11 mei 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Dijk en Waard

Collegebericht beantwoorden van schriftelijke vragen DOP kind op straat

Een raadslid stelde op 11 mei 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard.

Brief van het college

Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.

COLLEGEBERICHT Beantwoording schriftelijke vragen Aan:

Van:

Datum:

Zaaknummer:

Onderwerp:

De gemeenteraad Het college van burgemeester en wethouders 9 juni 2026 00001251648 Schriftelijke vraag Schriftelijke vragen DOP Kind op straat

Aanleiding Op 11 mei 2026 heeft het college schriftelijke vragen ontvangen van raadslid Tesselaar van de fractie DOP over schriftelijke vragen DOP Kind op straat. In dit collegebericht staan de antwoorden op deze vragen.

Toelichting van de vragensteller(s) In het Noord-Hollands Dagblad van 1 mei lezen wij dat er een woning is gesloten naar aanleiding van de vondst van drugs. Daarbij zijn moeder en kind op straat gezet. Onze fractie is van mening dat een kind in geen geval de dupe mag zijn van het gedrag van de ouders. De DOP maakt zich dus los van dit voorbeeld in algemene zin zorgen over hoe de gemeente Dijk en Waard omgaat met uithuisplaatsing waarbij minderjarige betrokken zijn.

Inleiding De casus waarover het artikel in het Noord-Hollands Dagblad van 1 mei 2026 ging, ging over een besluit van de burgemeester van 7 november 2025. Met dit besluit werd een woning gesloten omdat daar een zeer grote hoeveelheid drugs werd aangetroffen en er drugshandel was vastgesteld. Dit terwijl er ook een kind woonde. Nadat het voornemen tot sluiting was gestuurd is er een gesprek geweest met de betrokken bewoners, een handhavingsjurist en een medewerker van het sociaal domein van de gemeente. In het gesprek is opnieuw aangegeven dat de woning gesloten zou worden en is hulp aangeboden zodat moeder en kind niet op straat zouden komen te staan. Deze hulp werd afgewezen omdat de ouders zelf zouden zorgen voor een nieuwe woonlocatie. Ook is er hulp geboden vanwege mogelijke impact van de gehele situatie op het kind. Voordat de sluiting van kracht werd, hebben ouders de huur opgezegd en zijn ze vertrokken naar een nieuwe woonlocatie. Zowel de voorzieningenrechter als de bezwarencommissie hebben geoordeeld dat de burgemeester voldoende hulp heeft geboden om te voorkomen dat moeder en kind op straat zouden komen te staan.

Beantwoording Het college beantwoordt de gestelde vragen als volgt.

Antwoorden

1. Hoe weegt de burgemeester een aanwezigheid van een minderjarig kind mee bij de beoordeling van de proportionaliteit van een sluiting van bijvoorbeeld zes maanden.

Antwoord van het college:

De burgemeester weegt de aanwezigheid van een minderjarig kind expliciet mee als zwaarwegend belang bij de proportionaliteit van een woningsluiting. Er wordt gekeken naar de concrete gevolgen voor het kind, zoals woonstabiliteit en ontwikkeling.

Sinds het Harderwijk-arrest is een indringende, individuele evenredigheidstoets vereist. Dat betekent dat een sluiting van bijvoorbeeld zes maanden niet automatisch wordt toegepast, maar

steeds maatwerk wordt geleverd. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit leiden tot aanpassing van de duur, een lichtere maatregel of – gemotiveerd – toch handhaving van de sluiting.

2. Welke minder ingrijpende maatregelen kan de burgemeester in deze gevallen toepassen?

Antwoord van het college:

De burgemeester kan in het kader van de evenredigheid ervoor kiezen om in afwijking van het geldende beleid (Damoclesbeleid Dijk en Waard) bijvoorbeeld een last onder dwangsom op te leggen of een waarschuwing.

3. Welke concrete alternatieven kan de burgemeester overwegen om te voorkomen dat kinderen dakloos kunnen worden, zoals persoonsgerichte maatregelen of een gedeeltelijke sluiting?

Antwoord van het college:

Zie antwoord vraag 2. De burgemeester kan gemotiveerd afwijken van het geldende Damoclesbeleid. Voor welke maatregel er ook gekozen wordt de burgemeester zal nooit een kind op straat zetten. Een besluit waarbij het gevolg is dat een kind op straat komt te staan doorstaat de evenredigheidstoets niet en is daarmee niet rechtsgeldig.

4. Welke specifieke ondersteuning kan de gemeente aanbieden aan minderjarige kinderen — zoals opvang, onderwijscontinuïteit of jeugdzorg — en wie houdt hier toezicht op?

Antwoord van het college:

Voor een kind is het van groot belang dat het, ook in een ontwrichtende situatie, zo veel mogelijk in een vertrouwde omgeving kan blijven. Daarom wordt in dergelijke situaties altijd eerst gekeken naar oplossingen binnen het eigen netwerk. De jeugdconsulent of procesregisseur jeugd kan dit zelf in kaart brengen, maar er kan ook gebruik worden gemaakt van de methodiek van Eigen Plan.

