Standplaatsen
Een raadslid stelde op 28 oktober 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard (10 vragen).
In het kort
10 vragen en wat het college antwoordt
- Is het college bekend met de situatie van een ondernemer met een geldige standplaatsvergunning aan de J.J.P. → Zo nee, is het college bereid hier kennis van te nemen?
- Kan het college bevestigen dat een standplaatsvergunning een gebruiksrecht verleent maar geen exploitatieplicht kent, en dat ondernemers juridisch gezien niet verplicht… → Graag een onderbouwing met verwijzing naar de APV Dijk en Waard, artikel 5:18, en het Standplaatsenbeleid.
- Onder welke wettelijke grondslag kan de gemeente een ondernemer verplichten om wekelijks de standplaats te verlaten of te verplaatsen, wanneer: ○ de standplaats op… → Antwoord van het college: Het college kan een ondernemer niet verplichten tot het verplaatsen van de standplaats.
- Welke juridische definitie hanteert de gemeente voor het begrip “bouwwerk” en kan het college motiveren op basis waarvan een mobiele verkoopwagen op wielen als zodanig… → Antwoord van het college: Het college hanteert de definitie zoals genoemd in de bijlage behorende bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. bouwwerk: constructie van enige omvang van hout…
- Erkent het college dat de vergunningvoorschriften leidend zijn en dat handhaving alleen mogelijk is bij strijdigheid met vastgestelde regels of vergunningsvoorwaarden… → Antwoord van het college: Het college erkent het bovenstaande.
- Kan het college uitsluiten dat in deze casus nieuw beleid of aanvullende voorwaarden feitelijk worden toegepast zonder wettelijke grondslag, en zo ja, hoe wordt… → Antwoord van het college: Het college kan uitsluiten dat er, in welk geval dan ook, nieuw beleid of aanvullende voorwaarden worden toegepast zonder wettelijke grondslag.
- Hoe weegt het college in dit soort situaties het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel richting ondernemers die al jarenlang legaal opereren op basis… → Antwoord van het college: Het college weegt deze beginselen van behoorlijk bestuur zwaar en is daarbij van mening dat geen van deze beginselen zijn of worden geschonden.
- Kan het college uitleggen hoe het handhavingsbeleid in dit kader proportioneel wordt toegepast, en hoe wordt voorkomen dat ondernemers onnodig onder druk worden gezet? → Antwoord van het college: het college heeft een beginselplicht tot handhaving.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
COLLEGEBERICHT Beantwoording schriftelijke vragen Aan:
Van:
Datum:
Zaaknummer:
Onderwerp:
De gemeenteraad Het college van burgemeester en wethouders 25 november 2025 00001176591 Toepassing standplaatsenbeleid en rechtszekerheid ondernemer
Aanleiding Op 3 november 2025 heeft het college schriftelijke vragen ontvangen van raadslid Bosscher van de fractie Beter voor Dijk en Waard (BvDW) over: Toepassing standplaatsenbeleid en rechtszekerheid ondernemer. In dit collegebericht staan de antwoorden op deze vragen.
Toelichting van de vragensteller(s) De fractie Beter voor Dijk en Waard heeft signalen ontvangen dat een ondernemer met een geldige standplaatsvergunning aan de J.J.P. Oudweg in Heerhugowaard wordt geconfronteerd met aanvullende eisen vanuit de gemeente die niet in de vergunning of de geldende regelgeving zijn vastgelegd. Dit roept vragen op over rechtszekerheid, handhaving en de uitvoering van het standplaatsenbeleid binnen onze gemeente.
Beantwoording Het college beantwoordt de gestelde vragen als volgt.
Antwoorden
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Is het college bekend met de situatie van een ondernemer met een geldige standplaatsvergunning aan de J.J.P. Oudweg in Heerhugowaard die aanvullende eisen krijgt opgelegd die niet expliciet in zijn vergunning staan vermeld?
Antwoord van het college
Zo nee, is het college bereid hier kennis van te nemen?
