20 oktober 2022 · artikel 35-vragen · gemeente Nissewaard

Memo beantwoording vragen bestuursverslag 2021

Een raadslid stelde op 20 oktober 2022 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (13 vragen).

In het kort

13 vragen en wat het college antwoordt

  • Pagina 6: In de disclaimer staat ‘Cijfers die gebruikt zijn, zijn over 2021 veelal nog niet definitief’ en ‘De cijfers over 2020 zijn grotendeels wel definitief.’ Kan… → In het bestuursverslag wordt in veel gevallen gebruik gemaakt van cijfers van het CBS.
  • Pagina 7: De bestaanszekerheid verbeterd grotendeels in Nissewaard wel stijgt het aantal 55plussers in de uitkering. → De groep 55-plussers in de bijstand zit meestal al langere tijd in de bijstand.
  • Pagina 7: Kan uitgelegd worden hoe de daling van het aantal jeugdigen met jeugdhulp tot 18 rijmt met de forse stijging van het aantal 18 – 23 jarigen met verlengde… → De daling van het aantal jeugdigen met jeugdhulp tot 18 jaar is in lijn met beleid om te ‘normaliseren’ en te bezien welke andersoortige oplossingen mogelijk zijn, in plaats van…
  • Pagina 7: ‘Een op de tien kinderen in Nissewaard haalt het basisniveau taal- en of rekenen niet.’ Kan uitgelegd worden waardoor dit kan en wat hiertegen gedaan wordt? → Vanaf het vierde/vijfde jaar zijn basisscholen verantwoordelijk voor het aanleren van vaardigheden in taal of rekenen.
  • Pagina 8: ‘Momenteel wordt gewerkt aan een overzicht van doelen en bijbehorende inspanningen om die doelen te gaan bereiken.’ Wanneer kan de raad dit overzicht… → Volgens de huidige planning zullen de doelen begin 2023 ter vaststelling aan de raad worden aangeboden.
  • Pagina 10: Kan de daling uitgelegd worden van het percentage inwoners dat deelneemt aan activiteiten in wijkgebouw, van clubs of van verenigingen. → Deze grafiek gaat over inwoners die deelnemen aan activiteiten.
  • Pagina 10: Waarom vindt er niet jaarlijks een meting plaats over eenzaamheid? → Landelijk wordt eenzaamheid eens per 2 jaar gemeten door CBS als onderdeel van het onderzoek Sociale samenhang en welzijn.
  • Pagina 10: Er staat dat met de cijfers die nu bekend zijn ‘voor volwassenen het doel uit de vorige collegeperiode behaald dat eind 2022 niet meer inwoners zich (zeer)… → Het zijn de laatst bekende cijfers waar we ons op kunnen baseren.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Memo aan

van

de leden van de raad

wethouders Struijk en Postma

datum

pagina

12 oktober 2022

1 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021 In de memo bij het bestuursverslag sociaal domein over 2020 hebben wij u in de gelegenheid gesteld (technische) vragen voorafgaand aan de behandeling in de commissie te stellen. In deze memo staan antwoorden op de ingediende vragen in volgorde van ontvangst.

Vragen Jong Nissewaard

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Pagina 6: In de disclaimer staat ‘Cijfers die gebruikt zijn, zijn over 2021 veelal nog niet definitief’ en ‘De cijfers over 2020 zijn grotendeels wel definitief.’ Kan uitgelegd worden waarom de cijfers voor 2021 veelal nog niet definitief zijn en waar en waarom er nog gaten liggen in de cijfers over 2020?

Antwoord van het college

In het bestuursverslag wordt in veel gevallen gebruik gemaakt van cijfers van het CBS.

Zeker wanneer er vergelijking met landelijke cijfers wordt gemaakt. CBS corrigeert achteraf nog cijfers, omdat er soms met terugwerkende kracht zaken worden aangepast. Bijvoorbeeld als met terugwerkende kracht een voorziening wordt beëindigd of toegekend. Hierdoor kan het zijn dat als u grafieken of tabellen uit het bestuursverslag 2021 vergelijkt met diezelfde grafieken of tabellen in bestuursverslag 2020, de cijfers iets kunnen afwijken. In cijfers over eerdere jaren zijn die correcties reeds verwerkt, echter garantie dat er geen wijzigingen meer komen, geeft het CBS niet. Vandaar het woord ‘grotendeels’ in de zin, om een slag om de arm te kunnen houden. Wijzigingen met terugwerkende kracht zijn echter beperkt, waardoor het de grote lijnen niet beïnvloedt.

Vraag 2

Pagina 7: De bestaanszekerheid verbeterd grotendeels in Nissewaard wel stijgt het aantal 55plussers in de uitkering. Kan hier een verklaring voor gegeven worden alsmede een uitleg wat momenteel de aanpak is?

Antwoord van het college

De groep 55-plussers in de bijstand zit meestal al langere tijd in de bijstand. Een groot deel van deze groep is vrouw. Vaak zijn deze vrouwen door scheiding in de bijstand gekomen, op het moment dat er nog (jonge) kinderen te verzorgen waren. De Participatiewet geeft in artikel 9, vierde lid en artikel 9a, beperkingen aan de arbeidsplicht voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar. Het gevolg is dat deze vrouwen vaak een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, tegen de tijd dat de reguliere verplichtingen gaan gelden. Dan is het moeilijk nog uit de bijstand te geraken en worden ze uiteindelijk ook 55-plusser.

Postadres Postbus 25, 3200 AA Spijkenisse Bezoekadres Raadhuislaan 106, 3201 EL Spijkenisse Telefoon 14 0181 E-mail [email protected] www nissewaard.nl

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

2 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Momenteel wordt gewerkt aan het opstellen van doelen voor deze collegeperiode. Ontwikkeling van bijstandsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt is daar in deze periode expliciet onderdeel van. De aanpak die hierbij hoort, wordt momenteel ontwikkeld.

Vraag 3

Pagina 7: Kan uitgelegd worden hoe de daling van het aantal jeugdigen met jeugdhulp tot 18 rijmt met de forse stijging van het aantal 18 – 23 jarigen met verlengde jeugdhulp? Heeft dit bijvoorbeeld te maken met langdurige problematiek t.o.v. minder redenen voor instroom?

Antwoord van het college

De daling van het aantal jeugdigen met jeugdhulp tot 18 jaar is in lijn met beleid om te ‘normaliseren’ en te bezien welke andersoortige oplossingen mogelijk zijn, in plaats van specialistische jeugdhulp. De instroom in de jeugdhulp daalt daardoor. Vanaf 18 jaar, kan geen instroom meer plaatsvinden in de jeugdhulp. De stijging in de groep 18-23-jarigen heeft dus te maken met verlaagde uitstroom uit jeugdhulp. Wat hier de exacte oorzaak van is, is niet bekend. Dit vergt dossier-onderzoek en dat is t.b.v. het bestuursverslag niet mogelijk. Vermoeden is dat twee zaken een rol spelen. Ten eerste is er nu meer bekendheid dat de jeugdhulp niet op het 18e jaar hoeft te stoppen. Ten tweede is er onvoldoende passende woonruimte voor jongeren in jeugdhulp met verblijf om (al dan niet met ambulante begeleiding) naar door te stromen. Op de groep 18-plussers in jeugdhulp wordt wel een specifieke aanpak gerealiseerd, om te bezien welke hulp voor deze jongeren passend is. Dat kan hulp zijn uit de Wmo, de Wlz (langdurige zorg) of de zorgverzekeringswet. In enkele gevallen kan het ook betekenen dat verlengde jeugdhulp het meest passend is, bijvoorbeeld als er sprake is van een pleeggezin. Het proces om de overgang van jeugdhulp naar hulp voor volwassenen te begeleiden, zal ook worden verbeterd.

Vraag 4

Pagina 7: ‘Een op de tien kinderen in Nissewaard haalt het basisniveau taal- en of rekenen niet.’ Kan uitgelegd worden waardoor dit kan en wat hiertegen gedaan wordt?

Antwoord van het college

Vanaf het vierde/vijfde jaar zijn basisscholen verantwoordelijk voor het aanleren van vaardigheden in taal of rekenen. De verantwoordelijkheden van de gemeente zijn hierin beperkt. We vinden het wel belangrijk hierover in gesprek te zijn met het onderwijsveld, omdat het Nissewaardse jeugd betreft. Voorafgaand aan de schoolperiode is de gemeente verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voor- en vroegschoolse educatie aan doelgroepkinderen, dat uitgevoerd wordt door kinderopvangorganisaties. Doelgroepkinderen zijn jonge kinderen met een (risico op) taalachterstand. Deze groep wordt door het ministerie bepaald door toetsing aan objectieve bevolkingscriteria. Deze zijn in Nissewaard meer aanwezig dan gemiddeld in Nederland (zie pag. 26 bestuursverslag). In het Gemeentelijk Onderwijskansenbeleid, vastgesteld door de raad op 23 februari 2022, is een aanpak vormgegeven, die gedragen wordt door kinderopvang organisaties en het onderwijsveld. Deze aanpak is momenteel in uitvoering.

