vragen VVD - Verhoging kwaliteit schoolgebouwen_
Een raadslid stelde op 16 december 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Schriftelijke vragen aan het college (op basis van artikel 16 of artikel 55 Reglement van Orde)
Datum: 21 november 2025 Zaaknummer: 1243521 Steller van de vragen: Bert Snoek Politieke partij: VVD Molenlanden Onderwerp: Verhoging kwaliteit schoolgebouwen Portefeuillehouder: Wethouder H. Akkerman Behandelend ambtenaar: Wilton Christiaanse en Anne Duine Toelichting:
VVD Molenlanden gaat uit van passende onderwijshuisvesting ten behoeve van kwalitatief goed onderwijs in de kernen van onze gemeente.
Dit raadsvoorstel vraagt om toepassing van een verhoogde norm (VNG-norm + 15% conform
advies van Hevo) bij de kosten voor vernieuwing van de eerste 13 schoolgebouwen binnen het Integraal Huisvestings Plan (IHP).
Bij het opstellen van de vragen is tevens gebruik gemaakt van de presentatie op de Beeldvormende avond voor de gemeenteraad door Hevo d.d. 24 juni 2025.
Toelichting vragen 1, 2, 3 en 4.
In het raadsvoorstel gebruikt u de woorden ‘het gewenste kwaliteitsniveau’ en noemt u twee voorbeeldgemeenten.
Vraag 1 :
Is er in de context van dit raadsvoorstel ook een noodzakelijk kwaliteitsniveau?
Antwoord vraag 1:
Het minimale kwaliteitsniveau is wat voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Dit is dus volgens het Bouwbesluit het noodzakelijke, maar vormt de wettelijke ondergrens plus BENG (Bijna Energieneutraal) en Frisse Scholen.
De praktijk laat zien dat dit niet altijd aansluit bij het kwaliteitsniveau dat in de praktijk wenselijk is. Om dat kwaliteitsniveau te behalen is de verhoogde norm noodzakelijk.
Vraag 2a en 2b :
Kunt u in uw antwoord nader aangeven of en in welke mate alle onderdelen van de ‘Hevo-
presentatie’ van 24 juni 2025 tot de categorie ‘noodzakelijk’ behoren en vallen daar ook de
klimatisering van de verkeersruimten, de investering in stedenbouwkundige kwaliteit en het aanbrengen van paneelwanden ten behoeve van hedendaagse onderwijsconcepten onder?
Antwoord vraag 2a en 2b:
De onderdelen uit de presentatie zijn noodzakelijk om het gewenste kwaliteitsniveau te bereiken. Daar vallen dus inderdaad ook de verkeersruimten, investering in stedenbouwkundige kwaliteit en het aanbrengen van paneelwanden onder.
Deze onderdelen vallen niet onder het Bouwbesluit (minimale kwaliteitseis).
Vraag 3 :
Kunt u nader toelichten waarom u de 2 voorbeeldgemeenten vermeld?
Antwoord vraag 3:
Dit ter onderbouwing van het voorstel. Ook andere gemeenten zetten in op een hogere norm: in de directe omgeving bijvoorbeeld Hardinxveld-Giessendam..
Vraag 4 :
Zijn er bij u gemeenten bekend die bij de nieuwbouw van scholen de VNG-norm hanteren en kunt u kort aangeven welke ervaringen dat oplevert? Mogelijk kunt u hierbij ook het schoolproject in Groot-Ammers betrekken.
Antwoord vraag 4 Er zijn gemeenten die bij de nieuwbouw van scholen de VNG-norm als uitgangspunt hanteren.
Deze normbedragen zijn bedoeld als standaardbudgetten die in theorie toereikend zouden moeten zijn om een project volgens de wettelijke eisen (plus BENG en Frisse Scholen) te realiseren (sober en doelmatig).
In de voorlopige plannen voor de nieuwbouw van de Brede School in Groot-Ammers is uitgegaan van een sober en doelmatig ontwerp dat binnen de VNG-norm blijft.
Wij zijn van mening dat de verhoogde kwaliteitsnorm ook voor dit project wenselijk zou zijn, mede voor betere energieprestaties, een gezonder binnenklimaat en meer flexibiliteit in het gebruik van ruimtes. Het alsnog toepassen daarvan zou leiden tot vertraging en extra kosten, omdat het project zich al in een uitvoerend stadium bevindt. Daarom wordt in overleg met de school bekeken of en in welke mate het mogelijk en zinvol is om elementen van de hogere norm alsnog te integreren, met oog voor de gevolgen voor planning en uitvoering.
Deze situatie laat zien dat het hanteren van de VNG-norm in de praktijk vaak betekent dat er concessies nodig zijn om binnen het budget te blijven. Dit bevestigt dat aanvullende maatregelen voor duurzaamheid of extra functionaliteit, niet zonder extra middelen kunnen worden gerealiseerd.
Toelichting vragen 5 en 6.
Schijnbaar is er sprake van een tegenstrijdigheid tussen de tekst van het raadsvoorstel (1e alinea bladzijde 2 en het punt 1.1. (Argumenten). Ter verificatie > In de VNG-norm is het
onderwerp BENG opgenomen. In de verhoogde norm (die mogelijk wettelijk verplicht wordt gesteld vanaf 2028) is het onderdeel ENG opgenomen.
