art. 35 vragen BvE, FvD en PVV
Versteeg fractie Belang van Enschede mede stelde op 8 september 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Enschede (8 vragen).
In het kort
8 vragen en wat het college antwoordt
- Hoe kan het college stellen dat er geen resterende onzekerheden in het feitenbeeld zijn, terwijl het college tegelijkertijd erkent dat: A) tekortkomingen in het… → Antwoord Wat wij bedoeld hebben is dat wij voldoende informatie hebben gekregen met het Pro Facto- rapport Gemeente Enschede; moeilijk garen mee te spinnen?.
- Welke acties zijn vanuit het college, de ambtelijke organisatie of namens het college ondernomen om personen die niet op de uitnodiging van Pro Facto hebben gereageerd… → A) Wat hield deze benadering concreet in?
- Waarom is ervoor gekozen de Raad pas op dat moment inzicht te geven in de voortgang, terwijl de onderhavige artikel 35-vragen juist expliciet vroegen naar de maatregelen… → Antwoord Wij begrijpen uw interesse in de voortgang van de uitvoering van deze lessen.
- Kunt u onderbouwen hoe het college tot deze conclusie is gekomen? → Antwoord Deze vraag vertoont sterke samenhang met de vragen 1 en 2.
- Kan het college daarom alsnog onderbouwd aangeven op welke wijze het heeft vastgesteld dat bij de verkoop van De Spinnerij daadwerkelijk alle toepasselijke kaders en… → Antwoord Pro Facto heeft bij de verkoop van de Spinnerij niet alleen gekeken naar de uiteindelijke verkooptransactie maar naar het gehele besluitvormings- en verkoopproces rondom de verkoop…
- Hoe verklaart het college het verschil tussen de conclusie in de beantwoording van de artikel 35-vragen dat de vastgoedkaders en spelregels sinds 2015 "consequent" zijn… → Het Pro Facto-rapport bevat geen expliciete conclusie dat de verkoop van de Spinnerij onrechtmatig heeft plaatsgevonden of dat de verkoop buiten de geldende kaders is verlopen.
- Hoe verklaart het college het verschil tussen de conclusie in de beantwoording van de artikel 35-vragen dat de vastgoedkaders en spelregels sinds 2015 "consequent" zijn… → Antwoord Deze vraag sluit aan bij vraag 6.
- Op grond van welk formeel Raadsbesluit of welke andere besluitvorming concludeert het college dat het dossier Ardesch politiek is gesloten? → Antwoord Wij menen dat met het opleveren van het Pro Facto-rapport, de vaststelling van de aanbevelingen door uw Raad, de afronding van het minnelijke traject en de uitkomsten hiervan…
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
fracties FvD en PVV – verdiepende vragen naar aanleiding van beantwoording Ardesch.
Op 18 augustus 2026 hebben we de antwoorden op vragen uitvoering van het vastgoedbeleid sinds 2015 en of daarbij strikt conform de vastgestelde kaders en spelregels is gehandeld en dat de raad hierover volledig en juist is geïnformeerd. Daarnaast waren deze vragen gebaseerd op de onbeantwoorde vragen zoals gesteld door Enschede Anders d.d. 8 januari 2026:
Onbeantwoorde vragen bijlage bij motie orde op zaken in het stadhuis Samenvattend komen we nu vanuit de beantwoording tot acht kernpunten:
A. Het feitenbeeld is volgens het college volledig - terwijl het college zelf erkent dat informatie ontbreekt (dit gaat over de interne tegenstrijdigheid in de beantwoording). want, bij vraag 9: “tekortkomingen van informatie beheer van toen, heeft invloed gehad op de beantwoording van vele vragen” en vervolgens wordt aangegeven: "Deze informatie is niet door ons vastgesteld." en bij vraag 18: “voormalige medewerkers werkten niet mee; bepaalde informatie bleef daardoor onvolledig; bepaalde documenten konden niet worden ingezien.” en vraag 26: "Die onderdelen zijn er niet." (geen zekerheden) Verdiepende vragen:
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Hoe kan het college stellen dat er geen resterende onzekerheden in het feitenbeeld zijn, terwijl het college tegelijkertijd erkent dat: A) tekortkomingen in het informatiebeheer invloed hebben gehad op de beantwoording van vele vragen; B) niet is vastgesteld welke informatie destijds ontbrak, onvindbaar was of niet beschikbaar is gesteld; C) en volgens Pro Facto bepaalde informatie onvolledig is gebleven en bepaalde documenten niet konden worden ingezien?