Vraag 5

Pagina 8: ‘Momenteel wordt gewerkt aan een overzicht van doelen en bijbehorende inspanningen om die doelen te gaan bereiken.’ Wanneer kan de raad dit overzicht verwachten?

Antwoord van het college

Volgens de huidige planning zullen de doelen begin 2023 ter vaststelling aan de raad worden aangeboden. De inspanningen zijn een verantwoordelijkheid van het college.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

3 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Vraag 6

Pagina 10: Kan de daling uitgelegd worden van het percentage inwoners dat deelneemt aan activiteiten in wijkgebouw, van clubs of van verenigingen. Heeft dit de facto te maken met een daling van mensen die ingeschreven staan bij verenigingen of juist met een daling van het aantal activiteiten?

Antwoord van het college

Deze grafiek gaat over inwoners die deelnemen aan activiteiten. Het percentage inwoners dat deelneemt aan een of meer activiteiten is gedaald. Dit heeft deels te maken met minder activiteitenaanbod in het eerste coronajaar. Anderzijds heeft het te maken met de leeftijd en achtergrond van de deelnemers. Sommige deelnemers waren als kwetsbare inwoner te bang voor corona, ook in perioden dat er wel wat mogelijk was. Nieuwe aanwas was er door corona ook niet.

Inmiddels, in 2022, hebben de meeste organisaties het aantal bezoekers weer terug op het oude peil, zo weten we uit mondelinge informatie van de organisaties.

Vraag 7

Pagina 10: Waarom vindt er niet jaarlijks een meting plaats over eenzaamheid?

Antwoord van het college

Landelijk wordt eenzaamheid eens per 2 jaar gemeten door CBS als onderdeel van het onderzoek Sociale samenhang en welzijn. Recent is dit onderzoek gepubliceerd, waaruit blijkt dat het percentage inwoners dat zich sterk eenzaam voelt landelijk is gestegen naar 11% (was 9% in 2019). In Nissewaard wordt eenzaamheid gemeten als onderdeel van de Nissewaard Peiling. Die wordt eens per twee jaar gehouden. Eind 2022 wordt weer een Nissewaard Peiling gehouden, waarvan de cijfers in het volgende bestuursverslag kunnen worden opgenomen. Cijfers van voor 2020 zijn niet opgenomen, omdat de gebruikte meetmethoden toen niet overeenkwam met de methode die door CBS wordt gebruikt. Meer toelichting hierover staat in de bijlage van het bestuursverslag over 2020.

Vraag 8

Pagina 10: Er staat dat met de cijfers die nu bekend zijn ‘voor volwassenen het doel uit de vorige collegeperiode behaald dat eind 2022 niet meer inwoners zich (zeer) ernstig eenzaam voelen dan gemiddeld in Nederland.’ Hoe kan dit met zekerheid gezegd worden als er geen cijfers zijn voor 2022? In andere woorden, waarom wordt een doel voor 2022 gebaseerd op cijfers uit 2020?

Antwoord van het college

Het zijn de laatst bekende cijfers waar we ons op kunnen baseren.

Vraag 9

Pagina 13: Hier wordt gesproken over presteren. De vraag is wat presteren in deze zin inhoudt? Is het de gemeente die goede preventieve maatregelen invoert waardoor er minder mensen aanspraak hoeven te maken op uitkeringen, of ligt het aan ‘inwonersverloop?’ Dat wil zeggen dat er toevallig meer vermogenden in Spijkenisse komen wonen en de mensen die recht hebben op een uitkering verhuizen.

Antwoord van het college

In de afgelopen jaren is meermaals gemeten hoeveel bijstandsgerechtigden er door verhuizing in de bijstand komen. In Nissewaard (specifiek in Spijkenisse) komen meer mensen door verhuizing uit andere gemeenten in de bijstand, dan er vertrekken uit de bijstand naar andere gemeenten toe. Dit heeft onder meer te maken met het relatief snel beschikbare goedkope woningaanbod. De component ‘inwonersverloop’ draagt daarom in Nissewaard niet bij aan minder uitkeringen. In dat licht mag wel degelijk gesproken worden over een prestatie wanneer Nissewaard

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

4 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

een gunstiger ontwikkeling van het bijstandsbestand laat zien dan gemiddeld in Nederland. Dit komt enerzijds door een goed ingerichte ‘poort’ waar we toetsen of bijstand noodzakelijk is en mensen die dat kunnen snel aan werk helpen. Anderzijds komt dit door actieve ondersteuning bij re-integratie naar werk. Dit is waar mogelijk werk dat leidt tot duurzame uitstroom uit de bijstand, maar kan ook parttime of tijdelijk werk zijn. Werkervaring verhoogt immers de kansen op het verkrijgen van werk waarmee structureel/langdurig geen uitkering meer nodig is.

Vraag 10

Pagina 15: ‘Bijna 42% van de mensen die in de uitkering komt, is er binnen een jaar weer uit.’ Is hier een norm voor? Zo ja, hoe doen wij het t.o.v. die norm?

Antwoord van het college

Er is geen landelijke norm voor. Wel wordt dit in de benchmark Werk en Inkomen van Divosa (ruim 235 deelnemende gemeenten) gemeten. Hieruit blijkt dat van de totale uitstroom van die gemeenten, 49% korter dan een jaar in de bijstand zat.

11. Pagina 15: Wat is de verklaring voor de stijgende langdurige uitkeringen Antwoord: De Participatiewet is een voortzetting van taken die de gemeente al kende. Er is echter ook een substantiële taak bijgekomen, namelijk het bemiddelen, begeleiden en, indien nodig, bieden van inkomen aan mensen met een arbeidsbeperking. Dit in verband met het afsluiten van de toegang tot de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en het beperken van de toegang tot de Wajong tot mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Deze ‘nieuwe’ doelgroep is lastiger te bemiddelen. Hiernaast geldt hoe langer mensen in de bijstand zitten, hoe moeilijker het is hen te laten uitstromen naar werk. Zie verder ook het antwoord op vraag 2.

12. Pagina 17: Wat wordt hier bedoeld met ‘CZ?’ Het duidt hier ons inziens niet (uitsluitend) op de zorgverzekering.

Antwoord: Het duidt wel op de zorgverzekering. Het betreft het aantal personen dat een collectieve verzekering heeft bij CZ voor minima, als onderdeel van het gemeentelijk armoedebeleid.

13. Pagina 19: In de tweede bullet wordt er gesproken over vroegsignalering m.b.t. schuldenproblematiek. Kan er worden uitgelegd hoe dit proces van vroegsignalering eruit ziet? Wie zijn hierbij betrokken en wat is de systematiek?

Antwoord: Deze vraag is reeds beantwoord in de commissievergadering van 29-09-2022, tijdens de presentatie van het Preventieteam.

14. Pagina 21: In tabel 9 staat een hele sterke stijging van het aantal jeugdigen van 18 tot 23 jaar in de jeugdhulp (92%). Er worden veel mogelijke verklaringen gegeven, maar kan aangegeven worden welke verklaringen momenteel het meest voor de hand liggen?

Antwoord: Dit kan helaas niet, omdat dit dossieronderzoek vergt. Zie verder het antwoord op vraag 3.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

5 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

15. Pagina 22: ‘De cijfers uit onderstaande tabel komen van CBS, maar zijn recent van hun website verwijderd. CBS heeft enkele fouten ontdekt, die mogelijk van invloed zijn op cijfers in deze tabel.’ Op welke cijfers kunnen deze fouten van invloed zijn? En is de verwachting dat het een grote invloed heeft op de cijfers?

Antwoord: Op de tabellen waar dit van toepassing kan zijn, is dit vermeld in de toelichting. Het CBS heeft geen nadere informatie gegeven over de invloed. Dit zullen we dus moeten afwachten.

16. Pagina 24: Grafiek 9 ‘laat zien dat we de afgelopen twee jaar veel minder goed slagen om jongeren met jeugdhulp na hun 18e door te laten stromen naar de zorg voor volwassenen.’ Waarom niet?

Antwoord: Zie antwoord op vraag 14 en vraag 3.

17. Pagina 25: In tabel 11 en 12 is te zien dat de huisarts veel meer is gaan verwijzen. Hoe kan dit verklaart worden? Heeft dit te maken met een stijgende druk op huisartsen? Zo ja, wat doen wij hieraan?

