tornt gemeente aan provinciaal woonbeleid
Een raadslid stelde op 31 januari 2024 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Gemeente Rotterdam
Stadsontwikkeling Klimaat, Bouwen, Wonen Drs. C.M. Zeegers MA Van: M. Noeverman Telefoon: 14 010 Uw kenmerk: 24bb000236 Ons kenmerk: M2401-3932-- 24b0002848 Onderwerp: Tornt gemeente aan provinciaal woonbeleid
Aan de gemeenteraad
Datum: 30 januari 2024
Op 18 januari 2024 stelden T.S.J. Coskun (SP), G.J. Engberts (PvdA), T. Kind (Volt), A.
Kockelkoren (GroenLinks), R.G.C. Segers-Hoogendoorn (CDA Rotterdam), R.T.J. van der Velden (Partij voor de Dieren), P.J.H.D. Verkoelen (50PLUS), M.M. Vlasblom (BIJl) én T.J.
Vonk (ChristenUnie) ons schriftelijke vragen over "Tornt gemeente aan provinciaal woonbeleid?".
Inleidend wordt gesteld: "Gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft zich voorgenomen de provinciale Omgevingsvisie aan te passen op het onderwerp ('module') van wonen. Dat blijkt uit een Nota van Toelichting1 die aan provinciale staten ter vaststelling is voorgelegd. Ze neemt zich voor als doelstelling op te nemen realisering van minimaal twee derde aan betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma met daarvan de helft in corporatiebezit. De andere helft betreft middenhuur en betaalbare koop, waarbij de prijsgrenzen van €1.000 per maand prijspeil 2022 respectievelijk €335.000 worden gehanteerd.
De gemeente Rotterdam heeft gereageerd op de voorgestelde wijziging van de provinciale Omgevingsvisie, zoals valt op te maken uit de Nota van Beantwoording2 van oktober vorig jaar. Ze reclameert tegen de voorgestelde wijzigingen. Zo valt de gemeente over het woord 'minimaal' waar het realisering van minimaal twee derde aan betaalbare woningbouw betreft vanaf 2025. Ook wil de gemeente de vrijheid om zelf te bepalen hoe ze toewerkt naar twee derde nieuwbouwproductie aan betaalbare huur- en koopwoningen. De gemeente denkt zich deze vrijheid toe te kunnen dichten omdat ze reeds meer dan dertig procent aan sociale huurwoningen in de stedelijke woningvoorraad heeft. "
'https://pzh.notubiz.nl/document/ 13 3 21944/ l /Nota+van+Toelichting+±Herziening+Omgevingsbeleid+module±Wonen± Werken±en±Werelderfgoed 2 https://pzh.notubiz.nl/document/13321946/1/Nota+van+Beantwoording+• +Herziening+Omgevingsbeleid+module+ Wonen%2C+Werken+en+Werelderfgoed
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
2/7 30 januari 2024 M2401-3932
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:
Vraag 1: Waarom heeft u dit punt aangedragen? Vindt u de doelstelling lastig realiseerbaar of vindt u het oneerlijk.
Antwoord:
De zienswijze van de gemeente Rotterdam heeft betrekking op een versie van het provinciale Omgevingsbeleid uit oktober 2022. In deze versie stond de volgende passage:
Elk regionaal woningbouwprogramma moet vanaf 2025 voor 2/3° uit betaalbare woningbouw bestaan, waarvan de helft bestaat uit middenhuur en betaalbare koop (=1/3 van totale woningbouwprogramma)." Wij hebben in onze zienswijze de provincie gevraagd, om in het beleid geen zelfgekozen doelstellingen op te nemen, wetende dat die afwijken van de sindsdien (in maart 2023) getekende Regionale Realisatieagenda regio Rotterdam. De Regionale Realisatieagenda bevat woningmarktafspraken tussen regiogemeenten, provincie Zuid-Holland, het Rijk en corporaties over zowel woningbouwaantallen als segmenten. In deze afspraken sluiten we aan bij de doelstellingen en definities uit de Nationale Woon- en Bouwagenda en de voorgenomen Wet Versterking regie op de volkshuisvesting.
In de Regionale Realisatieagenda hebben we afgesproken, toe te werken naar 2/3° betaalbaar, waarvan 1/3° door corporaties. Dat is anders dan 'waarvan 1/3 middenhuur of betaalbare koop'.
Daarnaast is de rijksdoelstelling uit de voorgenomen Wet Versterking regie op de volkshuisvesting, dat gemeenten met een sociale voorraad boven 30%, minimaal 40% middensegment moeten realiseren.
Onze zienswijze is dus geen zelfgenomen vrijheid, maar de oproep om aan te sluiten bij rijksbeleid en niet af te wijken van recente afspraken.
