20 mei 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Noordwijkerhout

Raadsbrief beantwoording schriftelijke vragen Helder PvdI D66 DEF

Een raadslid stelde op 20 mei 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout (8 vragen).

In het kort

8 vragen en wat het college antwoordt

  • Kan het college toelichten hoe de open normen “eigen kracht”, “gebruikelijke hulp”, “bovengebruikelijke hulp” en “sociaal netwerk” in de Verordening Jeugdhulp Gemeente… → De verordening bevat duidelijke beoordelingscriteria en een vaste werkwijze, waardoor deze begrippen op een objectieve en gelijke manier worden toegepast.
  • Hoe voorkomt het college dat ouders van kinderen met een levensbrede beperking structureel worden overvraagd doordat professionele hulp pas beschikbaar komt nadat eerst… → De verordening bevat expliciete waarborgen om te voorkomen dat ouders overbelast raken.
  • Hoe verhoudt artikel 2 lid 5 en artikel 10 lid 1 van de verordening zich tot het uitgangspunt van individuele beoordeling uit artikel 2.3 Jeugdwet, nu de verordening… → De verordening sluit aan bij de Jeugdwet en borgt dat altijd sprake is van een individuele beoordeling.
  • Op welke wijze waarborgt het college dat inwoners vooraf voldoende rechtszekerheid hebben over wanneer zij wel of geen aanspraak maken op jeugdhulp, mede in het licht… → In de geciteerde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt veel gewicht toegekend aan de beginselen van rechtszekerheid en het verbod op willekeur.
  • Hoe beoordeelt het college het juridische risico dat ondersteuning vanuit het lokaal team, ondersteuning op school en andere individueel afgestemde hulpvormen feitelijk… → Het college is zich bewust van de geldende rechtspraak en borgt dit onderscheid in de verordening.
  • Hoe verhoudt artikel 10 lid 3, artikel 11 lid 6 en artikel 12 lid 2 van de verordening zich tot artikel 2.6 lid 1 onder e Jeugdwet en recente jurisprudentie zoals… → De verordening sluit aan bij de Jeugdwet en de geldende rechtspraak.
  • Waarom kiest het college ervoor om bij PGB-aanvragen aanvullende en zware motiverings- en administratieve eisen op te leggen, terwijl uit jurisprudentie zoals… → Artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel onder a en b van de Jeugdwet luidt als volgt: Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: o a.de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het…
  • Hoe rechtvaardigt het college de brede uitsluitingsgronden rond PGB-vaardigheid, zoals schuldenproblematiek, psychiatrische problematiek, verslaving en het ontbreken van… → De verordening sluit niemand automatisch uit van een pgb.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Kan het college toelichten hoe de open normen “eigen kracht”, “gebruikelijke hulp”, “bovengebruikelijke hulp” en “sociaal netwerk” in de Verordening Jeugdhulp Gemeente Noordwijk 2026 objectief, toetsbaar en rechtsgelijk worden toegepast, nu concrete afbakeningscriteria grotendeels in de Verordening Jeugdhulp Noordwijk 2026 ontbreken?

Antwoord van het college

De verordening bevat duidelijke beoordelingscriteria en een vaste werkwijze, waardoor deze begrippen op een objectieve en gelijke manier worden toegepast. Bij elke aanvraag wordt gekeken naar concrete factoren zoals leeftijd van het kind, de aard, duur en intensiteit van de hulpvraag en de belastbaarheid van ouders. Op basis daarvan wordt beoordeeld of sprake is van gebruikelijke hulp of dat professionele ondersteuning nodig is. Deze systematiek zorgt ervoor dat besluiten navolgbaar en controleerbaar zijn. Uitkomsten worden vastgelegd in een ondersteuningsplan en – indien van toepassing, in een beschikking. Uit de rechtspraak komt naar voren dat bij het al dan niet toekennen van een voorziening moet blijken dat een toets naar aanleiding van de individuele situatie heeft plaatsgevonden. Vraag:

Vraag 2

Hoe voorkomt het college dat ouders van kinderen met een levensbrede beperking structureel worden overvraagd doordat professionele hulp pas beschikbaar komt nadat eerst maximaal beroep is gedaan op ouders, mantelzorgers en/of sociaal netwerk?