Antwoord van het college
Antwoord Wat wij bedoeld hebben is dat wij voldoende informatie hebben gekregen met het Pro Facto-rapport Gemeente Enschede; moeilijk garen mee te spinnen?. Deze gaat concreet in op de context die betrekking heeft op uw vragen. Ook hebben wij op basis van de beschikbare informatie uitvoering gegeven aan de motie. Dat in absolute zin niet alle informatie is aangeleverd in het feitenbeeld is bij uw Raad bekend. Op 25 april 2024 hebben wij uw Raad schriftelijk geïnformeerd naar aanleiding van het Saxion verificatierapport (kenmerk 2400015195 ) [citaat] van een zaakdossier, een parallel spoor is gaan lopen door de heer Ardesch zelf via de Klachtencommissaris en de Nationale Ombudsman. Daarbij is de communicatie binnen beide processen op een andere wijze verlopen en is er niet zaakgericht gearchiveerd waardoor er geen zelfstandig dossier is opgebouwd. [einde citaat]
Dat niet alle informatie beschikbaar was neemt niet weg dat er een feitenbeeld is neergelegd door Pro Facto dat uw Raad heeft omarmd. Wij hebben deze als basis gebruikt voor het vervolg zoals de aanbevelingen die betrekking hebben op de ambtelijke organisatie.
B. "alle betrokkenen zijn uitgenodigd, maar niet alle uitgenodigden hebben meegewerkt/gehoord kunnen worden" Het college geeft aan "alle betrokkenen een uitnodiging ontvangen om te worden gehoord." En in het Pro-Facto rapport staat duidelijk: “een aantal voormalige medewerkers wilde niet meewerken en daardoor bleef bepaalde informatie onvolledig.” Verdiepende vragen:
Vraag 2
Welke acties zijn vanuit het college, de ambtelijke organisatie of namens het college ondernomen om personen die niet op de uitnodiging van Pro Facto hebben gereageerd of hebben aangegeven niet te willen meewerken, alsnog tot medewerking te bewegen?
Antwoord van het college
A) Wat hield deze benadering concreet in?
B) Is daarbij uitsluitend gewezen op het belang van medewerking aan het onafhankelijke onderzoek, of zijn ook andere inspanningen verricht?
C) Indien geen aanvullende acties zijn ondernomen: waarom niet?
Antwoord Wij hebben alle randvoorwaarden gecreëerd om betrokkenen in staat te stellen aan het onderzoek deel te nemen. Alle contactgegevens zijn aan Pro Facto verstrekt, waarna Pro Facto zelfstandig de uitnodigingen heeft verzorgd. Op verzoek van Pro Facto heeft de ambtelijk contactpersoon bij de concernstaf voormalig medewerkers ook persoonlijk benaderd over het onderzoek. Daarbij is volgens de spelregels van het onderzoek aangegeven dat medewerking niet verplicht is. Immers het betrof een raadsonderzoek in tegenstelling tot een raadsenquête waarin medewerking verplichtend is. Daarmee is gewaarborgd dat iedereen die relevant werd geacht, daadwerkelijk de gelegenheid heeft gekregen zijn of haar visie te geven.
De onafhankelijke positie van de onderzoekers van Pro Facto werd daarmee ook geborgd.
Het onderzoek kende, zoals gezegd, geen verplichtend karakter. Dwang of druk om deel te nemen was daarom niet aan de orde. Pro Facto heeft uw Raad in haar rapport daar eveneens expliciet op gewezen.
D) Kan het college aangeven of het, gelet op het feit dat bepaalde informatie volgens Pro Facto daardoor onvolledig is gebleven, van oordeel is dat hiermee alles is gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om tot een zo volledig mogelijk feitenbeeld te komen?