Antwoord: Waarom huisartsen nu meer doorverwijzen is niet bekend. Het vermoeden is dat door corona de vraag bij huisartsen is gestegen. Of dit ook de stijging van het aantal doorverwijzingen (volledig) verklaart, is niet aan te geven. We zullen deze vraag meenemen in onze gesprekken met POH’s en de huisartsenvertegenwoordigers.

18. Pagina 26: In tabel 13 is te zien dat het percentage doelgroepkinderen vve in sommige wijken hoger ligt dan anderen. Wij kunnen ons voorstellen dat ook dit onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid geld kost. Hoe wordt dit geld besteed, is dit een gelijk bedrag verspreid over de verschillende wijken of wordt er evenredig gekeken welke wijken het meeste nodig hebben voor het helpen van de kinderen?

Antwoord: Voor- en vroegschoolse educatie wordt niet per wijk verdeeld. Het wordt o.a. ingezet bij de kinderopvangorganisaties waar de doelgroepkinderen daadwerkelijk zitten en waar voor- en vroegschoolse educatie wordt ingezet. Ook wordt er actief ingezet op toeleiding van doelgroepkinderen naar VVE. Zie verder het Gemeentelijk Onderwijskansenbeleid, vastgesteld door de raad op 23 februari 2022.

19. Pagina 27: Grafiek 10 laat het percentage resultaten onder fundamentele niveau leerlingen basisonderwijs zien. De stijging in Nissewaard is sterk en nog groter dan de landelijke. De sterke stijging ‘heeft vermoedelijk te maken met de corona-crisis.’ Echter, onze stijging is sterk en we scoorde al aanzienlijk hoger in 2017 t/m 2019. Hoe kan dit verklaart worden?

Wat wordt hier momenteel aan gedaan?

Antwoord: Momenteel kan dit niet verklaard worden. Wel zal dit worden meegenomen in de overleggen met het onderwijs om zowel de mogelijke oorzaken te duiden, als te bespreken wat hiertegen kan worden gedaan.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

6 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

20. Pagina 28: Hoe kan het dat het schoolverzuim in Nissewaard zo hoog ligt vergeleken met Nederland?

Antwoord: Dit is niet objectief onderzocht, maar er zijn wel een aantal factoren die vermoedelijk een rol spelen. De eerste is een administratieve factor: er wordt in Nederland gewerkt met zes verschillende registratiesystemen voor verzuim, waardoor cijfers tussen regio’s kunnen afwijken. Dit komt de betrouwbaarheid van cijfers niet ten goede. Het ministerie bereidt daarom plannen voor om hierin meer eenduidigheid te creëren. Voor scholen was het in de coronaperiode ook moeilijker te beoordelen of er sprake was van geoorloofd verzuim dat niet gemeld hoeft te worden, bijvoorbeeld door ziekte, of verzuim dat ongeoorloofd is en wel moet worden geregistreerd. Doordat er een grote discrepantie was tussen de cijfers uit het systeem die door scholen waren aangeleverd en de cijfers vanuit de leerplichtadministratie over onderzochte situaties, hebben de leerplichtambtenaren de cijfers vanuit het eigen registratiesysteem aangevuld. Het kan zijn dat in andere gemeenten vergelijkbare situaties spelen, waarbij niet de registratie is aangepast.

Naast de administratieve factor kunnen omgevingsfactoren meespelen, zoals ouders die in continudiensten werken in de haven of ander werk hebben dat op locatie moet worden uitgevoerd, die in de coronaperiode tot extra verzuim bij kinderen leidden. Een ouder die niet thuis werkt tijdens corona, kan minder toezicht houden op kinderen die wel thuis onderwijs ontvangen.

21. Pagina 28: Kan (nogmaals) uitgelegd worden waarom er zo’n groot verschil zit in het geschetste beeld tussen grafiek 12 en 13?

Antwoord: Relatief verzuim (grafiek 12) gaat over jeugdigen die ingeschreven staan op een school, maar daar (veelvuldig) verzuimen. Het absoluut verzuim (grafiek 13) gaat over leerplichtige kinderen die niet ingeschreven staan op een school. Dit gaat meestal over kinderen met ernstige beperkingen, waarvoor op dat moment geen passend onderwijs is. In feite hebben deze grafieken niets met elkaar te maken. Het absoluut verzuim gaat over erg weinig kinderen. Stel dat kinderen met ernstige beperkingen wel staan ingeschreven op een school (laag absoluut verzuim), maar veelvuldig afwezig zijn (relatief verzuim), dan verklaart dat nog niet het hoge relatief verzuim in grafiek 12. Daarvoor zijn het gewoonweg te weinig kinderen.

22. Pagina 29: ‘In 2020 is het percentage voortijdig schoolverlaten omhoog geschoten en ligt nu hoger dan de 50% meest gemiddelde gemeenten.’ Hoe kan dit?

Antwoord: Er zijn een aantal omstandigheden aan te wijzen die vermoedelijk van invloed zijn geweest op het hogere voortijdig schoolverlaten in schooljaar 2020/2021. Ten eerste was corona van invloed. Vaker dan daarvoor was er minder contact tussen leerling/student en onderwijsinstelling, dan nodig om een jongeren op school te houden. Door corona was ook de ondersteuning bij het wisselen van onderwijsinstelling minder stevig dan normaal gesproken. Ook zou kunnen meespelen dat in 2021 de arbeidsmarkt het aantrekkelijk maakte voor jongeren om (ongeschoold) werk te gaan verrichten. Tot slot kan worden genoemd dat we in 2021 een nieuwe aanpak hebben ingevoerd. We zijn meer preventief gaan werken. Dit brengt meer zaken aan het licht dan wanneer slechts wordt afgegaan op de meldingen die via DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) binnenkomen.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

7 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

23. Pagina 29: ‘Doel uit de vorige collegeperiode is eind 2022 binnen de range van 50% gemiddelde gemeenten te zitten. Onzeker is of dit kan worden behaald.’ Wanneer kunnen we dit weten?

Antwoord: Dit weten we wanneer de cijfers over 2022 bekend zijn. Aangezien nu (pas) de cijfers over 2020 bekend zijn, zullen we dat pas over 2 jaar weten. Ook deze cijfers komen van CBS, waardoor we hierop geen invloed hebben.

24. Pagina 39/40: Alle bedragen bij elkaar optellend, missen wij nog €500.000,- klopt dit? Zo ja, waar zit dit geld, is dit de stelpost?

Antwoord: De opsomming op pagina 39/40 van de lokale sociaal domeintaken en de centrumtaken Wmo is bedoel als grove onderverdeling van het budget. Dit om u een beeld te geven waar het geld aan wordt uitgegeven. Het is geen zuivere optelling, want het is afgerond op hele miljoenen of bedragen van € 100.000, afhankelijk van de hoogte van het bedrag.

25. Pagina n.v.t.: De kosten voor het Sociaal Domein stijgen in Nederland en na de decentralisatie van 2015 zie je gemeenten worstelen met de financiën op dit gebied. Elke gemeente kent een andere demografische ontwikkeling dat ertoe leidt dat elke gemeente een eigen behoefte heeft aan aanspraak op het Sociaal Domein. Bij verzekeringen kennen we een vereveningsfonds, dat achteraf regelt dat elke verzekeringsmaatschappij ongeveer even goed uit de bus komt, ongeacht hoeveel ‘slechte risico’s’ zij heeft. Kennen gemeenten onderling ook een gelijksoortig fonds? Of krijgt elke gemeente naar zorgvraag een bedrag uitgekeerd?

Antwoord: Gemeenten krijgen geld voor het sociaal domein op basis van verschillende berekeningmethoden. De meeste budgetten worden op basis van objectieve verdeelcriteria verdeeld over de gemeenten, via de algemene uitkering van het gemeentefonds. Dit betekent dat dat voor de ene gemeente gunstig kan zijn en voor de andere gemeente ongunstig. Voor het budget voor uitkeringen (BUIG) geldt wel een soort vereveningsfonds. Namelijk als je als gemeente meer dan 7,5% tekort hebt op BUIG, dan kan je voor het meerdere een beroep doen op een Vangnetuitkering. Uiteindelijk betalen alle gemeenten dit zelf, omdat de Vangnetuitkering betaald wordt uit het macro BUIGbudget van alle gemeenten samen. Er komt vanuit het Rijk dus niet meer geld bij. Het BUIG-budget dat genoeg moet zijn voor alle uitkeringen in Nederland wordt, na aftrek van de uitkeringen Vangnetuitkering, over alle gemeenten verdeeld via het gebruikelijke objectieve model. Het is dus niet zo dat gemeenten die veel overhouden, dit geld moeten inleveren.

