01 Collegebrief beantwoording vraag Parkeerbelasting.pdf
Een raadslid stelde op 14 maart 2023 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Sluis.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
gemeentesLüss 23.0001134
Postadres:
Postbus 27 4500 AA Oostburg
Inkomende documenten Gemeente Sluis
Bezoekadres:
Nieuwstraat 22 4501 BD Oostburg Telefoon 140117 Telefoon +31 (0)117 457 000 Telefax +31 (0)117 452 241
Aan de gemeenteraad
IBAN: NL33INGB0661900169 BIC code: INGBNL2A BTW-nummer: 811046321B01 www.gemeentesluis.nl [email protected]
ons kenmerk
21 OOCļ&lo
uw brief d.d.
Ge
uw kenmerk behandeld door
doorkiesnummer 0117-457272 onderwerp
Beantwoording vraag inzake Parkeerbelasting
bijlage(n)
twee
Oostburg,
- 3 FEB 2023
Dte Sluis Ingekomen
I.L Vermue-van den Oever
0 3 FEB. 2023 NR.
Geachte raadsleden,
In de vergadering van 22 december 2022 heeft raadslid mevrouw Poissonnier bij het agendapunt Belastingverordeningen 2023 gevraagd naar de onderliggende jurisprudentie omtrent het voorstel voor de Verordening Parkeerbelastingen 2023.
In de bijlagen bij deze brief vindt u de gevraagde jurisprudentie.
De kern van de uitspraak is als volgt:
De Hoge Raad beperkt zich in haar uitspraak tot de mogelijkheden van het opleggen van naheffingsaanslagen op plekken waar een maximale parkeerduur geldt. 'Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen.’ Met andere woorden: gemeenten kunnen in die gevallen geen naheffingsaanslag (meer) opleggen.
Gemeenten die op dit moment werken met een maximale parkeerduur, kunnen dat blijven doen.
Als er langer dan de maximale parkeerduur geparkeerd wordt, kan er geen naheffing opgelegd worden. De overtreding moet dan als een Mulder-feit gezien worden.
Dit betekent onder andere dat aanpassingen gedaan moeten worden in het al dan niet geautomatiseerde systeem van handhaving (technisch maar ook personeel nl. BOA). Bovendien is de constatering of bewijslast complexer geworden: om de juiste handhavingsactie toe te passen, moet de handhaver er in dit geval geheel zeker van zijn dat het voertuig niet verplaatst is tijdens de maximale parkeerduur. Tot slot gaan in dit geval de opbrengsten niet naar gemeenten, omdat het een Mulder-feit betreft.
Bovenstaande heeft geleid tot onbeperkt parkeren op locaties waar dit voorheen beperkt was. Uit de resultaten van het parkeeronderzoek moet blijken of deze situatie ongewijzigd kan blijven of niet.
Pag. 1/2
Hoogachtend, BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SLUIS,
De secretaris,
STTJēTRjēvit-Minnaert
^burgemeester,
mue
Pag. 2/2
ECLI:NL:HR:2022:346 Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2022
Datum publicatie
11-03-2022
Zaaknummer
21/00853
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2021:759 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1013
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet; een maximale parkeerduur; was belanghebbende gehouden voor de periode na ommekomst van de maximale parkeerduur parkeerbelasting op aangifte te voldoen?; artikel 20 AWR.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 11-3-2022 V-N Vandaag 2022/587 FutD 2022-0746 met annotatie van Fiscaal up to Date NTFR 2022/1072 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra V-N 2022/13.20 met annotatie van Redactie NLF 2022/0545 met annotatie van Rogier Froentjes Belastingblad 2022/147 met annotatie van R.A. Eskes NJB 2022/888 FED 2022/50 met annotatie van G. GROENEWEGEN BNB 2022/78 met annotatie van S. BOSMA
Uitspraak HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00853 Datum 11 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, nr, 19/017321, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 19/2089) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum.
1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. Ijzerman heeft op 28 oktober 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.* Belanghebbende heeft schríftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 2 februari 2019 stond op de Groest in Hilversum, een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College) aangewezen plaats waar met betaling van parkeerbelasting maximaal een uur mag worden geparkeerd. Op het in de naheffingsaanslag vermelde tijdstip stond de auto daar langer dan een uur. 2.2 De auto stond voor het overgrote deel binnen, en voor een klein deel buiten het daarvoor bestemde parkeervak, dat zich binnen vijf meter vanaf een kruising bevindt. 2.3.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 2.3.2 Volgens het Hof was sprake van parkeren in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 2019 van de gemeente Hilversum (hierna: de Verordening) omdat de auto stond op een parkeerstrook die is aangewezen als parkeerplaats waarop tegen betaling van
parkeerbelasting mag worden geparkeerd, en belanghebbende zijn auto op zodanige wijze had geparkeerd dat andere weggebruikers van dit gedeelte van de aangewezen parkeerplaats geen gebruik meer konden maken. 2.3.3 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de overschrijding van de maximale parkeerduur van een uur niet betekent dat er geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Vast staat immers dat parkeerbelasting díe op aangifte moest worden voldaan niet is betaald, aldus het Hof.
3 Beoordeling van de middelen 3.1 Het eerste middel dat zich keert tegen het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof met de stelling dat de auto gedeeltelijk stond op een plaats waar dat verboden is, faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 20/03717, ECLI:NL:HR:2022:156, waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht. 3.2.1 Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor onder 2.3.3 weergeven oordeel van het Hof.
Het middel betoogt dat niet in geschil is dat voor het eerste uur parkeren parkeerbelasting was voldaan. Het middel betoogt voorts dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen sprake meer was vem 'parkeren' van de auto in de zin van artikel 225, lid 1, Gemeentewet in
samenhang met de Verordening omdat parkeren na het verstrijken van de maximum parkeerduur van een uur niet meer was toegestaan en het laten staan van de auto dus in strijd was met een wettelijk voorschrift. 3.2.2 Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet bepaalt dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. 3.2.3 In dit geval heeft het College krachtens de Verordening bepaald dat op de Groest parkeren tegen betaling op aangifte is toegestaan voor een maximale parkeerduur van een uur.
Daarvan uitgaande moest belanghebbende voor het eerste uur parkeren op de Groest parkeerbelasting op aangifte voldoen. Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen. 3.2.4 Het Hof heeft aan zijn in 2.3.3 weergegeven oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd ten grondslag gelegd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald.
Indien het Hof daarmee heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende in het geheel geen parkeerbelasting heeft voldaan, dus ook niet voor het eerste uur, is die vaststelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof dat belanghebbende voor een uur had betaald.
Indien het Hof heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende geen parkeerbelasting had betaald voor de periode na afloop van dat eerste uur, getuigt het daarop volgende oordeel dat die parkeerbelasting terecht is nageheven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in 3.2.3 is overwogen was belanghebbende niet gehouden voor de periode na ommekomst van het eerste uur parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Naheffing van parkeerbelasting voor die periode is dan niet mogelijk omdat artikel 20 AWR de mogelijkheid tot naheffing beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald. 3.3 Het tweede middel slaagt. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.2.4 kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4 Proceskosten Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. .…
Bekijk de brief: 01 Collegebrief beantwoording vraag Parkeerbelasting.pdf
Bron: raadsinformatie van de gemeente Sluis (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.