Technische sessie Invoering Omgevingswet - niet beantwoorde vragen
Een raadslid stelde op 9 januari 2024 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (1 vragen).
In het kort
1 vragen en wat het college antwoordt
- Voorts ontvangt de commissie de lijst met gevallen wanneer een uitgebreide procedure moet worden gevolgd. → In het besluitvormingsmodel zijn de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning opgenomen.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Stadsontwikkeling Klimaat, Bouwen, Wonen Drs. C.M. Zeegers MA Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Website: www.rotterdam.nl Van: Remco Verschoor E-mail: [email protected]
Aan de commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte
Uw kenmerk: 24bb000088 Ons kenmerk: M2401-2271 - 24bo003154 Bijlage(n): 1 Onderwerp: Technische sessie Invoering Omgevingswet - niet beantwoorde vragen Datum: 13 februari 2024
Beste commissieleden, Tijdens de technische sessie op 9 januari 2024 over de Omgevingswet heeft u enkele vragen gesteld die niet meteen beantwoord konden worden. Er is toegezegd dat deze alsnog door middel van een brief zouden worden beantwoord. Hieronder een overzicht van uw vragen en de bijbehorende antwoorden.
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Voorts ontvangt de commissie de lijst met gevallen wanneer een uitgebreide procedure moet worden gevolgd. Ad.1. Hoe passen de omgevingsprogramma’s in het besluitvormingsmodel voor ruimtelijke ontwikkelingen?
Antwoord van het college
In het besluitvormingsmodel zijn de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning opgenomen. Omgevingsprogramma’s staan er niet expliciet in.
In omgevingsprogramma’s worden uitvoeringsmaatregelingen opgenomen om de beleidsdoelstellingen uit de omgevingsvisie te behalen. Omgevingsprogramma’s zijn uitvoeringsgericht en voor de korte termijn. Ze worden door het college vastgesteld.
Aanvragen voor een omgevingsvergunning worden getoetst aan het omgevingsplan, maar ook aan eventuele omgevingsprogramma’s. Op die manier is het omgevingsprogramma onderdeel van de besluitvorming.
Omgevingsprogramma’s komen dus voort uit de omgevingsvisie en zijn toetsingskader voor de omgevingsvergunning. Vanuit de Omgevingswet zijn er verplichte en vrijwillige omgevingsprogramma’s. De verplichte programma’s volgen onder andere uit Europese regelgeving. Een voorbeeld hiervan is het Actieplan Geluid.
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
2/5 13 februari 2024 M2401-2271
Gemeenten kunnen daarnaast ook zelf (vrijwillig) kiezen om een omgevingsprogramma’s vast te stellen. Dat zijn de vrijwillige omgevingsprogramma’s.
Ad. 2. Een besluit tot onteigening is onder de Omgevingswet aan de raad en niet meer aan de Kroon: graag een toelichting en betekent dit een ‘lichtere toets’?
Tot 1 januari 2024, verzocht uw raad de Kroon (regering & de koning) om een onteigeningsbesluit voor de gemeente te nemen. De gemeente bleef wel zelf verantwoordelijk voor de inhoud en de kwaliteit van het onteigeningsdossier. De Kroon toetste uitsluitend hetgeen werd aangeleverd door de gemeente. De burgerlijke rechter stelde vervolgens de hoogte van de onteigeningschadeloosstelling vast. De Kroon heeft nu geen enkele rol meer bij de onteigeningen door de gemeente.
De gemeenteraad neemt nu zelfstandig een besluit tot onteigening. Belanghebbenden kunnen bij de rechtbank bedenkingen indienen tegen de onteigeningbeschikking en elke onteigening moet door de rechtbank bekrachtigd worden. Ook als er geen bedenkingen zijn. Nadat de rechtbank de onteigeningbeschikking bekrachtigd heeft, kunnen belanghebbenden nog hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wat niet is veranderd, is dat de burgerlijke rechter de hoogte van de schadeloosstelling vaststelt.
Voor wat betreft de inhoudelijke toetsing verandert er niet veel omdat de beoordelingsmaatstaven van het onteigeningsbesluit hetzelfde zijn gebleven en deze nu ook zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Nu is het niet meer de Kroon die het onteigeningbesluit gaat toetsen, maar, zoals hiervoor vermeld, een onafhankelijke rechter.
De rechter heeft wel iets meer mogelijkheden om een eventueel klein gebrek te (laten) repareren; een mogelijkheid die de Kroon niet had. De verwachting is echter niet dat er sprake zal zijn van een lichtere toets. De verwachting is meer dat er sprake zal zijn van een intensieve en volle toetsing door de rechter (vergelijkbaar met de toetsing door de Kroon).
De praktijk zal dit moeten uitwijzen.
Ad. 3. Over het voorkeursrecht: vestiging op basis van een omgevingsplan vraagt een verlengingsbesluit: wat betekent ‘verlenging’?