Met Eigen Plan wordt samen met het gezin en het netwerk onderzocht wat nodig is om de situatie te verbeteren. Het doel is om, met steun van het netwerk, te komen tot een gezamenlijk gedragen plan dat bijdraagt aan een passende en duurzame oplossing. Deze vorm van ondersteuning vindt plaats op vrijwillige basis.

Als ouders en het netwerk niet in staat zijn om zelf een passende opvangplek voor het kind te organiseren, kijkt de betrokken jeugdconsulent mee naar een passende noodoplossing. Daarbij kan, indien nodig, ook jeugdhulp worden ingezet. De gemeente voert hierbij de regie, veelal via de jeugdconsulent of procesregisseur, in samenwerking met betrokken partners.

5. Wat is de procedure van de gemeente, nadat een ouder aangeboden hulp afwijst?

Antwoord van het college:

Wanneer een ouder de door de gemeente aangeboden hulp afwijst, wordt allereerst in gesprek gegaan over de redenen van deze afwijzing. De gemeente beoordeelt vervolgens of het weigeren van hulp gevolgen heeft voor de ontwikkeling en veiligheid van het kind. Deze afweging wordt altijd zorgvuldig en in overleg met een gedragswetenschapper gemaakt.

Afhankelijk van de ernst en urgentie van de situatie kan de gemeente vervolgstappen zetten. Als er zorgen bestaan over de ontwikkeling van het kind, kan de casus worden voorgelegd aan de beschermingstafel. Hiervoor wordt een verslag opgesteld waarin de zorgen,

2

de risico’s voor de ontwikkeling van het kind en de aanwezige beschermende factoren in kaart worden gebracht. Op basis hiervan kan de Raad voor de Kinderbescherming besluiten om een beschermingsonderzoek te starten.

De Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt vervolgens of een maatregel, zoals een ondertoezichtstelling, noodzakelijk is en kan de kinderrechter hierover adviseren. Als de situatie daartoe aanleiding geeft, kan daarnaast ook een verzoek tot uithuisplaatsing worden overwogen.

In spoedeisende situaties kan direct contact worden opgenomen met de Raad voor de Kinderbescherming, waarna in afstemming een versnelde ondertoezichtstelling, al dan niet in combinatie met een machtiging tot uithuisplaatsing, kan worden aangevraagd.

Wanneer de gemeente op basis van de beoordeling tot de conclusie komt dat de ontwikkeling van het kind niet in gevaar is, en de ouder hulp blijft afwijzen, zal de gemeente zich in principe terugtrekken. In zulke gevallen is het wenselijk om, met toestemming van de ouder, andere betrokkenen zoals school of huisarts te informeren, zodat zij een signalerende rol kunnen vervullen. Als zij signalen opvangen dat de ontwikkeling van het kind alsnog in gevaar komt, handelen zij volgens de meldcode en wordt advies gevraagd of melding gedaan bij Veilig Thuis.

6. Hoe organiseert de gemeente nazorg of monitoring specifiek gericht op het welzijn van het kind?

Antwoord van het college:

Een situatie zoals een woningsluiting kan zeer ingrijpend en traumatiserend zijn, zowel voor de ouder als voor het kind. In dergelijke gevallen kan de gemeente de ouder adviseren om passende ondersteuning te zoeken, bijvoorbeeld via de huisarts.

Als er signalen zijn dat het kind aanvullende ondersteuning nodig heeft, kan de gemeente onderzoeken welke hulp passend en noodzakelijk is. Het welzijn en de ontwikkeling van het kind staan hierbij altijd centraal.

Vanuit haar regierol kan de gemeente betrokken blijven bij het gezin om de voortgang van de ondersteuning, het welzijn en de ontwikkeling van het kind te monitoren. Dit gebeurt in afstemming met betrokken professionals en, waar nodig, andere ketenpartners.

Deze betrokkenheid van de gemeente is echter afhankelijk van de medewerking en toestemming van de ouder. Wanneer die toestemming wordt gegeven, kan de gemeente actief blijven volgen en waar nodig bijsturen om te waarborgen dat het kind de ondersteuning krijgt die nodig is.

7. Hoe borgt de gemeente dat bij toekomstige woningsluitingen waarbij minderjarigen betrokken zijn, het belang van het kind structureel en aantoonbaar wordt meegewogen conform artikel 3 van het VN-Kinderrechtenverdrag?

Antwoord van het college:

De gemeente borgt dat het belang van het kind structureel wordt meegewogen door de evenredigheidstoets centraal en verplicht te stellen in iedere besluitvorming over woningsluitingen. Uitgangspunt is dat zonder een kenbare en zorgvuldig uitgevoerde evenredigheidstoets geen rechtsgeldig besluit tot sluiting kan worden genomen.…

Bekijk de brief: Collegebericht beantwoorden van schriftelijke vragen DOP kind op straat

Bron: raadsinformatie van de gemeente Dijk en Waard (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Dijk en Waard

Alle artikel 35-vragen in Dijk en Waard