Voor jeugdhulp loopt momenteel een discussie tussen Rijk en VNG in hoeverre het Rijk financieel verantwoordelijk is (net als bij BUIG) of dat gemeenten risicodragend zijn. Hierover is nog geen duidelijkheid. De arbitragecommissie heeft wel aangegeven dat het Rijk moet financieren als er op landelijk niveau tekort aan middelen jeugdhulp is.

Vragen CDA Opmerkingen vooraf

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

8 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

1. We zijn blij dat we de gelegenheid hebben om vooraf vragen in te dienen

2. Een deel van de inhoud van het bestuursverslag is aan de orde gekomen tijdens de thema bijeenkomst sociaal domein van woensdag 21 september Algemene vragen

1. In het verslag lezen we dat we vinden dat een sterke samenleving bestaat uit gezonde organisaties, netwerken en individuele bijdragen.

a. Hoe kunnen we bepalen of we een sterke samenleving hebben?

Antwoord: Er bestaat niet een criterium waaraan is af te meten of we een sterke samenleving hebben. In hoofdstuk 3 hebben we enkele indicatoren opgenomen die ons een indicatie kunnen geven in hoeverre we in Nissewaard als samenleving actief zijn. Ook hebben we in de inleiding van dit hoofdstuk aangegeven dat we nog gaan bezien welke indicatoren we in de toekomst willen gaan opnemen in dit bestuursverslag. Indien u hier ideeën over heeft, hopen we deze van u te ontvangen.

2. Het valt op dat op veel onderdelen een cijfermatige analyse wordt gegeven. Vaak is dat een vergelijking tussen het hoogste / laagste percentage in Nederland dan wel met de grijze range

a. Wij missen in die gevallen een meer kwalitatieve analyse (oorzaak, oplossing), zodat we kunnen bepalen wat er moet worden gedaan om te verbeteren of aan te passen Antwoord: Dit bestuursverslag is juist bedoeld om een breed kwantitatief beeld te geven, aangevuld met enkele kwalitatieve gegevens uit bijvoorbeeld de cliëntervaringsonderzoeken en het gemeentelijke jaarverslag. Meer kwalitatieve analyses, waarbij ook gekeken wordt naar oplossingsrichtingen, worden opgenomen in beleidsnota’s en themagerichte raads- of collegebesluiten. Deze worden tijdens commissievergaderingen aan u voorgelegd. Mocht u naar aanleiding van het bestuurverslag het college willen vragen op bepaalde punten actie te ondernemen, dan staat u dat vrij.

3. Het valt op dat bij enkele onderdelen wordt gewezen op onjuiste of veranderende meetmethodieken, onverklaarbare verschillen tussen bijvoorbeeld de Nissewaard Peiling en de Gezondheidsmonitor; of op een andere benadering door het CBS; we zien dat bij de opmerkingen over de schuldhulpverlening

a. Wij denken dat dit niet bijdraagt aan de kwaliteit van het bestuursverslag

b. Hoe kunnen we komen tot een eenduidig systeem van meten en vastleggen, zodat we op basis van eenduidige en betrouwbare informatie de juiste conclusies kunnen trekken of beleidsdoelstellingen zijn behaald Antwoord op a: Dit heeft te maken met onderzoekstechniek. Ook al stel je exact dezelfde vraag in verschillende vragenlijsten (bijvoorbeeld op landelijk of lokaal niveau en in verschillende jaren), dan kan dit onderzoekstechnisch toch niet 1-op-1 worden vergeleken. In ieder geval moet er een opmerking over worden geplaatst. Daarnaast hebben wij geen invloed op de gebruikte methoden door het CBS. Wij proberen met onze methoden daar zoveel mogelijk op aan te sluiten, om de uitkomsten zo betrouwbaar mogelijk te laten zijn. Dat kan dus betekenen dat gebruikte methoden

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

9 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

kunnen wijzigen. Wat betreft schuldhulpverlening heeft het met name te maken met onze interne systemen. Door de overgang naar een ander systeem, was het op dit moment niet mogelijk betrouwbare gegevens te genereren.

Antwoord op b: Door zoveel mogelijk met onze Nissewaard Peiling aan te sluiten op meetsystemen die landelijk worden gebruikt (zoals bij eenzaamheid) en door te zorgen dat onze eigen systemen ook naar de toekomst toe bruikbaar blijven, proberen we eenduidigheid te creëren in de bestuursverslagen. Eén eenduidig systeem is echter niet mogelijk, omdat de gegevens in het bestuursverslag uit meerdere bronnen komen, zowel landelijke bronnen als lokale systemen. Ook hebben wij geen invloed op de wijze van meten van andere bronnen dan onze lokale systemen. We zorgen altijd wel dat de gegevens in het bestuursverslag zo betrouwbaar als mogelijk zijn en geven transparant aan waar dit anders is dan voorgaande jaren of waar, zoals dit jaar, het CBS opmerkingen heeft geplaatst over betrouwbaarheid.

4. Tijdens de thema avond van 21 september werd aangegeven dat de gemeente met ongeveer 250 professionele aanbieders van welzijn en ondersteuning samenwerkt

a. Hoe kunnen we dit aantal op verantwoorde wijze terugdringen, want wij nemen aan dat dit gepaard gaat met een omvangrijke administratieve last voor de gemeentelijke organisatie Antwoord: Het aantal aanbieders binnen welzijn en ondersteuning is het totaal van verenigingen en kleine vrijwilligersorganisaties, tot de grote aanbieders voor jeugdhulp en Wmo. Vraag is of het wenselijk is dit aantal (ver) terug te dringen, omdat je voor een sterke samenleving ook groot belang hecht aan verenigingen en (vrijwilligers)organisaties. Wat betreft de lokaal ingekochte aanbieders van jeugdhulp en Wmo met indicatie, bedraagt dit aantal ongeveer 80 aanbieders. Voor veel jeugdhulp en Wmo-voorzieningen is het niet wenselijk om maar met één aanbieder te werken. Dit is namelijk zeer kwetsbaar, indien de aanbieder failliet gaat of indien de kwaliteit niet naar wens is.

Bovendien richten veel aanbieders zich op specifieke doelgroepen zoals mensen met een stoornis uit het autismespectrum, mensen met een (licht) verstandelijke beperking etc. Het is ook om die reden belangrijk een breed zorgaanbod te kunnen bieden vanuit de gemeente. We werken alleen met één aanbieder voor een product als het beter past bij het type voorziening.

5. Het algemene beeld is dat een groot percentage van zorgkosten besteed wordt aan zogenaamde overhead (gebouwen, vervoersmiddelen)

a. Kunnen wij in toekomstige aanbestedingsprocedures een plafond opnemen voor overhead Antwoord: De tarieven die wij onze lokaal gecontracteerde zorgaanbieders betalen zijn vaste tarieven en door de gemeente bepaald. Zorgaanbieders kunnen hier niet over onderhandelen. Deze tarieven zijn grotendeels gebaseerd op loonkosten. Daar waar zorgaanbieders voor sommige producten ook locaties moeten bieden (zoals bij dagbesteding), is een opslag hiervoor in het tarief meegenomen. Alle tarieven hebben een opslag voor overhead, risico en marge van 25%. Informatie van o.a. de VNG over het opstellen van een reële kostprijs, is gebruikt bij het bepalen van het

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

10 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

percentage voor overhead, risico en marge. Met deze tarieven is het moeilijk een hoge overhead te bekostigen voor zorgaanbieders.

6. Er wordt enkele malen in het Bestuursverslag gemeld dat de coalitiedoelstellingen uit 2020 zijn behaald terwijl het verslag over 2021 gaat.

a. Wat is de toegevoegde waarde van deze meldingen?

Antwoord: Het vorige college heeft doelen gesteld die eind 2022 gehaald dienden te zijn. In het vorige en dit bestuursverslag is melding gemaakt van de mate van realisatie daarvan. Wanneer de doelen van deze periode zijn vastgesteld, zullen die in het bestuursverslag worden opgenomen.

Specifieke vragen

7. Op blz 5 wordt de zorg uitgesproken dat kosten kunnen oplopen, onder andere wegens verlenging van mogelijk niet meer noodzakelijke hulp

a. Wij nemen aan dat dit onderdeel is van toezicht en handhaving

b. Is het juist hierom niet wenselijk dat in alle gevallen een prestatie verklaring wordt overlegd Antwoord op a: nee, dit is onderdeel van de gemeentelijke Toegang voor Wmo en jeugdhulp, die momenteel wordt heringericht. Onderdeel van de herinrichting is het op bepaalde voorzieningen strakker sturen op persoonsgebonden voorzieningen, qua doelbereik en afschalingsmogelijkheden.