Het college kan op korte termijn een voorlopig voorkeursrecht vestigen. De gemeenteraad kan dan vervolgens binnen drie maanden een definitief voorkeursrechtbesluit nemen.
Het definitieve voorkeursrechtbesluit moet plaatsvinden op een van de volgende vestigings-grondslagen, waarbij per vestigingsgrondslag een maximale vestigingsduur geldt:
- voorgenomen bestemmingswijziging (3 jaar)
- omgevingsvisie (modernisering) (3 jaar)
- omgevingsplan (modernisering) (5 jaar)
- verlengingsbesluit (>5 jaar)
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
3/5 13 februari 2024 M2401-2271
Het voorkeursrecht wordt automatisch verlengd (blijft van kracht) als de in het bovenstaand schema genoemde termijnen worden gehaald voor het vaststellen van de opvolgende vestigingsgrondslag (omgevingsvisie of omgevingsplan).
Alleen voor een vestiging op grond van het omgevingsplan is de oorspronkelijke vestigingsduur van tien jaar teruggebracht naar een periode van vijf jaar. Als de gemeenteraad het voorkeursrecht op basis van het omgevingsplan wil verlengen, zal zij een apart besluit nemen om over te gaan tot nog eens een verlenging van vijf jaar. (Doet de raad dit niet, dan vervalt het voorkeursrecht).
Ad.4. In welke vijf gebieden wordt gestart met de opbouw van het omgevingsplan?
We starten in 2024 met een aantal gebieden,. Deze gebieden worden niet eerder dan in 2025 voor besluitvorming in de raad aangeboden. Het gaat om de volgende gebieden:
Gebied 1 Pendrecht-Zuidwijk, Lombardijen en Charlois Lagendijk Gebied 4 IJsselmonde Gebied 5 Carnisse Tarwewijk Gebied 6 Oud Charlois-Wielewaal, Carnisse Gebied 23 Groene zoom: Vlinderstrik, Schieveen, Schiezone De nummers corresponderen met de nummers op de kaart (zie bijlage: Kaart met 39 gebieden voor opstellen omgevingsplan).
Ad. 5. Komen de 39 gebieden overeen met de 39 wijkraden?
Nee, de gebieden komen niet overeen met de 39 wijkraden. We kunnen alleen telkens hele bestemmingsplannen omzetten, dus moeten we uitgaan van de huidige bestemmingsplangrenzen. De circa 150 bestemmingsplannen die Rotterdam kent, zijn voorlopig ingedeeld in 39 gebieden.
Bij de indeling in gebieden is gezocht naar welke bestemmingsplannen bij elkaar een behapbaar deel voor de omzetting vormen. Deze 39 gebieden zijn gekozen op basis van geografische ligging en ruimtelijke samenhang en de gebieden houden de bestemmingsplangrenzen aan. De wijkraden worden uiteraard betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.
Ad. 6. Voorts ontvangt de commissie de lijst met gevallen wanneer een uitgebreide procedure moet worden gevolgd.
De lijst met gevallen wanneer een uitgebreide procedure moet worden gevolgd staat in artikel 10.24 lid 1 van het Omgevingsbesluit. De uitzonderingen erop staan in lid 2 tot en met 4 van datzelfde artikel. Het artikel luidt als volgt:
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
4/5 13 februari 2024 M2401-2271
Lid 1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om, wijziging van of intrekking van een omgevingsvergunning, als de aanvraag, wijziging of intrekking geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de volgende activiteiten:
a. een rijksmonumentenactiviteit als het gaat om een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a of b;
b. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een ippcinstallatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een Sevesoinrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in artikel 3.63, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalstoffenvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lozen van afvalwater afkomstig van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
g. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lozen van afvalwater afkomstig van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
h. een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, 3.42, tweede lid, 3.108, 3.141, 3.149, 3286 derde lid, 3.301, tweede lid, 6.55, eerste lid, onder c, of 7.60, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
i. een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
j. een Natura 2000-activiteit; of
k. een wateractiviteit anders dan bedoeld in de onderdelen f tot en met i, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, als die betrekking heeft op: 1°.een ippc-installatie; of 2°.een Seveso-inrichting.
Lid 2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, als die activiteit alleen wordt verricht voor archeologisch vooronderzoek voor zover dit bestaat uit booronderzoek, proefputtenonderzoek, proefsleuvenonderzoek, of, bij cultureel erfgoed onder water, het nemen van materiaalmonsters of het meenemen van een archeologische vondst als bedoeld in de Erfgoedwet.
Lid 3. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder d, als die activiteit alleen of voornamelijk wordt uitgevoerd voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe methoden of producten gedurende minder dan twee jaar, tenzij aannemelijk is dat de activiteit significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu.
Lid 4. Dit artikel is niet van toepassing op een wijziging van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, en k, onder 1°, als die wijziging naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu.
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
5/5 13 februari 2024 M2401-2271
Ik stel u voor hiermee toezegging 24bb000088 als afgedaan te beschouwen.
Bron: raadsinformatie van de gemeente Rotterdam (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.