en (geestelijke) gezondheidszorg.
Meervoudige contracten (schoonmaak, catering/voeding, afval, vervoer, facilitaire dienst, onderhoud). Meervoudige afstemming met politie, GGD, onderwijs,
vrijwilligerscoördinatie. Kan het college een inschatting maken van bovengenoemde kosten (kosten die in het geval van 75+ voor het COA zijn)?
Vraag 5. Als de gemeente de opvang zelf ter hand neemt, staat daar een vergoeding per
nacht tegenover. Als deze inkomsten gezet worden tegenover de lasten uit de voorgaande vragen, wat is dan de netto extra last die de gemeente jaarlijks heeft te dragen?
Vraag 6. Heeft de gemeentebegroting meerjaarlijks deze ruimte, met andere woorden zal er moeten worden bezuinigd in het geval het in het artikel genoemde voorstel wordt aangenomen?
Antwoord op vraag 3,4,5 en 6:
Voor het verwerven en realiseren van een locatie is het lastig om de kosten in te schatten.
Dit hangt van veel variabelen af, bijvoorbeeld of de locatie moet worden aangekocht of al
in eigendom van de gemeente is. Of dat een bestaand gebouw gebruikt kan worden of dat er nieuwbouw of units nodig zijn. Deze kosten resulteren in rente- en afschrijvingskosten voor de exploitatie. Ook de andere exploitatiekosten zijn erg lastig in te schatten zonder uitgewerkte businesscase.
Als we een locatie realiseren met de omvang van 30 personen zijn de kosten voor
rekening van de gemeente en krijgen we hiervoor een vergoeding. Die ligt nu op 78 euro per opvangplek per nacht. Het risico bestaat dat dit lager wordt. De afgelopen jaren is deze vergoeding al teruggebracht van 150 naar 78 euro. Ook bij de Oekraïneopvang hebben we een steeds lagere vergoeding van het Rijk ontvangen.
Als we ondanks alle variabelen toch een (conservatieve) inschatting maken denken we dat dit uitkomt op ongeveer €250.000 per jaar per locatie. Een netwerk van 8-9 locaties zou de begroting van Molenlanden structureel met grofweg €2 miljoen per jaar belasten.
De in november vastgestelde meerjarenbegroting heeft een positief saldo in 2029 van €
72.000. Om deze lasten te kunnen dragen zou er in de begroting voor €2 miljoen per jaar ruimte gevonden moeten worden, gedurende een periode van 10 jaar. Dit komt, zonder
indexatie, op een totaal van €20 miljoen. Dit komt boven op de ruimte die gevonden moet worden voor de toekomstige lasten van het IHP.
Vraag 7. In het voorstel wordt ongeveer de helft van de opgave doorgeschoven naar de toekomst, wat vindt het college hiervan?
Antwoord 7: Dit lijkt ons niet wenselijk en niet passen binnen het in september 2025
genomen besluit en bijbehorende tijdspad van uw raad. Versnellen in het proces werd
daarbij benadrukt. De druk op het aanmeldcentrum in Ter Apel is daarnaast nog steeds aanwezig, de officiële maximale capaciteit wordt deze week ook weer overschreden.
Vraag 8. Onderzoek van het WODC (onderdeel van Ministerie van Justitie en Veiligheid) laat zien dat integratie niet afhangt van de omvang van een opvanglocatie, maar van
stabiliteit, begeleiding en participatie. Kleinschaligheid zonder professionele organisatie vergroot vooral de uitvoeringsrisico’s en kwaliteitsverschillen. Met andere woorden: spreiden over kleine locaties verhoogt complexiteit, maar levert geen bewezen
integratiewinst op. Integratie organiseer je met programma en structuur, Wat is het oordeel van het college op het mantra “kleiner is beter”?
Antwoord 8: Een zeer kleinschalige locatie (20-30 personen) is kwalitatief niet beter dan een locatie van bijvoorbeeld 75 personen. Goede en passende begeleiding is een basisbeginsel van kwalitatief hoogwaardige opvang. Dit geldt voor zowel
locatiemanagement, de woonbegeleiders als de beveiliging. Dit zien we terug op de
Tijdelijke Gemeentelijke Opvang in Bleskensgraaf, waar veel begeleiding en ondersteuning is om mensen te begeleiden naar werk en een zinvolle dagbesteding te bieden. Met een
zeer kleinschalige opvanglocatie van 20-30 mensen kan je deze begeleiding niet bieden zonder forse gemeentelijke investering. Hier heb je een bepaalde schaalgrootte voor
nodig. Een locatie van 20-30 personen biedt te weinig ondersteuning om veiligheid van bewoners en omwonenden te waarborgen en passende begeleiding te bieden aan deze
kwetsbare doelgroep. Er zijn professionele krachten nodig voor een passende invulling van de ondersteuning. De samenleving (betrokken inwoners, diaconieën en
maatschappelijk middenveld) kan hierbij ondersteunen. Het korten op belangrijke
onderdelen van menswaardige, veilige en toekomstbestendige opvang weegt niet op tegen de voordelen van kleinschaligheid (20-30 personen per locatie).
Vraag 9. Veiligheid en leefbaarheid: je spreidt ook je risico’s én je capaciteit. Meer locaties betekent meer plekken waar politie/handhaving moet schakelen, meer onduidelijkheid bij inwoners (“waar komen ze nu precies?”), moeilijker om een sterk veiligheidsarrangement neer te zetten. Klopt deze stelling volgens het college?
Antwoord 9: Ja, deze stelling klopt. Per locatie wordt, in samenspraak met de omgeving,
een plan van aanpak opgesteld. Meerdere facetten van veiligheid spelen hierbij een grote rol.
Tijdens de recent gehouden informatiebijeenkomsten (in totaal 8 in Arkel, Bleskensgraaf…
Bekijk de brief: Beantwoording vragen SGP - Toetsing locaties asielopvang
Bron: raadsinformatie van de gemeente Molenlanden (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.