25 februari 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Aalten

vragen AZC PP

Een raadslid stelde op 25 februari 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Aalten (20 vragen).

In het kort

20 vragen en wat het college antwoordt

  • In het voorstel wordt gesteld dat de raad een motie heeft aangenomen en dat de gemeenteraad het college heeft gevraagd om “pas op de plaats” te maken. → 1)Een meerderheid van de Gemeenteraad heeft ingestemd om even pas op de plaats te maken.
  • Het onderhavige initiatiefvoorstel is ingediend door drie partijen (CDA, GB en CU), terwijl de motie van mei 2025 werd ingediend door vier partijen. a) Wat is de reden… → b) Indien met BBB-HMV geen overeenstemming kon worden bereikt over de kaders: – Op welke punten was er een verschil van mening? – Wat hield dit verschil in? 2a) Namens de indieners van het…
  • Door welke externe partijen, organisaties of personen heeft u zich laten adviseren over deze kaders? → a) Welke opmerkingen heeft u van hen ontvangen en hoe heeft u deze verwerkt? b) In hoeverre achtten deze externen de door u voorgestelde kaders wenselijk en haalbaar? c) Kunt u de…
  • Heeft u getoetst of deze kaders haalbaar en werkbaar zijn? → a) Zo ja, bij welke partijen? b) Wat was hun conclusie? 4) Uit informatie opgehaald uit de beeldvormende vergaderingen denken wij dat deze kaders haalbaar zijn.
  • Kunt u in een tijdlijn aangeven hoe deze kaders tot stand zijn gekomen? → Welke stappen zijn gezet, beginnend bij de motie van mei 2025? 5) Na de motie van mei 2025 was het zomerreces en hebben we als fracties besproken het onderwerp erna weer op te pakken.
  • In november 2025 heeft er een beeldvormende en oordeelsvormende vergadering plaatsgevonden. → 6) De andere fracties hebben aangegeven niet aan zet te zijn en de bal bij de initiatiefnemers van de motie van 27 mei 2025 gelegd.
  • Heeft u bij het opstellen van de kaders acht geslagen op de (on)mogelijkheden bij het COA, evenals de wensen en voorwaarden die door het COA naar voren zijn gebracht? → Op welke wijze? 7) Zeker.
  • Voor zover uw kaders afwijken van de wensen en voorwaarden van het COA. → 8) Wij kennen niet alle wensen van het COA.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Vragen van PP Procedureel

Vragen en antwoorden

Vraag 1

In het voorstel wordt gesteld dat de raad een motie heeft aangenomen en dat de gemeenteraad het college heeft gevraagd om “pas op de plaats” te maken. Bent u zich ervan bewust dat het hier ging om een meerderheid van de raad, en dat dit geen unaniem besluit is geweest?

Antwoord van het college

1)Een meerderheid van de Gemeenteraad heeft ingestemd om even pas op de plaats te maken. Het klopt inderdaad dat deze motie niet unaniem is aangenomen. In een democratisch proces, zoals deze is geweest, is een besluit door de meerderheid van de Gemeenteraad bindend.

Vraag 2

Het onderhavige initiatiefvoorstel is ingediend door drie partijen (CDA, GB en CU), terwijl de motie van mei 2025 werd ingediend door vier partijen. a) Wat is de reden dat BBB-HMV dit voorstel niet mede-indient?

Antwoord van het college

b) Indien met BBB-HMV geen overeenstemming kon worden bereikt over de kaders:

– Op welke punten was er een verschil van mening?

– Wat hield dit verschil in? 2a) Namens de indieners van het initiatiefvoorstel beantwoorden wij deze vragen. Dit zijn GB, CU en het CDA.

Vragen omtrent andere fracties dient u zelf te stellen tijdens de oordeelsvormende vergadering aan de desbetreffende fractie. 2b) Zie antwoord 2a. Wij kunnen niet namens de BBB-HMV spreken.