Voorts wordt gesteld: "Gedeputeerde staten antwoordt op de zienswijze van de gemeente Rotterdam dat deze bepalingen zijn afgesproken in de Samenwerkingsafspraken Woningbouw tussen Rijk en provincie Zuid Holland3• Gedeputeerde staten schrijven: "De 2/3 betaalbare woningbouw wordt als het minimum beschouwd omdat meer dan 2/3 betaalbare woningbouw ook mogelijk is. De provincie kiest er voor om het woord 'minimaal' wel in de tekst van de Omgevingsvisie te laten staan, omdat hiermee expliciet wordt aangegeven dat meer dan 2/3 00k mogelijk en wenselijk is". Ook is tussen provincie en Rijk afgesproken dat daarvan minimaal de helft bezit wordt van de woningcorporaties, of meer algemeen toegelaten instellingen." Vraag 2: Hoe reageert u op het antwoord van gedeputeerde staten op uw punt inzake 'minimaal' twee derde aan betaalbare woningbouw met daarvan minimaal de helft in corporatiebezit? Wist u niet af van de afspraken tussen provincie en Rijk?
ht ps://yww.zuid-holland.nl/publish/besluitenattachments/samenwerkingsafspraken-minister-voorvolkshuisvestingen-ruimtelijke-ordening-en/afspraken-zh-voorstel-bzk-6-okt.pdf
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
3/7 30 januari 2024 M2401-3932
Antwoord:
Ons college is hiermee bekend. Zoals gesteld in antwoord op vraag 1, is de Regionale Realisatieagenda een nadere invulling van de Samenwerkingsafspraken tussen Provincie Zuid-Holland en het Rijk. Daarin hebben we de doelstelling onderschreven om naar 2/3° betaalbare woningbouw toe te werken, maar hebben we ook afspraken gemaakt over de randvoorwaarden die het mogelijk moeten maken om deze programmering te realiseren.
Het is niet zonder meer mogelijk om naar deze 2/3° betaalbaar toe te groeien, laat staan daarbovenuit te gaan, zonder dat er aan verschillende kritische succesfactoren invulling is gegeven. Denk aan structurele financiële bijdragen, aansluiting op nutsvoorzieningen, en stapeling van eisen uit wet- en regelgeving over o.a. water en bodem sturend en toekomstbestendig bouwen.
Voorts wordt gesteld: "Ook reclameert de gemeente tegen de definitie van een sociale huurwoning die gedeputeerde staten wenst te hanteren. Die definitie bestaat uit drie pijlers: 1) een instandhoudingstermijn van minimaal 25 jaar; 2) geringe huurstijging; en 3) verhuur via woonruimteverdeelsysteem. In het Rotterdams Woonakkoord4 is als leidend principe opgenomen dat, in afwachting van een vastgestelde landelijke definitie, een sociale huurwoning wordt aangemerkt als: 1) er sprake is van een langjarig instandhoudingsprincipe van ten minste 25 jaar; 2) er een aanvangshuur onder de liberalisatiegrens is; en 3) de woning in kwestie beschikbaar is voor mensen onder de inkomensnorm. Het principe uit het Woonakkoord lijkt goed aan te sluiten op die van gedeputeerde staten." Vraag 3: Waarom heeft u dit punt aangedragen? En wat is er volgens u mis met de definitie van een sociale huurwoning die gedeputeerde staten in de provinciale Omgevingsvisie wenst te hanteren?
Antwoord:
Zoals onder vraag 1 is gesteld, heeft de zienswijze van de gemeente Rotterdam betrekking op een versie van het Omgevingsbeleid van de provincie die is geschreven in oktober 2022. In deze versie van het Omgevingsbeleid stond nog er een verouderde definitie van sociale huur: "huurwoningen tot de liberalisatiegrens die in het bezit zijn van woningcorporaties". Daardoor sloot het beleid niet aan op de definitie uit de voorgenomen Wet Versterking regie op de volkshuisvesting. Wij hebben in onze zienswijze aandacht gevraagd voor dit verschil.
In de nota van beantwoording geeft de provincie aan, dat de tekst inderdaad afwijkt en dat deze passage is aangepast in de nieuwe versie van het Omgevingsbeleid (d.d. oktober 2023).
Vraag 4: Denkt u licht te zien tussen enerzijds de definitie van een sociale huurwoning door gedeputeerde staten en anderzijds het leidende principe uit het Rotterdams Woonakkoord? Indien ja, waar ligt het verschil?
4
https://gemeenteraad.rotterdam.nl/Agenda/Document/2502e28a-0de6-4d37-9b68ca6c2 l ecea84?documentld=db49f82f-ef44-44a7-b6a3-f0b60247c 1 de&agendaltemld=a333bcb9-b6f3-4ce98c84- c8cf7fl6aa89
Blad:
Datum:
Ons kenmerk:
4/7 30 januari 2024 M2401-3932
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 3. Door de aanpassing van het Omgevingsbeleid na consultatie is er geen licht meer tussen de provinciale definitie en het Woonakkoord.
Voorts wordt gesteld: "Gedeputeerde staten reageert als volgt op de gemeente: "De provincie vindt het belangrijk dat alle sociale huurwoningen langjarig beschikbaar zijn voor de doelgroep, een geringe huurstijging kennen en minimaal 25 jaar beschikbaar zijn als sociale huurwoning. Om er voor te zorgen dat elke woningzoekende een eerlijke kans krijgt en om discriminatie op de woningmarkt tegen te gaan vindt de provincie het ook belangrijk dat alle sociale huurwoningen via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Sociale huurwoningen in portefeuille van woningcorporaties voldoen aan deze voorwaarden.…
Bron: raadsinformatie van de gemeente Rotterdam (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.