Antwoord van het college

De verordening bevat expliciete waarborgen om te voorkomen dat ouders overbelast raken. De verordening schrijft niet voor dat eerst maximaal op ouders wordt geleund. Het uitgangspunt is dat wordt gekeken wat ouders kunnen, maar altijd binnen redelijke grenzen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met onder andere de gezondheid, draagkracht, werk, gezinssituatie en financiële omstandigheden van ouders. Wanneer sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt juist professionele hulp ingezet en kan niet langer van ouders worden verwacht dat zij de benodigde ondersteuning zelf leveren. In de toelichting is daarnaast vastgelegd dat inzet van eigen kracht niet mag leiden tot onevenredige gevolgen voor het gezin. Daarbij geldt dat wanneer de zorgvraag van een jeugdige zó zwaar en blijvend is dat sprake kan zijn van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, ook moet worden beoordeeld of een ander wettelijk kader, zoals de Wet langdurige zorg, van toepassing is. Dat is niet automatisch bij iedere levensbrede beperking het geval, maar hangt af van de aard, zwaarte en duur van de ondersteuningsbehoefte. In die gevallen moet het college de hulpvraag afstemmen op het passende wettelijke kader. Vraag:

Vraag 3

Hoe verhoudt artikel 2 lid 5 en artikel 10 lid 1 van de verordening zich tot het uitgangspunt van individuele beoordeling uit artikel 2.3 Jeugdwet, nu de verordening gebruikelijke hulp, eigen kracht en sociaal netwerk expliciet als voorliggende oplossing positioneert?

Antwoord van het college

De verordening sluit aan bij de Jeugdwet en borgt dat altijd sprake is van een individuele beoordeling. Artikel 2 en artikel 10 geven daarbij invulling aan hoe die beoordeling plaatsvindt. In artikel 2 is opgenomen dat eerst wordt gekeken wat ouders en het sociaal netwerk zelf kunnen doen. Artikel 10 beschrijft vervolgens hoe de uiteindelijke toegang tot hulp wordt bepaald. Hierin staat dat Pagina 2 van 5 per aanvraag wordt beoordeeld of de eigen mogelijkheden van het gezin en het netwerk voldoende zijn om de hulpvraag op te lossen. Samengevat betekent dit dat eigen kracht, gebruikelijke hulp en het sociaal netwerk niet als automatische oplossing worden opgelegd, maar als onderdeel van een bredere afweging worden meegenomen. De combinatie van artikel 2 en artikel 10 zorgt er juist voor dat iedere situatie zorgvuldig en individueel wordt beoordeeld, in lijn met artikel 2.3 van de Jeugdwet. De toelichting benadrukt dat deze werkwijze bedoeld is om keuzes inzichtelijk en juridisch houdbaar te maken, niet om de toegang tot hulp te beperken. Vraag:

Vraag 4

Op welke wijze waarborgt het college dat inwoners vooraf voldoende rechtszekerheid hebben over wanneer zij wel of geen aanspraak maken op jeugdhulp, mede in het licht van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2025:408 waarin duidelijkheid en voorspelbaarheid centraal staan?

Antwoord van het college

In de geciteerde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt veel gewicht toegekend aan de beginselen van rechtszekerheid en het verbod op willekeur. In de verordening zijn duidelijke beoordelingscriteria opgenomen wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op jeugdhulp en hoe deze beoordeling wordt uitgevoerd. Het toetsen aan de bepalingen vindt altijd plaats op basis van de individuele situatie. In de verordening worden de verschillende stappen beschreven. Indien al dan niet wordt overgegaan tot het toekennen van een individuele voorziening, volgt een gemotiveerd besluit op basis van een ingediend ondersteuningsplan. Wanneer de aanvrager het niet eens is met het besluit, kan daartegen bezwaar en/of beroep worden ingesteld. De combinatie van de verordening, de toelichting daarop en de nog vast te stellen beleidsregels zorgt voor een duidelijk kader waarbij maatwerk niet wordt uitgesloten. De uniforme toepassing van deze combinatie aan regelgeving door Voorieder1 draagt bij aan de gewenste duidelijkheid en voorspelbaarheid. Vraag:

Vraag 5

Hoe beoordeelt het college het juridische risico dat ondersteuning vanuit het lokaal team, ondersteuning op school en andere individueel afgestemde hulpvormen feitelijk als algemene voorziening worden ingezet, terwijl recente jurisprudentie juist aangeeft dat individueel afgestemde ondersteuning niet als algemene voorziening kan worden aangemerkt, onder meer in ECLI:NL:RBNNE:2025:4928 en ECLI:NL:RBLIM:2018:4613?