Vraag 3

Door welke externe partijen, organisaties of personen heeft u zich laten adviseren over deze kaders?

Antwoord van het college

a) Welke opmerkingen heeft u van hen ontvangen en hoe heeft u deze verwerkt?

b) In hoeverre achtten deze externen de door u voorgestelde kaders wenselijk en haalbaar?

c) Kunt u de communicatie hierover met ons delen?

3) Wij hebben ons, net zoals u, in de vorige cyclus laten informeren door de gemeentelijke organisatie, het COA en diverse insprekers tijdens de bijeenkomsten in de Zuiderkerk. Daarnaast hebben we tientallen gesprekken gevoerd met inwoners van onze gemeente. 3a) De inhoud van alle gesprekken zijn meegenomen en afgewogen in de voorliggende kaders. Wij hebben vanuit onze volk vertegenwoordigende rol veel meningen en opvattingen meegenomen en kunnen verwerken. 3b) Van alle openbare vergaderingen en gesprekken zijn verslagen c.q. opnamen gemaakt waar u ook toegang tot heeft. Van de tientallen overige gesprekken die we als fracties hebben gevoerd kunnen we de inhoud niet met u delen.

Vraag 4

Heeft u getoetst of deze kaders haalbaar en werkbaar zijn?

Antwoord van het college

a) Zo ja, bij welke partijen?

b) Wat was hun conclusie?

4) Uit informatie opgehaald uit de beeldvormende vergaderingen denken wij dat deze kaders haalbaar zijn. Deze kaders zullen door het college worden getoetst bij het COA. 4a) Het in initiatiefvoorstel met de bijbehorende kaders zijn ingediend bij het college. Het college heeft zoals u weet vier weken de tijd om te reageren en eventueel te toetsen op haalbaarheid. Het college zal, zoals ze hebben aangegeven, de kaders ook laten toetsten bij het COA naar haal- en uitvoerbaarheid. 4b) Zowel het college als het COA hebben nog geen reactie gegeven. Wij wachten dit af.

Vraag 5

Kunt u in een tijdlijn aangeven hoe deze kaders tot stand zijn gekomen?

Antwoord van het college

Welke stappen zijn gezet, beginnend bij de motie van mei 2025?

5) Na de motie van mei 2025 was het zomerreces en hebben we als fracties besproken het onderwerp erna weer op te pakken. In september is in de agendacommissie besproken dat we een beeld- en oordeelsvormende vergadering zouden gaan houden. Deze hebben in oktober plaatsgevonden. In de periode november-december 2025 hebben er diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de fracties van de BBB-HMV, GB, CU en het CDA.

Dit als indieners van de genoemde motie van 27 mei 2025. Wij hebben gepoogd als gezamenlijke fracties met een initiatiefvoorstel te komen. Na meerdere gesprekken en overleggen is dit niet gelukt. Nadat de BBB-HMV had aangegeven niet mee te kunnen in een initiatiefvoorstel hebben de overige fracties de genoemde kaders opgesteld. Hier waren meerdere overleggen en afstemmingen met de fracties voor nodig. Toen dit gereed was is het initiatiefvoorstel in december 2025 ingediend.

Vraag 6

In november 2025 heeft er een beeldvormende en oordeelsvormende vergadering plaatsgevonden. Op welke wijze heeft u de inbreng en standpunten van de andere fracties afgewogen?

Antwoord van het college

6) De andere fracties hebben aangegeven niet aan zet te zijn en de bal bij de initiatiefnemers van de motie van 27 mei 2025 gelegd. Deze hebben de verantwoordelijkheid genomen en de kaders opgesteld. Er is een brede afweging gemaakt van de meningen en opvattingen van alle betrokkenen/fracties. Echter lagen deze op meerdere vlakken erg uit elkaar. Overigens zijn voor het indienen van het initiatief alle fracties op de hoogte gesteld van de inhoud van de kaders. Hierop was ruimte te reageren en werd in alle gevallen nagelaten op voorhand met input te komen.

