vragen APV
Een raadslid stelde op 25 mei 2022 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk (1 vragen).
In het kort
1 vragen en wat het college antwoordt
- Is de nieuwe regel voor het oproepen tot verstoring van de openbare orde en/of veiligheid niet overbodig? → Ad 2) Toelichting: Is de regel “Het is verboden om direct of indirect in de fysieke dan wel virtuele ruimte (‘online’) op te roepen tot verstoring van de openbare orde en/of veiligheid…
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Wijziging APV (13e wijziging) PvdA In de commissie van 18-5 heeft de PvdA aangegeven dat ten aanzien van artikel 2:10 onduidelijkheden in het stuk staan. Wat is nu het voorstel voor de tekst van dit artikel als de voorstellen onder f en g beide worden ingevoerd in 1 artikel.
Verder is het volgens ons niet nodig om aan artikel 2:10 een speciaal lid over laadkabels toe te voegen. Dit artikel zegt in zijn algemeenheid al dat je geen extra voorwerpen in de openbare ruimte mag plaatsen, geen speeltoestellen, geen laadkabels, geen …. vul verder maar in. Hoogstens kunnen nieuwe zaken in de toelichting opgenomen worden. Dus wat ons betreft kan dat stuk eruit.
Antwoord Als de voorstellen onder e en f (was f en g) worden overgenomen, dan komt de tekst van artikel 2:10, eerste lid, te luiden:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
1.
1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a.
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of
b.
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Het is verboden:
a. een openbare plaats, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: 1°. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of 2°. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b. kabels of snoeren ten behoeve van het laden van elektrische motorvoertuigen, dan wel daartoe bestemde kabelgoten, beschermmatten of overige toebehoren, op of over de weg of weggedeelte te leggen of te houden.
Het bestaande eerste lid van artikel 2:10 bepaalt kort gezegd dat het verboden is om de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren. Of een kabel op de weg de bruikbaarheid van de weg belemmert is voor discussie vatbaar.…
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Is de nieuwe regel voor het oproepen tot verstoring van de openbare orde en/of veiligheid niet overbodig?
Antwoord van het college
Ad 2) Toelichting: Is de regel “Het is verboden om direct of indirect in de fysieke dan wel virtuele ruimte (‘online’) op te roepen tot verstoring van de openbare orde en/of veiligheid binnen de gemeente Bodegraven-Reeuwijk”: niet in strijd met het derde lid van artikel 7 van de Grondwet dat bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan? niet overbodig, want we hebben nu al de regel: “Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de openbare orde te verstoren.” o Toelichting: Utrecht (en Haarlem) hanteert al een online gebiedsverbod) op basis van artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In dit geval is een last onder dwangsom opgelegd, omdat [hij] door uitdagend gedrag aanleiding gaf tot wanordelijkheden (oproepen tot rellen), wat strafbaar is gesteld in artikel 2.2 lid 1 sub g van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 “Het is verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.” Wat betreft handhaving gaat het bij een online gebiedsverbod niet anders dan bij een fysiek gebiedsverbod.
Zie ook Interventiekaart: https://nh-sv.nl/kennisbank/cter/online/#documenten1 Antwoord
1) Zie het antwoord op de vraag van de PvdA.
2) In het raadsvoorstel en de bijlage daarbij die aan de commissie zijn voorgelegd, is per abuis het voorstel om een verbod op online oproepen tot verstoring van de openbare orde in de APV op te nemen, blijven staan. Het college heeft het advies om dat voorstel aan de raad voor te leggen niet overgenomen, omdat dit te prematuur is. Het voorgestelde verbod is daarom uit het aan de raad voorgelegde voorstel verwijderd.
ChristenUnie We hebben 1 aanvullende vraag aansluitend op de vraag van de SGP en de beantwoording. In de bijlage bij het raadsvoorstel wordt op pagina 3 gesproken over de nieuwe modelbepaling over het gebruik van lachgas. Onze fractie maakt daaruit op dat er door het vrijgeven van nieuwe feitcodes er met een bestuurlijke strafbeschikking kan worden gehandhaafd op het gebruik van lachgas. Vorige week is in de Tweede Kamer ook over dit onderwerp gedebatteerd. De door het kabinet aangekondigde plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet, en daarmee handel, bezit en productie voor recreatief gebruik verbiedend, wordt nu binnen 6 maanden verwacht.(was 8). Begrijp ik het goed dat gemeenten tot die tijd niet kunnen handhaven op verkoop van lachgas aan met name jongeren?
Ik heb gezien dat in de APV onder artikel 2:26 (Ordeverstoring) onder lid 3 wel wordt gesproken over een verbod om lachgas al dan niet tegen betaling aan te bieden bij een evenement of in de directe omgeving. Onze vraag is of daarmee voldoende geborgd is dat er gehandhaafd kan worden op de verkoop?
Antwoord Het voorgestelde artikel 2:48B ziet toe op de overlast die het gebruik van lachgas met zich meebrengt en niet op de verkoop van lachgas. Lachgas is nog niet opgenomen op Lijst II van de Opiumwet en dus nog legaal. Als Lijst II van de wet wordt aangevuld met lachgas, dan is ook de verkoop ervan verboden.