Vraag 5 :
Is het gestelde in de toelichting juist?
Antwoord vraag 5 :
Hier had inderdaad moeten staan ‘Energieneutraal gebouw’ en niet Bijna Energieneutraal Gebouw. Dit wordt/ is aangepast in het raadsvoorstel.
Vraag 6 :
Kunt u aangeven wat de status qua wetgeving/regelgeving/voorschriften van deze mogelijke ENG-verplichting is?
Antwoord vraag 6:
Dit is complex en afhankelijk van de ontwikkeling van landelijke wetgeving. In Europa zijn afspraken gemaakt over de energietransitie in de gebouwde omgeving. Dit is vastgelegd in de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD), vastgesteld in mei 2024. De herziene EPBD stelt als einddoel een emissievrije gebouwenvoorraad in 2050, met tussendoelen die helder maken wat op weg daarnaartoe nodig is. Lidstaten hebben tot eind mei 2026 de tijd om de aangepaste EPBD om te zetten naar nationaal beleid en regelgeving. Emissievrij betekent in de EPDB ZEB (Zero Emission Building). ZEB vertaalt zich in vier aspecten van een gebouw en ziet erop toe dat een gebouw:
1. Zeer weinig energie nodig heeft voor verwarming en/of koeling.
2. Efficiënte installaties heeft.
3. Vrij is van fossiele emissies op het eigen perceel ("aardgasvrij").
4. De benodigde energie zoveel mogelijk invult met hernieuwbare energie door opwek op of bij het gebouw of via lokale warmtenetten.
Over de exacte norm voor ZEB wordt eind 2026 helderheid verwacht, dit wordt vanaf 2030 ingevoerd. De verwachting is dat dit minimaal ENG zal betreffen. Bij een volgende actualisatie van het IHP zal weer naar de dan geldende wet- en regelgeving moeten worden gekeken.
Inleiding vraag 7.
Op pagina 3 (punt 1.4, 2e zin) meldt u dat er met de meeste schoolbesturen de ophoging van de norm is besproken.
Vragen 7a, 7b en 7c :
Met welke scholen is er niet gesproken, met welke reden is dat en bent u van plan actie te nemen om ook hun standpunt te achterhalen?
Antwoord vraag 7a, 7b, 7c De formulering van de zin heeft mogelijk tot onduidelijkheid geleid. Met alle schoolbesturen is namelijk de ophoging van de kwaliteitsnorm besproken in collectief verband (OOGO).
Daarnaast is met veel van hen individueel hierover gesproken.
Inleiding vraag.
In diverse alinea geeft u aan dat uit gesprekken met de schoolbesturen blijkt dat er draagvlak is om de verhoogde norm toe te passen. Om daarbinnen door de schoolbesturen de bijdrage van 6,5% in te vullen is er bereidheid, vormt het een uitdaging en is de basishouding constructief van aard. Maar een toezegging kan (om meerdere redenen) niet of nog niet worden gedaan.
Daarnaast is afgesproken dat uiterlijk bij het voorlopig ontwerp (VO) per project definitief wordt besloten over de toepassing en bekostiging van de verhoogde norm.
Vraag 8 :
Waarom heeft u bij de afstemming met de ‘meeste’ schoolbesturen er niet voor gekozen te komen tot het ondertekenen van een intentieovereenkomst/convenant (of een dergelijk
instrument) om het commitment van de bijdrage van 6,5% van de verhoogde norm meer vorm, inhoud, kenbaarheid en ruchtbaarheid te geven?
Antwoord vraag 8 Bij de afstemming met de schoolbesturen is niet gekozen voor het ondertekenen van een intentieovereenkomst of convenant. Hoewel de gemeente deze wens heeft uitgesproken, konden de schoolbesturen in dit stadium nog geen formele toezegging doen. Dit heeft meerdere redenen: de financiële consequenties van de verhoogde norm en de exacte (ruimtelijke en functionele) opbrengsten voor de schoolbesturen zijn op dit moment nog niet volledig inzichtelijk.
Pas wanneer de projecten verder worden uitgewerkt en tot uitvoering komen, ontstaat er duidelijkheid over wat de toepassing van de verhoogde norm concreet betekent. Juist die helderheid maakt dat wij verwachten dat schoolbesturen op een later moment wél zullen instemmen. Het huidige procesvoorstel is daarom een zorgvuldig gekozen compromis, waarbij is afgesproken dat uiterlijk bij het voorlopig ontwerp (VO) per project definitief wordt besloten over de toepassing en bekostiging van de verhoogde norm. Als gemeente nemen we die verantwoordelijkheid als de schoolbesturen zich ook kunnen committeren.
Inleiding vraag 9.
In punt 1.4 op bladzijde 5 is gemeld dat de keuze voor extra kwaliteit per project gemaakt kan worden. Onder verwijzing naar onze vragen genoemd bij 2 is er blijkbaar geen sprake van een noodzakelijke invulling van alle punten. Er is keuzevrijheid.
Vraag 9A :
Klopt de constatering zoals bij de inleiding is aangegeven?
Antwoord vraag 9a Nee, deze constatering is niet juist.…
Bekijk de brief: Beantwoording vragen VVD - Verhoging kwaliteit schoolgebouwen_
Bron: raadsinformatie van de gemeente Molenlanden (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.