Antwoord Wij lezen de bevindingen van Pro Facto op dit punt anders. De onderzoekers beschrijven de gevolgde onderzoeksaanpak en de mate van medewerking, maar verbinden daaraan niet de conclusie die in de vraag wordt verondersteld. De onderzoekers geven aan dat zij:
• 42 beoogde gesprekspartners op het oog hadden;
• 4 wilden niet meewerken;
• 2 wilden alleen schriftelijk reageren;
• 4 waren niet bereikbaar of ziek;
• uiteindelijk zijn 32 personen geïnterviewd.
In het rapport hebben de onderzoekers deze kwalificatie niet expliciet opgenomen. Wij baseren ons daarom op feitelijke bevindingen zoals die in het rapport zijn weergegeven.
C. De beantwoording van vraag 19 is eigenlijk een uitgestelde beantwoording In uw beantwoording geeft u aan dat de gemeentesecretaris de Raad in het najaar opnieuw zal informeren over de voortgang van de uitvoering van de lessen uit het Pro Facto-rapport.
Daarmee wordt echter niet inzichtelijk gemaakt welke maatregelen sinds de brief van 6 maart 2026 daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Nu is de inloopsessie van 19 oktober 2026 aangekondigd als een moment waarop de Raad ambtelijk wordt bijgepraat over de voortgang van de lessen.
Verdiepende vragen:
Vraag 3
Waarom is ervoor gekozen de Raad pas op dat moment inzicht te geven in de voortgang, terwijl de onderhavige artikel 35-vragen juist expliciet vroegen naar de maatregelen die inmiddels waren uitgevoerd?
Antwoord van het college
Antwoord Wij begrijpen uw interesse in de voortgang van de uitvoering van deze lessen. Over de wijze waarop wij met u hierover in gesprek blijven, zijn n.a.v het debat in uw Raad over onze reactie op de lessen uit het rapport van Pro Facto afspraken gemaakt hoe dit te doen. Dit mede in afstemming met het presidium.
A) Beschikt het college op dit moment over informatie over de voortgang van de uitvoering sinds 6 maart 2026?
Zo ja, waarom is deze informatie niet in de beantwoording van de artikel 35-vragen verstrekt?
Zo nee, hoe kan het college dan op dit moment beoordelen of sinds 6 maart 2026 daadwerkelijk voortgang is geboekt?
Antwoord Wij voeren de afspraken uit zoals we die met uw Rraad hebben vastgelegd. Dus twee keer per jaar wordt u over de uitvoering van de lessen bijgepraat. Het eerstvolgende moment is 19 oktober a.s. De belangstelling die u toont in de voortgang van die lessen vinden we buitengewoon positief. Ook blijven wij continu scherp bij voorstellen die wij aan uw Raad aanbieden. Daarbij toetsen we aan de lessen van het onderzoek. We geven dit ook actief terug aan de ambtelijke organisatie bijvoorbeeld via de toetsing van de college- en raadsvoorstellen.
B) Kunt u daarom per les aangeven:
- welke concrete maatregelen sinds 6 maart 2026 daadwerkelijk zijn uitgevoerd;
- welke maatregelen momenteel in uitvoering zijn en welke nog niet zijn gestart;
- wanneer de nog niet uitgevoerde maatregelen naar verwachting worden gerealiseerd;
- en op welke wijze het college tot nu toe heeft vastgesteld of de reeds uitgevoerde maatregelen het beoogde effect hebben?
Antwoord Tijdens de sessie in oktober zal de gemeentesecretaris nader ingaan op de lessen die de organisatie betreffen. Waar het gaat om lessen die de samenwerking tussen college en raad aangaan, kijken wij proactief welke bijdrage wij kunnen leveren. Indien nodig voert de burgemeester hierover het gesprek in de driehoek en/of met uw presidium.
C) Indien het college op dit moment geen overzicht kan verstrekken van de reeds uitgevoerde maatregelen: waarom is dit overzicht niet beschikbaar, terwijl in de brief van 6 maart 2026 is aangegeven dat de Raad over de voortgang van de uitvoering van de lessen zou worden geïnformeerd?
Antwoord We voeren de afspraak met uw Raad uit zoals hierboven is toegelicht. Ook hebben wij al aanbevelingen als onderdeel van ons dagelijks handelen doorgevoerd zoals de vaste bespreking van artikel 35-vragen in ons college.