Vraag 7

Heeft u bij het opstellen van de kaders acht geslagen op de (on)mogelijkheden bij het COA, evenals de wensen en voorwaarden die door het COA naar voren zijn gebracht?

Antwoord van het college

Op welke wijze?

7) Zeker. Wij hebben alle input en informatie die het COA ter beschikking heeft gesteld meegewogen in onze kaders. Tevens hebben we alle facetten vanuit de Spreidingswet ook meegenomen. Wellicht zijn niet alle wensen van het COA ingewilligd, maar wij denken met de voorliggende kaders geen onmogelijke situatie te hebben gecreëerd voor het COA.

Vraag 8

Voor zover uw kaders afwijken van de wensen en voorwaarden van het COA. Heeft u dit afgestemd?

Antwoord van het college

8) Wij kennen niet alle wensen van het COA. Wij hebben wel de antwoorden van het COA op de gestelde vragen en de inhoud van de Spreidingswet opgenomen. Er is geen afstemming geweest tussen het COA en de indieners om te praten over diens wensen en voorwaarden. Het gestelde in de Spreidingswet is voor ons leidend en gaan ervan uit dat de wetgever geen onuitvoerbare wet heeft gemaakt. Daarnaast verwachten wij een meedenkend en flexibel uitvoeringsorgaan COA.

Vraag 9

Op grond waarvan meent u dat het COA kan voldoen aan de door u gestelde kaders?

Antwoord van het college

9) Wij denken dat alle kaders die gesteld zijn in het initiatiefvoorstel uitvoerbaar zijn anders hadden we deze niet opgenomen. Wij hebben binnen alle kaders zorgvuldige afwegingen gemaakt en telkens gekeken naar de uitvoerbaarheid. Zoals aangegeven staan de elementen van de Spreidingswet in de kaders. Daar is een meewerkend, flexibel en creatief COA voor nodig en daar vertrouwen we op.

Inhoudelijk

Vraag 10

In hoeverre verschillen de kaders in dit initiatiefvoorstel van de kaders die in de motie van mei 2025 stonden?

Antwoord van het college

10) Zowel de motie van 27 mei 2025 als het voorliggende initiatiefvoorstel zijn in uw bezit. Als u ze naast elkaar legt kunt u de eventuele verschillen lezen.

Vraag 11

Ad a — Wettelijke taakstelling “De wettelijke taakstelling van de Spreidingswet voor het aantal te realiseren opvangplekken is het uitgangspunt.” Betekent dit dat er, wat u betreft, ook méér opvangplekken kunnen worden gerealiseerd — bijvoorbeeld in verband met de financiële haalbaarheid?

Antwoord van het college

11a) Zoals in de kaders is aangegeven zijn voor de initiatiefnemers de aantallen genoemd in het verdeelbesluit behorende bij de Spreidingswet leidend. Dit is nu 200 opvangplekken. Er kunnen dus wat betreft de indieners niet meer dan 200 opvangplekken worden gerealiseerd. Dus ook niet in verband met een eventuele financiële haalbaarheid. Binnen de gestelde kaders moet het financieel haalbaar zijn.

Vraag 12

Ad b — Maximale termijn van 5 jaar a) Wat zijn de redenen om te kiezen voor een maximale termijn van 5 jaar?

Antwoord van het college

b) Heeft u de financiële haalbaarheid hiervan onderzocht? Op welke wijze?

c) Wat zijn de gevolgen als het gaat om de uitvoering (type woningen, voorzieningen etc.) van de keuze voor een termijn van 5 jaar in plaats van een langere termijn?

d) Hoe is de financiële haalbaarheid gewaarborgd bij deze termijn? 12a) De reden om te kiezen voor de termijn van 5 jaar is het feit dat de Spreidingswet spreekt om opvangplekken te realiseren voor de duur van minimaal 5 jaar. 12b) Wij hebben de financiële haalbaarheid hier niet van onderzocht. Wij gaan ervan uit dat de wetgever met de Spreidingswet en het verdeelbesluit haalbare wetgeving maakt. Dus op basis hiervan denken wij dat het financieel haalbaar is een businesscase te maken voor opvangplekken voor de duur van 5 jaar.