Mocht hieruit blijken dat een specifieke aanbieder hierbij anders presteert dan de overige aanbieders, kan de accountmanager dit meenemen in het periodieke gesprek met de aanbieder.

Antwoord op b: Met de aanbieders voor lokale inkoop jeugdhulp en Wmo zijn afspraken gemaakt over verantwoording. Indien de productie meer dan € 75.000 bedraagt, moet de aanbieder een productieverantwoording inclusief controleverklaring bij de gemeente aanleveren. Van aanbieders met een productie van minder dan € 75.000 is inzicht in prestatie verkregen via totaalverantwoordingen en/of productieoverzichten. Gezien de administratieve lasten en kosten, is het voor ons acceptabel dat aanbieders met een productie van minder dan € 75.000 geen controleverklaring hoeven aan te leveren. Aanvullend vragen we telefonisch, middels steekproeven, informatie bij cliënten om de aannemelijkheid van de zorglevering te toetsen. Daarnaast hebben we enkele geautomatiseerde controles ingericht. Zo kan een factuur niet worden betaald indien dit (in combinatie met eerdere facturen) meer bedraagt dan het bedrag in de beschikking, of indien er geen beschikking afgegeven is.

8. Op blz 9 lezen we bij 3.1 Verenigingen, vrijwilligers en actieve inwoners dat er geen informatie voor handen is, en dat er geen metingen zijn gedaan met de juiste meet methodiek

a. Wij doen heel veel aan ondersteuning van vrijwilligers, wij kennen onze verenigingen heel goed; hoe kan het dan dat er geen informatie voorhanden is

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

11 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

b. Verenigingen weten zelf heel goed hoe het zit met het vrijwilligerswerk daarom zijn we verrast, verbaasd over deze passages

c. In het coalitieakkoord wordt zwaar ingezet op de rol van vrijwilligers in de samenleving. Op welke wijze wil het college gaan meten wat de bijdrage van de vrijwilligers gaat zijn voor een sterke samenleving?

Antwoord op a: We weten inderdaad goed wat er speelt bij verenigingen. Dit is bekend bij onze combinatiefunctionarissen. In het bestuursverslag willen we informatie gebruiken die zoveel mogelijk vergelijkbaar is met landelijke cijfers of die op een andere manier met een herbruikbare meetmethodiek is gegenereerd. Voor vrijwilligerswerk maken we daarom gebruik van dezelfde vragen als die in een landelijk onderzoek worden gebruikt. Deze vragen nemen we op in de Nissewaard Peiling, die eens per twee jaar wordt gehouden. We bekijken de mogelijkheid om in de toekomst meer informatie op te nemen in het bestuursverslag. Wellicht dat een herziene vitaliteitscan die wordt uitgezet onder verenigingen hier een mogelijkheid voor biedt.

Antwoord op b: Hieruit lezen we geen technische vraag die beantwoord kan worden.

Antwoord op c: Momenteel wordt een nieuw vrijwilligersbeleid voorbereid. Onder andere wordt er nu onderzoek uitgezet onder vrijwilligers/verenigingen hiertoe. In het beleid bekijken we ook of en hoe we indicatoren willen opstellen rondom vrijwilligersbeleid. Op dit moment kunnen we deze vraag nog niet beantwoorden.

9. Op blz 10 lezen we dat het collegedoel voor wat betreft percentage inwoners die zich eenzaam voelen is behaald; de laatste meting is van 2020 en het bestuursverslag gaat over 2021

a. Hoe kun je dan objectief vaststellen dat het collegedoel is behaald

b. Welke inspanningen wil het college gaan verrichten om, zoals dat ook in het coalitieakkoord is opgenomen, aandacht te gaan schenken aan mensen die zich eenzaam voelen?

c. Moet je dan niet meer gaan monitoren om te meten of de inspanningen resultaat opleveren?

Antwoord op a: Omdat uit de laatste bekende meting blijkt dat Nissewaard (9,1%) en Nederland (9,0%) ongeveer hetzelfde scoren op percentage sterk eenzame inwoners.

Antwoord op b: op 11 december 2019 is plan van aanpak eenzaamheidsbestrijding ‘Elkaar Waard’ vastgesteld. Hieraan wordt nog steeds verder invulling gegeven. Zo is begin 2022 ‘Automaatje’ van start gegaan. In 2023 zal, naar verwachting, een extra initiatief worden gesubsidieerd die zich ook op deze doelgroep richt. Het onderwerp is ook onder de aandacht bij onze partners. Ontmoeting in de breedste zin van het woord is een interventie waar wij in Nissewaard breed op inzetten en wat bijdraagt aan zinvol contact waardoor men zich minder eenzaam voelt.

Antwoord op c: Wij achten de huidige meting voldoende. Deze sluit aan bij de landelijk gebruikte meetmethodiek. We gebruiken het instrument van de Nissewaard Peiling om dit te meten, waardoor

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

12 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

de kosten van meting relatief beperkt zijn, omdat dit meegenomen wordt in een breder onderzoek onder onze inwoners.

10. Op blz 11 bij 3.4 worden een aantal in 2021 uitgevoerde programma’s beschreven.

a. Heeft het college ideeën over hoe bepaald kan worden of deze programma’s inderdaad bijdragen aan een sterkere samenleving?

Antwoord: Al de hier beschreven thema’s dragen bij aan een sterke samenleving. Verder verwijzen we u naar de antwoorden op vraag 1 van het CDA.

Vraag 11

Op blz 17 lezen we bij 4.5 Schuldproblematiek en armoede dat informatie ontbreekt vanwege de overgang naar een ander meetsysteem a. Hoe kan dat? Er is een systeem dat werkt en betrouwbare cijfers levert en vervolgens wordt er overgegaan naar een nieuw systeem en dan worden cijfers onbetrouwbaar. Zijn de criteria dan ook gewijzigd? b. Wij denken dat schuldhulpverlening een zeer actueel thema is; betrokken bewoners zijn zeer gebaat bij goede en zorgvuldige vastleggingen; wij gaan er van uit dat dit voldoende geborgd is Antwoord op a: Door de overgang naar een ander systeem, was het op het moment van opstellen van het bestuursverslag niet mogelijk de benodigde cijfers te genereren. In het volgende bestuursverslag zal weer informatie over schuldhulpverlening opgenomen zijn. Antwoord op b: Dit is voldoende geborgd. 12. Op blz 19 wordt gewezen op de inspanningen die we doen voor bewoners die te maken hebben met de Toeslagenaffaire; het gaat om honderden bewoners a. Zijn deze bewoners ook opgenomen in de verschillende tabellen en grafieken van het bestuursverslag

Antwoord van het college

Voor zover inwoners die te maken hebben met de Toeslagenaffaire gebruik maken van de voorzieningen zoals opgenomen in het bestuursverslag, zitten die hierin verwerkt. Deze groep inwoners is niet apart in de systemen als zodanig herkenbaar en kunnen we dus niet vanuit onze systemen hierop selecteren.

13. Op blz 21 lezen we dat de jongeren die tijdelijk verblijven in de Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt niet meetellen in de cijfers.

a. Waar staan deze jongeren dan wel geregistreerd?

Antwoord: Uw aanname is onjuist. Met de verwijzing naar de Hartelborgt op pagina 21, hebben we alleen aangegeven dat deze voorziening niet de reden kan zijn voor de stijging van het aantal 18-23 jarigen.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

13 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

14. Op de blz 28 en 29 zijn tabellen opgenomen over het schoolverzuim

a. Uit de teksten wordt ons niet helemaal duidelijk op welke jaren deze tabellen zijn gebaseerd

b. Is ons beeld juist dat de gegevens over 2021 ontbreken Antwoord op a: In de voetnoot 4 op pagina 27 staat dit toegelicht. Het jaartal in de grafiek is het startjaar van een schooljaar. Dus 2020 in grafiek 12 en 13 gaat over schooljaar 2020/2021.

Antwoord op b: Zie antwoord a. Dit zijn de laatst bekende gegevens.

15. Op blz 34 lezen we dat het aantal zelfstandig wonende 70-plussers in Nissewaard beduidend hoger dan gemiddeld in Nederland.

a. Als je dat afzet tegen het hoge percentage Wmo-cliënten is dan het gebruik van Wmo middelen nog steeds hoger dan gemiddeld in Nederland?

Antwoord: Reeds enkele jaren geleden is onderzocht dat het hogere percentage zelfstandig wonende ouderen wel bijdraagt aan het hoger aantal Wmo-cliënten, maar dat dit het niet volledig kan verklaren. Het is daarmee slechts een gedeeltelijke verklaring. Met name hulpmiddelen en diensten, zoals collectief vervoer en scootmobielen ligt in Nissewaard veel hoger dan elders.

