vragen VPC -1e burap 2026 DG&J
Een raadslid stelde op 17 september 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Schriftelijke vragen aan het college Datum: 8 september 2026 Zaaknummer: 1283864 Steller van de vragen: Verbonden Partijen Commissie Onderwerp: Zienswijze 1e burap 2026 GR DG&J Portefeuillehouder: Sanne Zijlstra Behandelend ambtenaar: Anouk Groenen / Marije Mulder / Janneke van den Heuvel Toelichting:
Op 7 september heeft de Verbonden Partijen Commissie zich gebogen over de 1e burap 2026 van de DG&J. Conform haar taak richt de commissie zich op technische aspecten, zoals risico’s, governance en sturingsmogelijkheden voor de gemeenteraad.
Naar aanleiding van de bespreking heeft de commissie de onderstaande technische vragen geformuleerd.
Vraag 1:
In de bestuursrapportage wordt aangegeven dat de tariefsaanpassing als gevolg van het kostprijsonderzoek leidt tot een lastenverhoging van € 6,4 miljoen. Kan worden toegelicht welke ontwikkelingen uit het kostprijsonderzoek deze stijging veroorzaken en op welke wijze de kostprijzen en tarieven in de toekomst worden bepaald en geactualiseerd?
Antwoord 1:
Bij het verlengen van de contracten met zorgaanbieders jeugdhulp per 1-1-2026 is in 2025 wegens een wettelijke verplichting een kostprijsonderzoek, inclusief markconsultatie, naar de tarieven jeugdhulp uitgevoerd. Met dit kostprijsonderzoek moet worden vastgesteld of de tarieven toereikend zijn voor de kostenstructuur van de zorgaanbieders. Uit het onderzoek bleek dat de tarieven niet toereikend waren.
De belangrijkste oorzaken van de lastenstijging zijn:
• Hogere CAO-lonen en werkgeverslasten: circa € 3,25 miljoen;
• Verhoging van het ziekteverzuimpercentage naar actuele sectornormen: circa € 2,0 miljoen;
• Opname van personeel niet in loondienst (PNIL) als afzonderlijke kostprijscomponent: circa € 1,2 miljoen;
• Correctie van productiviteit en functiemix op basis van cao-bepalingen en landelijke statistieken: circa € 0,6 miljoen;
De totale financiële impact van deze tariefherijking bedraagt € 6,4 miljoen. Het betreft hierbij geen beleidsmatige keuze maar een aanpassing die voortvloeit uit wettelijke eisen rondom reële tarieven.
In de vergadering van het Algemeen Bestuur op 18 december 2025 is besloten dit voor 2026 door te voeren. Tegelijkertijd hebben aanbieders voor 2027 en verder een ontwikkelopdracht gekregen om het ziekteverzuim te reduceren en in de inhuur terug te brengen. Aan de realisatie van de baten uit de ontwikkelopdracht zijn onzekerheden verbonden.
De AMvB reële prijzen Jeugdwet schrijft voor met welke kosten rekening moet worden gehouden bij het bepalen van een reële prijs voor jeugdhulp.
Vraag 2:
Op pagina 11 wordt aangegeven dat de totale rijksbijdragen voor jeugdhulp in 2026 naar verwachting circa € 4 miljoen hoger zijn dan de geraamde kosten van de jeugdhulp in de regio. Daarbij wordt opgemerkt dat dit beeld per gemeente verschilt. Kan voor de gemeente Molenlanden inzichtelijk worden gemaakt hoe deze verhouding uitpakt?
Ontvangt Molenlanden meer of minder rijksmiddelen voor jeugdhulp dan de geraamde kosten en wat is daarbij het saldo?
Antwoord 2:
De genoemde € 4 miljoen betreft een analyse op regionaal niveau, waarbij de geraamde kosten van de jeugdhulp (zowel de kosten voor de zorgmarkt als de kosten voor de Jeugdteams, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en Veilig Thuis) zijn afgezet tegen de middelen voor jeugdhulp die het Rijk landelijk via het gemeentefonds beschikbaar stelt. Hiermee wordt getracht inzicht te geven in de kostendekkendheid van de rijksbijdrage. Conform deze berekening ontvangt Molenlanden meer Rijksmiddelen voor jeugdhulp dan de geraamde kosten.
Als je een dergelijke berekening echter zorgvuldig uit wilt voeren is dit vrij complex. Zo kunnen we in de circulaires wel een specificatie per cluster zien (welke de SOJ dus gebruikt op regionaal niveau), maar is niet specifiek gemaakt welke kosten hier allemaal onder vallen. Doordat wij bijvoorbeeld Jeugdhulp naar voren hebben gehaald hebben we eigenlijk middelen verschoven naar de sociale basis, die ‘officieel’ onder jeugdhulp zouden vallen.
Daarnaast zijn de middelen voor jeugdhulp geen afzonderlijke uitkering, maar onderdeel van de algemene uitkering. De hoogte van de Algemene Uitkering van het Gemeentefonds wordt bepaald aan de hand van diverse parameters. Dit is niet meer of minder dan een rekeneenheid om de hoogte van de Algemene Uitkering te bepalen. In onze uitgangspunten voor de meerjarenbegroting is opgenomen dat de ramingen binnen het sociale domein gebaseerd zijn op de verwachte uitgaven en is er geen relatie met de inkomsten uit het Gemeentefonds.
Een specifiek saldo is dus complex, maar we kunnen wel constateren dat we als Molenlanden – ook nu de kosten weer stijgen – in verhouding tot de middelen die we ontvangen op basis van diverse parameters (o.a. aantal jongeren) er vooralsnog positief uitkomen.
Vraag 3:
In de financiële tabel op p.6 resteert na verwerking van de voorgestelde begrotingswijzigingen een geraamd negatief resultaat van € 195.000 voor de DG&J als geheel. Kan worden toegelicht op welke wijze dit resterende tekort wordt gedekt en of hiervoor een beroep wordt gedaan op reserves of andere financieringsbronnen?
Antwoord 3:
Een (eventueel) negatief resultaat wordt gedekt uit reserves.
Bekijk de brief: Beantwoording vragen VPC -1e burap 2026 DG&J
Bron: raadsinformatie van de gemeente Molenlanden (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.