12c) Wij laten het college de ruimte om binnen de gestelde kaders met een voorstel te komen. De uitvoering daarvan is aan het COA. Wij gaan op voorhand niet bepalen welke type woningen en voorzieningen er wel/niet moeten komen. 12d) Zie antwoord op vraag 12b.

Vraag 13

Ad c — Spreiding over de gehele gemeente Bij twee locaties gaat uw voorkeur uit naar spreiding over de gehele gemeente Aalten. a) Wat is hiervan de reden?

Antwoord van het college

b) Bedoelt u met “de gehele gemeente” dat de locaties zo ver mogelijk uit elkaar moeten liggen? Zo niet, wat bedoelt u dan wel?

c) Wat zijn de logistieke gevolgen hiervan voor onder meer vrijwilligers, bewoners van de opvang en COA-medewerkers? Heeft u dit in kaart gebracht? 13a) Wij denken dat in het geval van twee locaties spreiding over de gemeente moet plaatsvinden. Wij denken dat hierdoor het draagvlak in de samenleving groter is. 13b) Hier is niet dat de locaties zover mogelijk uit elkaar moeten liggen. Het gaat erom dat in het geval van twee locaties ook twee kernen van de gemeente Aalten verantwoordelijkheid neemt. 13c) Voor de initiatiefnemers is het mogelijk dat er of één locatie komt met 200 opvangplekken of twee locaties met 100 opvangplekken. Het COA heeft aangegeven goed in staat te zijn alles goed te kunnen organiseren op locaties met minimaal 100 personen. Wij vertrouwen op het antwoord van het COA. Dit is ook één van de redenen dat niet voor een nog kleinere schaalgrootte is gekozen.

Vraag 14

Ad d — Fasering a) Waarom wordt ingezet op fasering?

Antwoord van het college

b) Waarom denkt u dat er een periode van “gewenning” nodig is? Waaraan zou men moeten wennen?

c) Hoe gaat u bij een gefaseerde opvang ervoor zorgen dat aan de wettelijke verplichting wordt voldaan?

d) Welke tijdspanne zou elke fase moeten beslaan (minimum / maximum)?

e) Als gekozen wordt voor fasering: hoe wordt dit financieel ondervangen? 14a) Bij fasering kunnen de eventuele knelpunten qua locatie, logistiek, zorg etc. goed worden gekeken en kan nog worden bijgestuurd als de resterende opvangplekken worden gevuld. 14b) Zoals altijd in nieuwe situaties is er een gewenningsperiode. Veranderende omstandigheden hebben altijd even tijd nodig, 14c) In alle gevallen zal de voorliggende wettelijke termijn vermoedelijk niet worden gehaald. Wij denken dat het college met de voorliggende kaders snel stappen kan maken. Met de plannen die destijds voorlagen aan de Singel 1 en 2 zouden ook pas de eerste bewoners in 2027 hun intrek kunnen nemen. Wij denken dat met deze kaders sneller opvangplekken kunnen worden gerealiseerd dan met het vorige plan. 14d) Dat zal in samenspraak met het COA moeten. We denken dat tussen elke fase minimaal 2-4 maand zou moeten zitten. 14e) Wij denken dat fasering geen extra kosten met zich meebrengen.

U stelt dat rekening kan worden gehouden met ervaringen uit eerdere fasen. Op welke wijze wilt u dit doen?