D) Volledigheid en betrouwbaarheid van het feitenbeeld Dit gaat over de vraag naar de methodiek waarmee het college tot zijn conclusie over de volledigheid van het feitenbeeld komt.
In de beantwoording van vraag 9 stelt het college dat tekortkomingen in het informatiebeheer invloed hebben gehad op de beantwoording van vele vragen en dat niet is vastgesteld welke informatie destijds ontbrak, onvindbaar was of niet beschikbaar werd gesteld.
Bij vraag 18 verwijst het college bovendien naar de constatering van Pro Facto dat een aantal voormalige medewerkers niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, waardoor bepaalde informatie over het verloop van zaken onvolledig is gebleven, en dat bepaalde documenten niet konden worden ingezien.
Tegelijkertijd stelt het college bij vraag 26 dat er geen onderdelen van het feitenbeeld meer onzeker zijn.
Verdiepende vraag:
Vraag 4
Kunt u onderbouwen hoe het college tot deze conclusie is gekomen?
Antwoord van het college
Antwoord Deze vraag vertoont sterke samenhang met de vragen 1 en 2. Om herhaling te voorkomen verwijzen wij naar de beantwoording van die vragen. Daarnaast willen we u wijzen op hoofdstuk 7 van het Pro Facto-rapport. Deze gaat concreet in op de relevante context die betrekking heeft op uw vragen.
Daarbij graag specifiek aangeven:
A) welke toets of criteria het college heeft gehanteerd om te bepalen dat het feitenbeeld desondanks voldoende volledig en betrouwbaar is;
B) hoe het college kan vaststellen dat er geen relevante onzekerheden meer zijn, terwijl het tegelijkertijd niet heeft vastgesteld welke informatie destijds ontbrak en Pro Facto aangeeft dat bepaalde informatie onvolledig is gebleven;
C) of het college onderscheid maakt tussen "onbekend welke informatie ontbreekt" en "vastgesteld dat geen relevante informatie ontbreekt";
D) en welke betekenis het college toekent aan de door Pro Facto benoemde beperkingen voor de zekerheid waarmee het college bestuurlijke conclusies over het dossier trekt.
Indien het college van oordeel is dat deze beperkingen geen invloed hebben op de betrouwbaarheid en volledigheid van het huidige feitenbeeld, graag concreet onderbouwen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Antwoord Hiervoor verwijzen wij u naar het antwoord bij de vragen 1 en 2 en ook naar het hoofdstuk 7 van het Pro Facto-rapport.
E) verkoop De Spinnerij In de beantwoording van de vragen over de verkoop van De Spinnerij verwijst het college voor een belangrijk deel naar het Pro Facto-rapport. Het college stelt daarbij dat de door de Raad vastgestelde kaders en spelregels consequent zijn toegepast. Een concrete onderbouwing van deze conclusie, aan de hand van de afzonderlijke stappen van het verkoopproces, ontbreekt echter in de beantwoording.
Verdiepende vragen:
Vraag 5
Kan het college daarom alsnog onderbouwd aangeven op welke wijze het heeft vastgesteld dat bij de verkoop van De Spinnerij daadwerkelijk alle toepasselijke kaders en spelregels zijn nageleefd?
Antwoord van het college
Antwoord Pro Facto heeft bij de verkoop van de Spinnerij niet alleen gekeken naar de uiteindelijke verkooptransactie maar naar het gehele besluitvormings- en verkoopproces rondom de verkoop aan Walas. Hoofdstuk 3 behandelt dit onderwerp specifiek.
Belangrijk is dat Pro Facto de verkoop heeft getoetst aan een normenkader van wet- en regelgeving en bestuurlijke normen. Het is van belang hierbij de tijdgeest in ogenschouw te nemen. Het vastgoedbeleid van uw Raad en de rol van de afdeling Vastgoed waren anders dan heden ten dage. Het onderzoek richtte zich onder meer op de vraag:
• welke kaders en spelregels voor de verkoop golden;
• hoe de waarschuwingen over Walas zijn behandeld;
• of de besluitvorming zorgvuldig heeft plaatsgevonden;
• welke informatie beschikbaar was voor college en organisatie op de relevante besluitmomenten.