Antwoord van het college:
Het college wijst erop dat schriftelijke vragen van een raadsfractie politiek of technisch van aard dienen te zijn. Deze vraag heeft betrekking op een individuele situatie. Het college zal deze vraag daarom niet inhoudelijk beantwoorden. Aanvullende eisen naast een standplaatsvergunning, het Standplaatsenbeleid Dijk en Waard 2024 – 2028 of de Algemene plaatselijke verordening Dijk en Waard 2022 zijn ook niet van toepassing.
Vraag 2
Kan het college bevestigen dat een standplaatsvergunning een gebruiksrecht verleent maar geen exploitatieplicht kent, en dat ondernemers juridisch gezien niet verplicht kunnen worden om op vaste dagen of tijden open te zijn, zolang zij binnen de vergunde periode opereren?
Antwoord van het college
Graag een onderbouwing met verwijzing naar de APV Dijk en Waard, artikel 5:18, en het Standplaatsenbeleid.
Antwoord van het college:
Het college kan dit (deels) bevestigen met daarbij een verwijzing naar artikel 5 van het Standplaatsenbeleid Dijk en Waard 2024 – 2028.
Dit artikel is een nadere uitwerking van artikel 1:6 sub d van de Apv. Het beleid maakt duidelijk hoe het college met de in dit artikel genoemde bevoegdheid tot intrekking omgaat. Hier staat geen exploitatieverplichting genoemd, maar een minimale periode dat een vergunninghouder gebruik moet maken van zijn of haar vergunning (mits er geen sprake is van een geldige reden voor afwezigheid). Er bestaat dus geen verplichting om open te zijn, de vergunninghouder dient echter wel binnen de kaders van het beleid te handelen.
Vraag 3
Onder welke wettelijke grondslag kan de gemeente een ondernemer verplichten om wekelijks de standplaats te verlaten of te verplaatsen, wanneer: ○ de standplaats op particulier terrein is, ○ de ondernemer toestemming van de eigenaar heeft, ○ en er geen verbod is opgenomen in de vergunning of APV?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college kan een ondernemer niet verplichten tot het verplaatsen van de standplaats.
Indien de standplaats echter gedurende een lange periode op dezelfde plaats staat zonder onderbrekingen, wordt de verkoopwagen gezien als een bouwwerk in de zin van de omgevingswet. Dit maakt dat de verkoopwagen vergunningsplichtig is voor het plaatsen van een bouwwerk (zowel voor het bouwen als het handelen in strijd met de regels van het omgevingsplan Dijk en Waard). Dit is in strijd met het standplaatsen principe en werkt kioskvorming in de hand, hetgeen het college onwenselijk acht.
In dit geval zijn er zowel regels t.a.v. de openbare orde, als ruimtelijke regels van toepassing. De openbare orderegels (genoemd in de Apv) zien op het wel of niet mogen verkopen van goederen in de openbare ruimte, hier is een standplaatsvergunning voor bedoeld. De ruimtelijke regels zien op het aanwezig hebben van een bouwwerk. Indien er dus sprake is van een bouwwerk, dient hier een omgevingsvergunning voor te worden aangevraagd.
Vraag 4
Welke juridische definitie hanteert de gemeente voor het begrip “bouwwerk” en kan het college motiveren op basis waarvan een mobiele verkoopwagen op wielen als zodanig zou kunnen worden aangemerkt onder de Omgevingswet?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college hanteert de definitie zoals genoemd in de bijlage behorende bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
Een mobiele verkoopwagen voldoet in de basis niet aan bovenstaande definitie, als de verkoopwagen na het staken van de verkoop wordt weggehaald. Indien de verkoopwagen geruime tijd op een locatie blijft staan (waarbij o.a. continu aansluiting aan elektriciteit is), maakt dat dat de wagen ter plaatse functioneert en daarmee dient te worden beschouwd als bouwwerk.