Wij hebben ook in de kaders opgenomen dat er een veiligheidsplan moet komen voor zowel op als buiten de opvanglocatie. Hier zijn de stakeholders bij betrokken en wat ons betreft heeft deze groep een adviserende rol in de fasering.

Vervolgvraag: Er zijn al vele gemeenten met (positieve) ervaringen met opvang, onder andere Winterswijk. Ook onze gemeente heeft tot voor kort een AZC gehad.

Indien van al deze ervaringen gebruik wordt gemaakt: is gefaseerde opvang dan nog wel nodig?

De fasering is wat ons betreft nodig omdat de toekomstige opvangplekken waarschijnlijk komen op een plek waar nog geen opvangplekken zijn geweest. Dit is dus voor de buurt een nieuwe situatie. Het betrekken van buurt is wat ons betreft essentieel. Diens meningen en opvattingen moeten bijdragen aan een goed gedragen locatie en plan.

Vraag 15

Ad e. — Locatiekeuze a) Betekent uw formulering dat u opvang in een kern wilt uitsluiten?

Antwoord van het college

Wat zijn hiervoor de redenen?

b) Op grond waarvan stelt u voor om de opvanglocatie op een industrieterrein te realiseren?

c) Aan welke voorwaarden moet een opvanglocatie op een industrieterrein voldoen om te kunnen spreken van menswaardige opvang?

d) Uw kaderstelling wekt de indruk dat u geen locatie in de directe omgeving van woonwijken wenst, althans niet in een omgeving waar veel mensen wonen. Is dit juist?

e) Indien dat juist is: waarom kiest u dan niet voor de realisatie van één locatie waar alle voorzieningen aanwezig zijn?

f) Indien het gestelde onder d niet juist is, wat is dan wel de reden dat u deze voorwaarde wilt stellen? 15a) Draagvlak voor een locatie is essentieel. Wij denken met een locatie aan de rand van de kern, in het buitengebied of op een industrieterrein het draagvlak in de samenleving groter is. We willen een geschikte locatie, passend bij het vraagstuk, draagvlak en draagkracht van onze Aaltense samenleving. Daarnaast denken wij dat er geen locaties te vinden zijn in de kernen voor 100 of 200 opvangplekken waarbij de overige kaders ook van toepassing zijn onder andere met betrekking tot woningbouwlocaties en bestaande woningvoorraad. 15b) We stellen niet voor om de opvanglocatie op een industrieterrein te realiseren. We proberen echter ruimte te geven aan het college om te komen met een voorstel. We willen een geschikte locatie, passend bij onze opgave. 15c) Wij staan voor een menswaardige opvang. Volgens ons is het COA prima in staat een menswaardige opvang te creëren ook op een industrieterrein. 15d) Dit is niet juist. Er zijn ook locaties aan de rand van een kern of op een industrieterrein dicht bij woonwijken waar veel mensen wonen. 15e) Binnen de gestelde kaders is het al mogelijk één locatie te realiseren van 200 opvangplekken. 15f) Zie antwoord 15a.

Vraag 16

Ad f. — Bestaande woningbouwplannen a) Wat bedoelt u precies met “bestaande plannen”?

Antwoord van het college

b) Kan deze verruimde definitie ook van toepassing zijn op andere nieuwbouwinitiatieven (precedentwerking)?

c) Waarom zou op deze locaties geen tijdelijke opvang gerealiseerd kunnen worden? 16a) Wij bedoelen hiermee plannen die reeds zijn bestemd of plannen die door de Gemeenteraad als mogelijk toekomstige woningbouwlocatie(s) is/zijn aangemerkt. 16b) Wat ons betreft zijn dat de buiten de reeds bestemde plannen de 3 genoemde locaties. Dus hier gaat geen precedentwerking van uit. 16c) Omdat ook tijdelijke opvang ten koste gaat van de be3oogde toekomstige woningen. Gezien de grote behoefte aan woonruimte is dat wat ons betreft onwenselijk.