Het feitenonderzoek van Pro Facto was primair gericht op het handelen van uw raad, op ons handelen en dat van de ambtelijke organisatie. Wij volgen daarin ook de bevindingen die Pro Facto aan uw raad heeft voorgelegd.
Graag daarbij specifiek aangeven:
A).welke kaders en spelregels volgens het college op de verkoop van toepassing waren;
Antwoord Dat staat in het Pro Facto-rapport in hoofdstuk 3. Daar verwijzen we u naar naast het antwoord op de hierboven gestelde vraag.
B). op welke momenten in het verkoopproces aan deze kaders en spelregels is getoetst;
Antwoord Deze vraag raakt aan een punt dat ook in eerdere vragen aan de orde is gekomen. Voor de volledigheid verwijzen wij naar de eerder gegeven beantwoording, die op dit onderdeel ongewijzigd blijft.
C).door wie deze toetsing is uitgevoerd;
Antwoord De toetsing aan de destijds geldende kaders en spelregels vormde onderdeel van het reguliere proces van ambtelijke voorbereiding en bestuurlijke besluitvorming van het collegevoorstel.
Daarbij waren onder meer het Vastgoedbedrijf Enschede, gemeentelijke juristen en het college betrokken. Er heeft geen afzonderlijke integrale toets achteraf plaatsgevonden.
D).of daarbij afwijkingen, aandachtspunten of risico's zijn geconstateerd;
Antwoord Deze vraag raakt aan een punt dat ook in eerdere vragen aan de orde is gekomen. Voor de volledigheid verwijzen wij naar de eerder gegeven beantwoording, die op dit onderdeel ongewijzigd blijft.
E).en hoe het college tot de conclusie komt dat de verkoopprocedure als geheel overeenkomstig de geldende kaders is verlopen.
Antwoord Ook deze vraag sluit aan bij eerder gestelde vragen. Onze reactie hierop is opgenomen in de voorgaande beantwoording, waarna wij voor dit onderdeel geen aanvullende informatie hebben toe te voegen.
F) Heeft het college, los van het Pro Facto-onderzoek, zelf een integrale toets uitgevoerd van het verkoopproces van De Spinnerij aan de hand van de geldende vastgoedkaders en spelregels?
Zo ja, wanneer, door wie en met welke uitkomst?
Zo nee, waarom acht het college de conclusie dat de kaders consequent zijn toegepast desondanks voldoende onderbouwd?
Antwoord Nee, deze vraag is hierboven al beantwoord en aan de orde geweest in het Pro facto onderzoek. Zoals ook in het rapport is geconstateerd en door ons is onderstreept, had dit met de kennis van nu anders gemoeten.
F. Het college stelt dat de spelregels zijn nageleefd, terwijl Pro Facto constateert dat dit niet het geval was.
In de beantwoording van vraag 1 stelt het college dat de door de Raad vastgestelde kaders en spelregels sinds 2015 "consequent" zijn toegepast.
Deze stelling lijkt echter niet zonder meer verenigbaar met de bevindingen van het Pro Facto-onderzoek, waarin ten aanzien van de toepassing van de in 2015 vastgestelde spelregels kritische bevindingen zijn opgenomen.
Daarmee ontstaat een fundamentele vraag over de wijze waarop het college de bevindingen van het eigen onderzoek heeft vertaald naar zijn huidige bestuurlijke conclusie.
Verdiepende vragen:
Vraag 6
Hoe verklaart het college het verschil tussen de conclusie in de beantwoording van de artikel 35-vragen dat de vastgoedkaders en spelregels sinds 2015 "consequent" zijn toegepast en de concrete bevindingen van Pro Facto over de toepassing van de in 2015 vastgestelde spelregels? Antwoord Er is geen tegenstelling tussen de constatering dat de verkoop plaatsvond binnen de door uw Raad vastgestelde vastgoedstrategie en de bevinding uit het Pro Facto-rapport, dat er op onderdelen vragen bestaan over de wijze waarop het proces is verlopen. A).Welke concrete bevindingen uit het Pro Facto-rapport liggen ten grondslag aan de conclusie van het college dat de spelregels sinds 2015 consequent zijn toegepast?