16. Op blz 35 lezen we onder het kopje 6.2 Opvang en beschermd wonen dat er op 31 december 2021 38 daklozen waren met een briefadres Raadhuislaan 106.

a. Tijdens de thema bijeenkomst van 21 september werd de quizvraag gesteld met hoeveel daklozen Nissewaard te maken had in de 10 maanden tussen 1 juni 2021 en 1 april 2022 en het bijpassende antwoord is 242

b. Gevoelsmatig worden we (gelukkig) in de gemeente niet geconfronteerd met mensen die op straat bivakkeren of bedelen. Onze vraag is hoe de gemeente aan deze telling komt en wat precies de bron is om dit zo te kunnen opnemen Antwoord op a: Dit zijn twee verschillende cijfers. Niet alle daklozen hebben een briefadres op Raadhuislaan 106. Ze staan bijvoorbeeld ingeschreven op het adres waar ze daadwerkelijk verblijven, zoals de opvanglocatie of bij bekenden op een huisadres. Daarom is het aantal met een briefadres op de Raadhuislaan vele malen kleiner dan het aantal daklozen. Bovendien is het aantal daklozen dat ingeschreven staat op de Raadhuislaan een standcijfer (cijfer op een bepaalde datum) en het aantal daklozen tussen 1 juni 2021 en 1 april 2022 een totaal aantal over die gehele periode.

Antwoord op b: Het aantal van 38 daklozen met een briefadres op de Raadhuislaan komt uit onze Basisregistratie Personen.

17. Worden de uitkomsten van de Woonzorganalyse (blz. 36) ook aan de raad gepresenteerd?

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

14 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Antwoord: In februari 2022 is de woonzorganalyse in een themabijeenkomst aan de raad gepresenteerd.

Vragen Lijst Soeterboek

1. Blz 7: 2.1 Sterke samenleving: De cijfers in dit hoofdstuk zijn niet vernieuwd ten opzichte van het vorige bestuursverslag, omdat er geen nieuwe metingen zijn verricht. Er is daarom geen samenvatting van dit hoofdstuk opgenomen”. Vraag: is het juist hier v uiterst belang een meting te hebben omdat insteek TBSD (sterke samenleving) het juist gaat om het voorveld te versterken/ kosten te remmen door in te zetten op ‘ eigen kracht’ , preventie, vroeg signalering?

Antwoord: De meest informatie die nu ten behoeve van programmalijn Sterke samenleving wordt gemeten over de Nissewaardse bevolking, komt uit de Nissewaard Peiling. Deze wordt maar eens per twee jaar gehouden. Het is de bedoeling om naar de toekomst meer indicatoren op te nemen voor het onderdeel sterke samenleving. Dit is nog in ontwikkeling.

2. Blz 7 2.2 bestaanszekerheid: “De afgelopen twee jaar op rij presteert Nissewaard beter dan gemiddeld, waardoor het dichter bij het landelijk gemiddelde komen”. Vraag: werkt de economie (veel werkgelegenheid) ook niet mee in deze daling van cijfers?

Antwoord: Ja, dat klopt. Uit grafiek 3 blijkt echter dat we het beter doen dan de 50% meest gemiddelde gemeenten in Nederland, waar ook de economie meewerkt. Daarbij komt dat de netto arbeidsparticipatie in Nissewaard (grafiek 4) achterblijft bij de landelijke ontwikkeling. Dit laat zien dat de grotere daling van het aantal bijstandsgerechtigden dan landelijk, niet verklaard kan worden uit economische factoren.

3. Blz 9 Onder grafiek: “ Ook over 2021 zijn geen nieuwe gegevens beschikbaar”. Vraag: kunt u aangeven waarom in het bestuursverslag 2021(BV) geen info is van 2021? Deze vraag geldt idem voor info boven grafiek 2 blz 10. (Deelname activiteiten) Antwoord: zie beantwoording van vraag 1 Lijst Soeterboek.

4. Blz 10 Eenzaamheid: “Hiermee is voor volwassenen het doel uit de vorige collegeperiode behaald dat eind 2022 niet meer inwoners van Nissewaard zich (zeer) ernstig eenzaam voelen dan gemiddeld in Nederland.”. Vraag: kunt u nu op basis van huidige gegevens (en ontbreken van recente onderzoeksgegevens-laatste in 2020) stellen dat het doel voor eind 2022 behaald is?

Antwoord: Zie beantwoording van vraag 9 van het CDA.

5. Blz 11 3.4- 2de bullet: Vraag: is er ook afdoende gedaan voor de jongeren? Vraag: Kunnen we in bestuursverslag eenzaamheid en mantelzorgers ook specificeren naar leeftijdsgroepen en beperkingen?

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

15 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Antwoord: Er is door jongerenwerk JOZ extra inzet gepleegd op het eenzaamheidsvraagstuk onder jongeren. Daarnaast heeft het onderwijs extra middelen ontvangen welke deels ook zijn ingezet voor sociale activiteiten voor jongeren. De verantwoording en keuze hiervoor lag bij het onderwijs. Dit alles achten wij voldoende.

Het is niet mogelijk in het bestuursverslag te specificeren naar leeftijd en beperkingen. De Nissewaard Peiling is alleen voor inwoners vanaf 18 jaar en er wordt niet gevraagd naar beperkingen.

De GGD monitor voor jeugd wordt eens per vier jaar gehouden, hetgeen niet vaak genoeg is om structureel op te nemen in het bestuursverslag.

6. Blz 11: 4de bullet: “Nissewaard rolde haar status als regenbooggemeente in 2021 verder uit en zette zich in voor de verdere acceptatie van alle personen binnen de LHBTI+ groep.” Vraag: beklijft het, Maw bereiken we meer acceptatie? Hoe kunnen we dit monitoren?

Antwoord: In de Nissewaard Peiling van 2020 (rapport in 2021) is dit deels uitgevraagd. Het blijkt echter moeilijk te meten, ook omdat het binnen de Nissewaard Peiling om een kleine groep gaat die hier een uitspraak over zou kunnen of willen doen. In deze collegeperiode zal een notitie sociale inclusie worden voorgelegd, waarin sociale inclusie ook zal worden geoperationaliseerd. Het vraagstuk van monitoring zal onderdeel vormen van de voorbereiding van deze notitie.

7. Blz 12 1ste bullet: “ Er is gestart met het maken van een uitvoeringsagenda mantelzorg”.

Vraag: dit is toch pas in 2022 geweest? EN moet dit niet eerst bij de raad langs voordat je hier uitvoering aan geeft?

Antwoord: In 2021 is een start gemaakt met de uitvoeringsagenda. Deze is niet in 2021 opgeleverd.

Indien het uitvoeringsplan binnen de door de raad gestelde financiële en inhoudelijke kaders blijft, hoeft dit niet eerst bij de raad langs voordat er uitvoering aan wordt gegeven. Het streven is het uitvoeringsprogramma mantelzorg eind van het eerste kwartaal 2023 gereed te hebben.

8. Blz 24 onderaan “ Het grootste verschil tussen 2020 en 2021 is de toename van het aantal trajecten met een verwijzing door de huisarts.” Vraag: was het niet de bedoeling zo veel mogelijk verwijzingen te doen bij 1 verwijzer (liefst de gemeente), om het beste te kunnen sturen? Hoe kunnen we dit zo goed en snel mogelijk kanaliseren/ in banen leiden?

Antwoord: De Jeugdwet heeft naast de gemeente enkele verwijzers benoemd die een zelfstandig recht hebben om jeugdhulp te indiceren, waaronder de huisarts. De gemeente heeft geen bevoegdheden dit te kanaliseren. De enige mogelijkheid die de gemeente hierin heeft is het maken van afspraken op vrijwillige basis. Daarom is er periodiek overleg met huisartsenvertegenwoordiging en is de POH ingezet.

9. Algemene vraag tav jeugd: We hebben de nodige ‘ eerste instanties’ (POH ggz jeugd/ SMW/ JOT / CJG / huisarts, die zich met een kind bezig kunnen houden. Daar kan veel overlap in plaatsvinden. Kan er niet in kader efficiency en besparing niet een instantie uitgeknipt worden??