Vraag 17

Ad f — woningbouw Singel In het voorstel van het college wordt ook rekening met toekomstige woningbouw aan de Singel. Het college wil in dit verband afspraken maken met het COA over het type woningen dat geplaatst zal worden voor de opvang en de infrastructuur die door het COA aangelegd zou worden. Er wordt door het college dus expliciet een koppeling gemaakt tussen de realisatie van een azc en daarna woningbouw op deze locatie. a) Wat vindt u van het plan van het college om in de afspraken met het COA rekening te houden met permanente woningbouw nadat opvang is beëindigd?

Antwoord van het college

b) Kan uit uw standpunt — dat opvang niet op locaties met bestaande woningbouwplannen moet plaatsvinden — worden afgeleid dat u de voorkeur geeft aan locaties die blijvend gebruikt kunnen worden voor opvang?

c) Zo niet, waarom zou het dan niet mogelijk moeten zijn om de tijdelijk opvanglocatie aan de Singel te huisvesten? 17a) Wij denken dat de opvangplekken geen onderdeel moeten zijn van plannen en bestaande woningvoorraad.

Er is een grote behoefte aan starters- en seniorenwoningen in onze gemeente. Wij zijn van mening dat de te realiseren opvangplekken bovenop de bestaande voorraad moet komen en niet als onderdeel van voor de duur van 10 jaar. 17b) Wij geven de voorkeur aan een locatie die alleen bestemd is voor opvang voor de duur van 5 jaar. 17c) We willen invulling geven aan verschillende opgaven, zowel woningnood als opvang realiseren voor asielzoekers. Dus niet of of, maar en en. Daarbij speelt mee dat richting omwonenden van ‘t slaa verwachtingen zijn gecreëerd. Als overheid moet je daarmee zorgvuldig omgaan.

Vraag 18

Welke concrete opties blijven er volgens u over binnen uw kaders?

Antwoord van het college

18) Binnen de gestelde kaders zijn er ons inziens genoeg mogelijkheden voor het college en het COA om. Te komen met een voorstel voor een duurzame opvang met 200 opvangplekken voor de duur van 5 jaar.

19) Ad h — Barlo U stelt dat Barlo moet worden overgeslagen omdat dit buurtschap in het verleden al haar bijdrage heeft geleverd.

Kunt u aangeven wat u vindt van de volgende alternatieve (positieve) formulering: “Barlo heeft in het verleden al haar bijdrage geleverd; we verwachten dat voor de nieuwe opgave nu andere wijken hun verantwoordelijkheid nemen.”

Vraag 19

Ad i — Budgetneutraal en morele plicht a) Waarom vindt u dat het de gemeente geen geld mag kosten, terwijl u tegelijkertijd stelt dat de gemeente ook een morele plicht heeft?

Antwoord van het college

20a) De morele plicht is er inderdaad. Mensen die gevaar lopen in hun land van herkomst moeten we helpen.

Hiervoor is een uitvoeringsorgaan die de kosten voor haar rekening neemt. Gezien de toekomstige onzekere gemeentelijke financiën is het voor ons onwenselijk dat het geld mag kosten.

Vraag 20

Bent u bereid de kaders aan te passen indien het college daarom vraagt?

Antwoord van het college

21) Wij hebben de kaders ingediend waarvan wij denken dat ze haalbaar en uitvoerbaar zijn. Mocht blijken dat het niet het geval is horen wij dat graag van het college en/of het COA. Wij verwachten een maximale creatieve in spanning van het COA. Mocht er toch een kader onuitvoerbaar zijn dan zijn wij zeker bereid ernaar te kijken en waar mogelijk aan te passen. Maar zoals aangegeven denken wij dat het college en het COA binnen deze kaders met een voortel kan komen.

Bekijk de brief: Beantwoording vragen AZC PP

Bron: raadsinformatie van de gemeente Aalten (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Aalten

Alle artikel 35-vragen in Aalten