Antwoord van het college

Het college is zich bewust van de geldende rechtspraak en borgt dit onderscheid in de verordening. Uitgangspunt is dat altijd eerst een individuele beoordeling plaatsvindt van de hulpvraag en de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en het gezin. Die individuele beoordeling leidt echter niet automatisch tot een individuele voorziening: als een algemene voorziening passend en toereikend is, kan daarnaar worden verwezen. Pagina 3 van 5 Daarbij geldt wel dat ondersteuning alleen als algemene voorziening kan worden ingezet als deze naar aard en opzet algemeen toegankelijk is en niet feitelijk neerkomt op individueel afgestemde hulp. In de eerstgenoemde uitspraak ging het om een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo waarbij het betreffende college had nagelaten om te onderzoeken welke concrete ondersteuning naar aard en omvang nodig was. Die rechtspraak onderstreept juist het belang van een zorgvuldige individuele beoordeling en van een juiste kwalificatie van de voorziening. Vraag:

Vraag 6

Hoe verhoudt artikel 10 lid 3, artikel 11 lid 6 en artikel 12 lid 2 van de verordening zich tot artikel 2.6 lid 1 onder e Jeugdwet en recente jurisprudentie zoals ECLI:RBOVE:2025:3382, waarin wordt geoordeeld dat gemeenten geen inhoudelijke herbeoordeling mogen uitvoeren na verwijzing door een huisarts, jeugdarts of medisch specialist?

Antwoord van het college

De verordening sluit aan bij de Jeugdwet en de geldende rechtspraak. Na verwijzing door een huisarts/medisch specialist wordt geen medisch-inhoudelijke herbeoordeling gedaan. De huisarts/medisch specialist verwijst in beginstel naar jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft. In de aangehaalde uitspraak ging het om jeugdhulp in de vorm van Pgb waarbij het college in toekenningsbesluit een andere jeugdhulpaanbieder aanwees, terwijl de ouders een andere aanbieder hadden genoemd in hun aanvraag. Een dergelijke situatie is in de Verordening uitgesloten (zie artikel 7 lid 3 van de Verordening). Vraag:

Vraag 7

Waarom kiest het college ervoor om bij PGB-aanvragen aanvullende en zware motiverings- en administratieve eisen op te leggen, terwijl uit jurisprudentie zoals ECLI:RBOVE:2017:3709 en ECLI:RBNHO:2022:12454 volgt dat een inwoner niet overtuigend hoeft te bewijzen waarom zorg in natura niet passend zou zijn?

Antwoord van het college

Artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel onder a en b van de Jeugdwet luidt als volgt: Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: o a.de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; o b.de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; In de eerste aangehaalde uitspraak geeft de rechtbank aan dat dit inhoudt dat het college niet moet beoordelen of de aangeboden individuele voorziening al dan niet passend is, maar moet beoordelen Pagina 4 van 5 of ouders zich gemotiveerd op het standpunt hebben kunnen stellen dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder niet passend is. Daarbij geldt ook dat “overtuigend bewijzen” iets anders is dan “kunnen motiveren”. In de verordening wordt het tweede gevraagd (zie artikel 17 lid 1 en 2 onderdeel a van de verordening). Artikel 17 in de verordening past binnen de geldende rechtspraak. Daarnaast is het stellen van aanvullende eisen vanuit de Jeugdwet toegestaan. In de verordening is ten opzicht van de huidige verordening nader gespecificeerd wat deze aanvullende eisen zijn. Vraag:

Vraag 8

Hoe rechtvaardigt het college de brede uitsluitingsgronden rond PGB-vaardigheid, zoals schuldenproblematiek, psychiatrische problematiek, verslaving en het ontbreken van een VOG, terwijl artikel 8.1.1 Jeugdwet uitgaat van een individuele beoordeling en de Sociale Verzekeringsbank reeds uitgebreide controlemechanismen kent voor rechtmatige besteding van PGB-middelen?

Antwoord van het college

De verordening sluit niemand automatisch uit van een pgb. Er wordt altijd individueel beoordeeld of een pgb passend en verantwoord is. De factoren die genoemd worden, zoals schulden of psychische problematiek, zijn geen uitsluitingsgronden, maar signalen waarop extra zorgvuldig wordt beoordeeld of iemand een pgb goed kan beheren. De rol van de gemeente is daarbij anders dan die van de SVB: de SVB controleert achteraf de betaling, het college beoordeelt vooraf of een pgb verantwoord kan worden ingezet in het belang van het kind. Kort gezegd: het college beperkt de toegang tot pgb niet, maar zorgt ervoor dat een pgb alleen wordt ingezet als dit veilig, uitvoerbaar en passend is voor de situatie van het gezin. In de toelichting is aangegeven dat deze aanscherping nodig is om de kwaliteit, rechtmatigheid en controleerbaarheid van besteding van publieke middelen te borgen.

Bekijk de brief: Raadsbrief beantwoording schriftelijke vragen Helder PvdI D66 DEF

Bron: raadsinformatie van de gemeente Noordwijkerhout (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Noordwijkerhout

Alle artikel 35-vragen in Noordwijkerhout