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

16 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Antwoord: De POH kan op dit moment gezien worden als een verlengstuk van de huisarts en dus als een geheel met de huisarts. Schoolmaatschappelijk werk vervult een brugfunctie tussen gemeentelijke ondersteuning en de verantwoordelijkheid van het onderwijs. Met het programma Kinderogen versterken we deze samenwerking en brengen we zorg dichter bij het onderwijs. Het JOT biedt zelf hulp en verwijst aanvullend naar specialistische jeugdhulp wanneer dit nodig is. Het CJG heeft een verantwoordelijkheid op gebied van jeugdgezondheidszorg. Alle genoemde organisaties hebben dus een eigenstandige verantwoordelijkheid en een link met diverse (wettelijke) verwijzers naar jeugdhulp of belangrijke vindplaatsen. Hier is niet zomaar in te knippen. Deze collegeperiode is wel de wens om de verantwoordelijkheden van de verschillende organisaties verder te verduidelijken en de samenwerking te verbeteren. Dit met als doel dat een jeugdige of gezin de juiste hulp op de juiste plek ontvangt.

10. Blz 34 WMO Tabel 17; Ip is het relatief jong dat deze mensen een vervoersvoorziening of HH krijgen: Vraag: is er nog actief beleid om te zorgen dat dit verhoogd zou kunnen worden (naast sterke samenleving bv zwaardere screening)??

Antwoord: Er zal wel worden gekeken naar triage bij Wmo op basis van urgentie. Ook wordt in het kader van de ontwikkeling van een integrale ingang bekeken of andersoortige ondersteuning een oplossing kan bieden in plaats van een geïndiceerde, persoonsgebonden voorziening. Verder is er geen actief beleid om te zorgen dat de startleeftijd van Wmo-voorzieningen stijgt.

11. Algemene vraag WMO: Ik zou graag zien dat de gemiddelde wachtlijsten en de acties er op meegenomen zouden worden in het bestuursverslag Antwoord: Wachtlijsten fluctueren in de tijd, door verschillende oorzaken. Een wachtlijst zegt ook niet hoe lang iemand moet wachten voordat die hulp ontvangt. Wettelijk gezien mag deze termijn 8 weken zijn. Er wordt momenteel gekeken of de snelheid van het bieden van ondersteuning gekoppeld kan worden aan urgentie van de situatie. Het is een uitvoerende taak van het college om hierop te sturen. Het bestuursverslag leent zich om deze redenen niet goed voor het monitoren van de wachttijden. In het cliëntervaringsonderzoek is een vraag opgenomen omtrent tevredenheid over de snelheid van geboden ondersteuning (pagina 37 onder ‘meer cliënten weten waar zij terecht kunnen’). Deze kunt u gebruiken als indicator voor de tevredenheid van inwoners over de snelheid waarmee ze geholpen worden.

Vraag 12

6.2 blz 35 Summier zoals het ook al beschreven is. Vraag: Wat is de reden hiervan?

Antwoord van het college

In voorgaande bestuursverslagen waren centrumtaken niet apart opgenomen, maar alleen als onderdeel van enkele algemene grafieken en tabellen binnen de Wmo. In volgende bestuursverslagen willen we de Wmo-centrumtaken een volwaardiger plaats bieden. Op welke wijze dit het beste kan, worden nu bekeken en is ook afhankelijk van de doelen die voor deze collegeperiode worden gesteld en die vermoedelijk begin 2023 aan de raad worden voorgelegd.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

17 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Vraag 13

Bij 6.3 staat er opsomming van Centrum Taken gegeven. Kan die niet bij 6.2 in het vervolg gezet worden?

Antwoord van het college

Bij 6.2 zal meer cijfermatige informatie worden gegeven in volgende bestuursverslagen. In 6.3 staat wat er op het gebied van Wmo breed is gedaan. Daar horen ook de centrumtaken bij.

Vragen Nissewaard Lokaal Algemene vragen of suggesties:

1) In het bestuursverslag wordt structureel een vergelijking gemaakt met landelijke cijfers.

Nissewaard lokaal vraagt zich of een vergelijking met de cijfers van referentiegemeentes (vergelijkbare “newtown”gemeentes ) niet meer informatie zou kunnen geven hoe wij het doen t.o.v. van vergelijkbare gemeentes. Kunnen wij vergelijkingen krijgen met referentiegemeentes?

Reactie: Het vinden van goede referentiegemeenten is lastig. Niet op alle onderdelen zijn dezelfde gemeenten (bijvoorbeeld andere Newtowns) vergelijkbaar. Door aan te geven hoe de 50% meest gemiddelde gemeenten presteren, is een goed beeld te geven van de mate waarin gemeenten van elkaar verschillen en Nissewaard hier van afwijkt. Bij specifiek beleid kan het wenselijk zijn wel naar vergelijkbare gemeenten te kijken. Dit zal dan niet worden nagelaten.

2) Kunnen er meer relaties worden gelegd met de begroting en de indicatoren uit deze begroting zodat we (nog beter) in staat worden gesteld een link te leggen tussen de middelen en de prestaties en effecten?

Reactie: Ten behoeve van het volgende bestuursverslag kunnen we bekijken welke indicatoren uit de begroting ook kunnen worden opgenomen in het bestuursverslag.

Vragen m.b.t. bestuursverslag :

Blz 3 : De doelen die de raad reeds heeft vastgesteld voor het sociaal domein zijn:  Kinderen en jeugdigen groeien gezond, kansrijk en veilig op en zijn straks als volwassenen in staat te functioneren in de samenleving  Inwoners kunnen voor zichzelf en hun directe omgeving zorgen  Inwoners zijn sociaal betrokken en dragen naar vermogen bij aan de samenleving

3) Bovenstaande doelen zijn vrij algemeen/ universeel, we vragen ons af of deze doelstellingen te vertalen zijn naar prestaties of effectmetingen?

Antwoord: Deze algemene doelen worden momenteel vertaald naar doelen op strategisch en operationeel niveau. Deze worden begin 2023 aan u aangeboden. De vertaling naar effectmeting is in dit bestuursverslag zoveel mogelijk gedaan. Ons inziens zeggen de opgenomen indicatoren iets over de mate waarin de algemene doelen op dit moment worden bereikt.

Op blz 7 Steeds minder mensen komen snel, binnen een jaar, terug in de uitkering (9,1% t.o.v. ruim 15% twee jaar daarvoor). De inspanning op duurzame uitstroom heeft effect.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

18 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

4.1) 4.2) 4.3)

Wat wordt hierin verstaan onder duurzame uitstroom?

Hoe ziet deze inspanning eruit?

Waarom stijgt het aantal huishoudens dat langer dan 5 jaar een uitkering heeft?

Antwoord op 4.1: Duurzame uitstroom betekent dat een inwoner niet binnen een jaar terugkeert in de uitkering.

Antwoord op 4.2: De inspanning bestaat uit verschillende zaken. Het betreft bijvoorbeeld een goede voorbereiding van de werkzoekende, onder andere door het aanleren van vaardigheden en goede voorbereiding op de baan, contacten met werkgevers en zo nodig het bieden van nazorg, door middel van bijvoorbeeld jobcoaching, als de uitstroom al is gerealiseerd.

Antwoord op 4.3: Zie het antwoord op vraag 11 van Jong Nissewaard.

Op blz 7 2.3 Opvoeden en opgroeien Voor het eerst sinds de invoering van de Jeugdwet zit Nissewaard met jeugdigen tot 18 jaar met jeugdhulp in natura, binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland. Voor het derde jaar op rij presteert Nissewaard beter dan het landelijk gemiddelde en voor het tweede jaar op rij is er een daling van het aantal jeugdigen met jeugdhulp tot 18 jaar te zien. Dit terwijl landelijk in 2021 het aantal jeugdigen met jeugdhulp is gestegen. Het aantal 18-23-jarigen met verlengde jeugdhulp stijgt echter al twee jaar op rij fors en bedraagt eind 2021 240 jongeren, waardoor het totaal aan indicaties jeugdhulp (0-23 jaar), hoger is dan in 2021.

5) Welke prestaties zijn dit? Zijn dit investeringen in de toegang of daalt het totaal aantal jeugdigen binnen Nissewaard (demografische ontwikkelingen?) Antwoord: Het aantal jeugdigen binnen Nissewaard blijft redelijk constant. De daling in jeugdigen met jeugdhulp tot 18 jaar is daarmee een effect van ingezet beleid en uitvoering om te normaliseren.

Er worden andere oplossingen geboden dan het doorverwijzen naar professionele (specialistische) jeugdhulp. Het is inderdaad met name de toegang waar dit effect is te zien. De uitstroom van jeugdigen uit de jeugdhulp blijft nog achter. Dit is een beeld dat in de gehele regio en vaak ook breder in Nederland, wordt gezien.