Artikel 2:26, derde lid, is bij de vorige wijziging van de APV toegevoegd, als één van de bepalingen om overlast in verband met lachgas tegen te gaan. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de APV van de gemeente Gouda. In de bijlage bij het voorstel dat nu aan de raad wordt voorgelegd staat (op pagina
3) dat de Goudse bepalingen worden vervangen door de bepaling uit de Model-APV. Dit omdat voor de Goudse bepalingen er geen feitcodes zijn en voor de modelbepaling wel. Hierbij is echter verzuimd artikel 2:26, derde lid, te noemen als één van de bepalingen die moeten worden geschrapt. Bij de eerstvolgende wijziging van de APV zal dit alsnog worden meegenomen.
Lokaal Liberaal Bodegraven-Reeuwijk Ten aanzien van laadpalen.
Momenteel kan je de aangepaste tekst uit het voorstel zo lezen dat gewoon aan een laadpaal leggen ook niet mag. Daarnaast heeft het de ruimte om bv een kabel uit de dakgoot te laten zakken naar de auto toe. Of wel bv over een grasveld te leggen want dat is geen openbare weg.
Daarom zou het volgens mij iets anders kunnen/moeten: kabels of snoeren ten behoeve van het laden van elektrische motorvoertuigen, dan wel daartoe bestemde kabelgoten, beschermmatten of overige toebehoren, op of over Of boven de weg of weggedeelte of openbare ruimte te leggen of te houden met uitzondering van goedgekeurde laadpalen met gebruikmaking van het bij het voertuig geleverde laadkabel met een maximale lengte van x meter. Waarbij geen gevaar of hinder mag ontstaan.
Ten aanzien van het parkeren in bermen:
Daar zou artikel m R406a een oplossing kunnen zijn en dan de gebieden aanwijzen. Dat zou ook de gemeente kunnen zijn. Als alternatief zou bv een gele streep uitkomst kunnen bieden.
Antwoord Ten aanzien van de laadpalen stelt de fractie een waardevolle aanvulling voor. Het raadsbesluit kan op dit punt worden geamendeerd. De bepaling in artikel 2:10, eerste lid, onder b, kan als volgt worden geredigeerd:
b. kabels of snoeren ten behoeve van het laden van elektrische motorvoertuigen, dan wel daartoe bestemde kabelgoten, beschermmatten of overige toebehoren, op, over of boven een openbare plaats, de weg of een weggedeelte te leggen of te houden, met uitzondering van de bij het elektrische motorvoertuig behorende laadkabel bij een openbare of particuliere laadpaal, voor zover daarmee geen gevaar of hinder wordt veroorzaakt.
Ten aanzien van het parkeren in bermen vergt de suggestie van de fractie enig onderzoek. Hier zal bij de eerstvolgende wijziging van de APV op worden teruggekomen.
Burgerbelangen Bodegraven-Reeuwijk In de bijlage bij het raadsbesluit staat bij onderdeel h (artikel 2:57 loslopende honden) de volgende toelichting: ‘De Groenalliantie Midden-Holland en omstreken heeft op 28 juni 2021 de Hondenverordening Groenalliantie Midden-Holland en omstreken 2021 (hierna: de hondenverordening) vastgesteld. De hondenverordening is op 1 oktober 2021 in werking getreden.’ ‘Voor zover de hondenverordening voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een van de deelnemers aan de Groenalliantie, houdt laatstgenoemde verordening op te gelden voor deze specifieke aangelegenheid. Dit is bepaald in artikel 3:3 van de hondenverordening.’ Vragen:
- Op grond van artikel 3:3 van de hondenverordening gaat deze verordening, volgens de toelichting, dus voor op de APV. Hoe kan de hondenverordening van de Groenalliantie de APV uitsluiten? Op deze manier wordt de gemeenteraad via een verordening van de Groenalliantie buiten spel gezet, terwijl de gemeenteraad het hoogste orgaan is.
De wethouder merkte tijdens de vergadering op dat bepaalde commissies en belangengroepen hebben ingestemd met de verordening, maar dat de gemeenteraad niet is gevraagd hiermee in te stemmen. Klopt dit juridisch gezien wel? Want bevoegdheden worden verschoven van de gemeenteraad naar de groenalliantie.
Antwoord Artikel 30, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen luidt als volgt:
Voor zover een verordening van het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een deelnemende gemeente, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening der gemeente voor het gehele gebied dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Op grond van deze bepaling is in artikel 27, eerste lid, van de Gemeenschappelijke regeling Groenalliantie Midden-Holland en omstreken (de GR), de verhouding tussen verordeningen van de GR en die van de deelnemende gemeenten geregeld. Dat artikel is gelijkluidend aan artikel 30, derde lid, van de wet.
De bepaling in artikel 3.3 van de Hondenverordening Groenalliantie Midden-Holland en omstreken 2021 is derhalve in overeenstemming met de Wet gemeenschappelijke regelingen en met de GR.
In de GR is over de vaststelling van verordeningen door de GR bepaald dat het dagelijks bestuur van de GR het ontwerp van een verordening aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten zendt. Dat is in dit geval ook gebeurd met de hondenverordening.
Bekijk de brief: Beantwoording vragen APV
Bron: raadsinformatie van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.