2
Dit wordt meermaals onderstreept in jurisprudentie waar soortgelijke zaken aan de hand zijn geweest: ECLI:NL:RVS:2008:BC6428, ECLI:NL:RVS:2017:1749, ECLI:NL:RVS:2016:988,
Vraag 5
Erkent het college dat de vergunningvoorschriften leidend zijn en dat handhaving alleen mogelijk is bij strijdigheid met vastgestelde regels of vergunningsvoorwaarden (Awb art. 3:46 – motiveringsplicht)?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college erkent het bovenstaande. De regels t.a.v. het gebruik van de vergunning zijn vastgesteld in de Apv en verder uitgewerkt in het Standplaatsenbeleid Dijk en Waard 2024 – 2028. In het beleid zijn ook de vergunningvoorschriften weergegeven (bijlage I voor schrift 6), hier staat het volgende genoemd t.a.v. het verwijderen van de verkoopwagen:
U ontruimt de standplaats binnen één uur na de verkoop. Bij een vergunning voor aaneengesloten dagen mag u de wagen laten staan onder de voorwaarde dat de verkoopwagen tenminste één dag per week niet aanwezig is en deze ook niet blijft staan als er geen verkoop is op de volgende dag. Uiteraard moeten losse voorwerpen zoals reclame-uitingen en prullenbakken wel dagelijks opgeruimd worden.
Bij niet naleving van een voorschrift die genoemd is in de vergunning, kan er handhavend worden opgetreden.
Vraag 6
Kan het college uitsluiten dat in deze casus nieuw beleid of aanvullende voorwaarden feitelijk worden toegepast zonder wettelijke grondslag, en zo ja, hoe wordt willekeur voorkomen in de uitvoering van het standplaatsenbeleid?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college kan uitsluiten dat er, in welk geval dan ook, nieuw beleid of aanvullende voorwaarden worden toegepast zonder wettelijke grondslag. Willekeur wordt voorkomen door uniforme vergunningvoorschriften te hanteren in gelijke gevallen. Het college wijst er verder op dat schriftelijke vragen van een raadsfractie politiek of technisch van aard dienen te zijn. Deze vraag heeft betrekking op een specifieke casus. Het college zal deze vraag daarom inhoudelijk verder niet beantwoorden.
Vraag 7
Hoe weegt het college in dit soort situaties het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel richting ondernemers die al jarenlang legaal opereren op basis van een geldige vergunning?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college weegt deze beginselen van behoorlijk bestuur zwaar en is daarbij van mening dat geen van deze beginselen zijn of worden geschonden.
Vraag 8
Kan het college uitleggen hoe het handhavingsbeleid in dit kader proportioneel wordt toegepast, en hoe wordt voorkomen dat ondernemers onnodig onder druk worden gezet?
Antwoord van het college
Antwoord van het college: het college heeft een beginselplicht tot handhaving. Dit houdt in dat tegen een overtreding moet worden opgetreden. In beginsel is handhavend optreden alleen niet mogelijk als er in een bepaald geval bijzondere omstandigheden zijn
3
die zo belangrijk zijn, dat het algemeen belang van handhaving daarvoor moet wijken. Het college weegt in elke situatie de belangen af en gaat niet zomaar over tot handhaving.
Vraag 9
Is het college bereid deze specifieke casus te bespreken met de ondernemer om tot een zorgvuldige en werkbare oplossing te komen, waarbij vergunning zekerheid voorop staat?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college is bereid om met elke ondernemer te overleggen, maar wijst er daarbij verder op dat schriftelijke vragen van een raadsfractie politiek of technisch van aard dienen te zijn. Deze vraag heeft betrekking op een specifieke casus. Het college zal deze vraag daarom inhoudelijk verder niet beantwoorden.
Vraag 10
Is het college bereid in afwachting van duidelijkheid geen handhavende stappen te zetten richting ondernemers met een geldige standplaatsvergunning die binnen de voorwaarden van hun vergunning en de APV opereren?
Antwoord van het college
Antwoord van het college:
Het college heeft tot op heden geen handhavende stappen ondernomen naar ondernemers. Indien er constateringen worden gedaan die erop duiden dat vergunninghouders opereren buiten de geldende voorschriften van de vergunning, worden allereerst gesprekken gevoerd en wordt de vergunninghouder schriftelijk gewaarschuwd, alvorens er verdere stappen worden ondernomen.
Bijlagen
1. Standplaatsenbeleid Dijk en Waard 2024 – 2028.
4
Bron: raadsinformatie van de gemeente Dijk en Waard (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.