Op blz 8 Momenteel wordt gewerkt aan een overzicht van doelen en bijbehorende inspanningen om die doelen te gaan bereiken. Deze doelen en inspanningen moeten in deze collegeperiode bijdragen aan de toekomstbestendigheid van het sociaal domein en daarmee aan het beperken van het financieel risico. In de perspectiefnota die in de zomer van 2022 aan de raad is gepresenteerd, is opgenomen dat nader te besluiten maatregelen een bedrag moeten opleveren van € 0,5 miljoen in 2022 tot € 3,5

6) Wanneer is dit overzicht van doelen en bijbehorende inspanningen om die doelen te gaan bereiken klaar?

Antwoord: Zie beantwoording vraag 5 Jong Nissewaard.

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

19 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Op Blz 10 Het percentage inwoners dat deelneemt aan activiteiten in de wijk of van clubs en verenigingen (onderstaande grafiek) is in 2020 met 46,7% lager dan het landelijk gemiddelde, maar nog net wel binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland. De dalende trend die hierbij in Nederland te zien is, herkennen we ook binnen Nissewaard, al is die in Nissewaard iets sterker. Over 2021 zijn geen nieuwe cijfers beschikbaar.

7) Op welke wijze kan de gemeente hierop sturen? (is hier überhaupt op te sturen?) en welk doel is hierop te stellen?

Antwoord: Via inzet van bijvoorbeeld combinatiefunctionarissen, rechtstreeks of via verenigingen, is hierop invloed uit te oefenen. Echt sturen is niet mogelijk. Met betrekking tot het stellen van doelen binnen de programmalijn sterke samenleving verwijzen we naar de doelen die door het college worden gesteld voor deze periode en die begin 2023 aan u worden voorgelegd.

Blz 10: eenzaamheid Over eenzaamheid vindt niet jaarlijks een meting plaats. Uit onderstaande tabel blijkt dat de meting uit de Nissewaard Peiling over 2020 nauwelijks afwijkt van de landelijke meting in 2019. In de jaren dat geen percentage is ingevuld, is geen meting verricht.

8) Hoe kan de gemeente hierop sturen? Is het mogelijk hier een terugkerende meting in te voeren? 0.a. in het Coalitieakkoord wordt eenzaamheidsbestrijding genoemd maar om iets te kunnen bestrijden moet inzichtelijk zijn wat de cijfers binnen Nissewaard zijn. (Waar hebben we het precies over?) Antwoord: Wij verwijzen naar de beantwoording van vraag 7 van Jong Nissewaard en vraag 9 van het CDA.

Blz 11 : We ontwikkelden het Thuis in de Wijk-concept verder door. Daarbij lag in 2021 de nadruk op het versterken van de samenleving, op het ombuigen van specialistische (geïndiceerde) ondersteuning naar algemene ondersteuning en op het stroomlijnen van de ingang tot voorzieningen binnen het sociaal domein en de toegang tot het geïndiceerde aanbod.

9) Op welke manier / Hoe zien we deze genoemde ombuiging terug in de cijfers?

Antwoord: Het is moeilijk deze ontwikkeling direct te verbinden aan de cijfers. Het versterken van de samenleving is (nog) niet terug te zien in cijfers. Dit is ook vaak een langdurige ontwikkeling. Het ombuigen van specialistische hulp naar algemene ondersteuning is wel te zien bij de jeugdhulp, al is oorzaak en gevolg hier niet aan te tonen. Het stroomlijnen van de ingang en toegang is momenteel nog in ontwikkeling en is daardoor nog niet in de praktijk zichtbaar.

Blz 17: Doel uit de vorige collegeperiode is dat eind 2022 het percentage kinderen dat opgroeit in een bijstandsgezin in Nissewaard zich binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland bevindt. Het percentage kinderen in bijstandsgezinnen in Nissewaard daalt al jaren, de laatste twee jaar harder dan landelijk. Het verschil met het landelijk gemiddelde is daarmee kleiner geworden. Als de huidige trend zich doorzet, zou het doel eind 2022 haalbaar kunnen zijn. 10.1) Wat zegt dit ons als we binnen deze range zitten?

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

20 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

10.2) Welke interventies zetten wij in als gemeente om dit omlaag te brengen of zijn deze ontwikkelingen een gevolg van demografische ontwikkelingen? Kan deze

ontwikkeling/trend nader worden uitgelegd?

Antwoord op 10.1: Dit betekent dat we dan niet afwijken van de 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland. Wanneer we ons binnen de range van meest gemiddelde gemeenten bevinden, zijn we op de goede weg. Kinderen die opgroeien in een bijstandsgezin hebben een groter risico op sociale uitsluiting, jeugdhulp of om later zelf ook in armoede terecht te komen.

Antwoord op 10.2: Het aantal jeugdigen blijft in Nissewaard redelijk stabiel. Het is dus geen demografische ontwikkeling. Het hoge percentage kinderen in een bijstandsgezin is vermoedelijk een gevolg van een hoger aantal eenoudergezinnen dan gemiddeld. Door in te zetten op re-integratie van bijstandsgerechtigden met kinderen, kan het aantal kinderen dat opgroeit in een bijstandsgezin verminderen.

Blz 29: Bij voortijdig schoolverlaten, jeugdigen die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten, heeft zich tot en met 2017 in Nissewaard een sterke daling voorgedaan, die ertoe heeft geleid dat Nissewaard binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland zat. In 2020 is het percentage voortijdig schoolverlaten omhoog geschoten en ligt nu hoger dan de 50% meest gemiddelde gemeenten. Doel uit de vorige collegeperiode is eind 2022 binnen de range van 50% gemiddelde gemeenten te zitten. Onzeker is of dit kan worden behaald.

11) Waarom is dit onzeker? Kan dit verder worden uitgelegd?

Antwoord: Dit doel kan alleen worden behaald als op dit onderdeel een flinke inhaalslag wordt gemaakt. Schooljaar 2020/2021 laat immers een grote stijging zien, waardoor we hoger liggen dan de 50% meest gemiddelde gemeenten. Die inhaalslag is wellicht mogelijk door gezamenlijke inspanning van scholen en gemeente, maar het resultaat is allerminst zeker.

Vragen Lijst Verweij (nagekomen) Omdat de vragen van Lijst Verweij na de inleverdatum zijn ontvangen, zijn de antwoorden summier.

1. Het aantal bijstandsgerechtigden in de leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder per 1000 inwoners ligt ver boven het landelijk gemiddelde. Leeftijdsdiscriminatie bij het vinden van een baan speelt mogelijk een rol. Wat kan de rol van de gemeente hierin zijn?

Antwoord: Het is een gemeentelijke taak om in een meldpunt discriminatie te voorzien (Radar), waar ook signalen van leeftijdsdiscriminatie kunnen worden gemeld. Zie verder antwoord op vraag 2 van Jong Nissewaard.

2. het percentage jeugdhulp met verblijf in de groep van 18-jarigen en ouder ligt 50% hoger dan gemiddeld in Nederland. Als reden wordt minder doorstroming naar volwassenzorg genoemd. Wat is de reden hiervan en wat kan hieraan gedaan worden?

datum

pagina

betreft

12 oktober 2022

21 van 21

Beantwoording technische vragen bestuursverslag sociaal domein 2021

Antwoord: Zie antwoord op vraag 3 Jong Nissewaard.

3. Schoolverzuim is in Nissewaard 3 x zo hoog als landelijk (56 per 1000 t.o.v. 19 per 1000 inwoners). In hoeverre kan een leerplichtambtenaar hier een rol spelen?

Antwoord: De leerplichtambtenaar voert inderdaad de wettelijke taken uit rondom schoolverzuim, dit zijn leerlingen stimuleren (weer) naar school te gaan, vrijstellingen beoordelen en handhaven bij schoolverzuim. De inzet rondom leerplicht en RMC/VSV (voortijdig schoolverlaten), zijn sinds kort meer met elkaar gekoppeld. Zie ook het antwoord op vraag 20 van Jong Nissewaard.

4. VPW heeft een stage beleid ontwikkeld met als doel meer stageplekken voor leerlingen van diverse opleidingen. Het College wil hier een voorbeeldfunctie vervullen. Wat is het resultaat tot dusver?

Antwoord: Sinds begin 2022 wordt dit beleid uitgevoerd. Het betreft 1 BBL stage op MBO-niveau, 2 meewerkstages op MBO-niveau, 2 HBO-onderzoeksopdrachten voor in totaal 8 studenten, en 10-15 meeloopstages vanuit Vso Maarland in Brielle. Momenteel lopen gesprekken met het Praktijkcollege over het realiseren van stageplekken in het Groen.

Bekijk de brief: Memo beantwoording vragen bestuursverslag 2021

Bron: raadsinformatie van de gemeente Nissewaard (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Nissewaard

Alle artikel 35-vragen in Nissewaard