agendapunt 8 (W&B handelingsperspectief Buitengebied).pdf
Een raadslid stelde op 3 oktober 2023 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg.
Brief van het college
Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.
Beantwoording vragen SGP-fractie over agendapunt 8 (W&B handelingsperspectief Buitengebied) Raadscommissievergadering van: 03 – 10 – 2023 Vraag
Antwoord
Aanleiding voor het Handelingsperspectief was in belangrijke mate op welke wijze de diversiteit en omvang aan ruimtevragers te prioriteren. De oplossing lijkt nu voor een belangrijk deel te zijn het combineren van functies, waardoor ruimtevragers ‘in elkaar worden geschoven’. In hoeverre sluit bestaand beleid voor Woudenberg hierop aan c.q. waar sluit het niet aan?
In het huidige beleid van Woudenberg ligt voor het agrarische deel van ons buitengebied de focus echt op de agrarische functie. Deze biedt in beperkte mate ruimte voor het combineren van functies, vooral in de vorm van nevenfuncties bij agrarische bedrijven. De verwachting is dat op termijn een beleidswijziging gewenst is, de mate waarin en wat in de toekomst het meest passend is voor het buitengebied van Woudenberg zal bezien moeten en kunnen worden, zodra op regionaal en provinciaal niveau de nieuwe kaders bepaald zijn.
In het Handelingsperspectief zien we zonering/clustering van functies c.q. kernrandzones een aantal keer naar voren komen. Tegelijkertijd zijn bijvoorbeeld agrarische bedrijven al lange(re) tijd op een bepaalde locatie gevestigd, die niet per definitie in de bedoelde zone/cluster hoeven te liggen. Zijn regio’s/gemeenten bekend die hier al ervaring mee hebben (bijv. uit FoodValley)?
Ook onder de reconstructiewet, de basis van het beleid in het huidige bestemmingsplan Buitengebied, was met een indeling in landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied en extensiveringsgebied sprake van een vorm van zonering (het agrarisch deel van het buitengebied). In onze regio en gemeenten hebben wij hier dan ook zeker ervaring mee. Op basis van die zonering heeft de ontwikkeling van het buitengebied tussen 2010 en heden plaats gevonden.
In het handelingsperspectief wordt benoemd dat het de verwachting is dat ca. 30% van de agrarische gronden vrijkomen door vrijwillige beëindiging. Ook wordt geconstateerd dat voor extensivering meer grond nodig is. Hoeveel grond is er extra nodig voor de resterende 70% van de boeren?
Deze berekening hangt af van de gewenste mate van extensivering en is nog niet gemaakt.
Belangrijk thema voor de Utrechtse Heuvelrug is het werken aan een toekomst bestendig watersysteem.
A De blauwe agenda van Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug en de BOVI (de blauwe omgevingsvisie) van het waterschap Vallei en Veluwe, hebben bodem en water sturend als uitgangspunt. Zowel op de Heuvelrug als op de flanken is dat een uitgangspunt dat ook gedeeld wordt door TBO’s en particuliere landgoederen. Juist deze grondeigenaren merken als eerste de effecten van een niet bestendig watersysteem.
a) In hoeverre geldt “bodem en water sturend” ook voor Terrein Beherende Organisaties bij bijvoorbeeld aanleg van natuur (in de context van Groen Groeit Mee, Groene Contour, etc.) en voor landgoederen?
b) In hoeverre zijn de (voormalige) Defensieterreinen op de Utrechtse Heuvelrug in dit Handelingsperspectief betrokken, met name als het gaat over thema Water (bijv. n.a.v. p28: “Meer loofbos”)?
B Defensie is als stakeholder uitgenodigd voor dit proces. Maar naast dit proces loopt er echter ook een proces waarbinnen Defensie met de direct betrokken gemeenten en de provincie de toekomst van de terreinen aan het bezien is. Daarbinnen ligt de
Vraag
Antwoord
aandacht op het bestaande rood en in het verlengde daarvan een nieuwe of bestaande rol voor het groen. De kansen daarbinnen zullen dan ook bezien worden.
Voor Gelderse Vallei wordt een Grondbank voorgesteld, die tegen (gereduceerd) tarief gronden kan uitgeven.
a) Hoe zou de bestuursstructuur van een dergelijke grondbank eruit kunnen zien, hoe worden kaders vastgelegd en is het college bekend met ‘best practices’ elders in Nederland?
b) Hoe wordt deze grondbank gefinancierd als er sprake is van het uitgeven van grond tegen een potentieel lagere prijs dan de aankoop van diezelfde gronden?
A Dit is nog een punt van aandacht. Er is veel behoefte aan het beschikbaar houden van grond van de doelen. Maar welke opzet en invulling het meest passend is in het gebied, moet nog nadere uitgewerkt worden. O.a. aan de hand van de gesprekken met de gebiedspartijen moeten in beeld brengen welke opzet en structuur op het meeste draagvlak kan rekenen. Daarbij moet o.a. aandacht besteed worden aan de positie van pachtgrond. Er lijkt draagvlak voor vrijwillige kavelruil, maar ook dat vraagt om een vorm van organisatie.
B Voor een dergelijke werkwijze is financiering inderdaad een vereiste voor zo’n grondbank. In het kader van het Handelingsperspectief en dit Groeidocument vereist dit verdere uitwerking. Het UPGL lijkt uit te gaan van de grondbank van de provincie Utrecht, met daarin een opstartfinanciering vanuit de provincie. Uitgangspunt van een grondbank is dat deze uiteindelijk door het totaal van inkomende en uitgaande grond per saldo tot verevening zal leiden.
Bron: raadsinformatie van de gemeente Woudenberg (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.