Antwoord van het college
Het Pro Facto-rapport bevat geen expliciete conclusie dat de verkoop van de Spinnerij onrechtmatig heeft plaatsgevonden of dat de verkoop buiten de geldende kaders is verlopen. Er kan wel worden vastgesteld dat Pro Facto binnen de bredere casus tekortkomingen signaleert ten aanzien van informatiehuishouding, positionering van de afdeling, controlemechanismen, dossieropbouw en de beschikbaarheid van informatie. Daar zijn mede de lessen op gebaseerd die wij ons ter harte hebben genomen.
B) Erkent het college dat bij één of meer vastgoedtransacties sinds 2015 van de vastgestelde spelregels is afgeweken?
Zo ja:
C) bij welke transacties;
D) op welke punten is afgeweken;
E) wie heeft deze afwijking vastgesteld of geaccordeerd en waarom is deze afwijking volgens het college gerechtvaardigd?
Antwoord Het Pro Facto-rapport heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de kwaliteit van ons gemeentelijk handelen rond deze verkoop. Wij beschikken thans niet over meer aanvullende informatie, waaruit blijkt dat deze aandachtspunten die u schetst, destijds als formele afwijkingen van de spelregels zijn geregistreerd of bestuurlijk geaccordeerd.
F).Indien het college van mening blijft dat de spelregels sinds 2015 consequent zijn toegepast, kan het college dan concreet aangeven op welke passage(s) uit het Pro Facto-rapport het deze conclusie baseert en hoe deze conclusie zich verhoudt tot de hiervoor genoemde bevinding van Pro Facto?
Antwoord Dit antwoord hebben wij u al gegeven en we verwijzen u ook naar hoofdstuk 3 van het Pro Facto-rapport.
G. Het college stelt dat de spelregels zijn nageleefd, terwijl het Pro Facto-onderzoek aanleiding geeft tot een andere conclusie.
In de beantwoording van vraag 1 stelt het college dat de door de Raad vastgestelde kaders en spelregels sinds 2015 "consequent" zijn toegepast.
Deze stelling lijkt echter niet zonder meer verenigbaar met de bevindingen van het Pro Facto-onderzoek, waarin ten aanzien van de toepassing van de in 2015 vastgestelde spelregels kritische bevindingen zijn opgenomen.
Daarmee ontstaat een fundamentele vraag over de wijze waarop het college de bevindingen van het eigen onderzoek heeft vertaald naar zijn huidige bestuurlijke conclusie.
Verdiepende vragen:
Vraag 7
Hoe verklaart het college het verschil tussen de conclusie in de beantwoording van de artikel 35-vragen dat de vastgoedkaders en spelregels sinds 2015 "consequent" zijn toegepast en de bevindingen van Pro Facto over de toepassing van de in 2015 vastgestelde spelregels?
Antwoord van het college
Antwoord Deze vraag sluit aan bij vraag 6. Om herhaling te voorkomen verwijzen wij naar de beantwoording van die vraag.
A).Welke concrete bevindingen uit het Pro Facto-rapport liggen ten grondslag aan de conclusie van het college dat de spelregels sinds 2015 consequent zijn toegepast?
Antwoord Wij herkennen deze interpretatie van het onderzoek niet. Daarbij merken wij op dat het onderzoek zich niet richt op een integrale beoordeling van het tijdvak 2015-2026.
B) Erkent het college dat bij één of meer vastgoedtransacties sinds 2015 van de vastgestelde spelregels is afgeweken?
Antwoord Deze vraag heeft u al gesteld en we verwijzen u naar het antwoord bij vraag 6 Zo ja:
C) bij welke transacties;
D) op welke punten is afgeweken;
E) wie heeft deze afwijking vastgesteld of geaccordeerd;
F) en waarom is deze afwijking volgens het college gerechtvaardigd?
G).Indien het college van mening blijft dat de spelregels sinds 2015 consequent zijn toegepast, kan het college dan concreet aangeven op welke passages uit het Pro Facto-rapport het deze conclusie baseert en hoe deze conclusie zich verhoudt tot de hiervoor genoemde bevindingen?
Antwoord Wij zien de bevindingen anders en komen daarom niet tot dezelfde conclusie als u in uw vraag veronderstelt. Het rapport beschrijft immers zelf een situatie waarin de informatiehuishouding tekortschiet en relevante informatie niet altijd beschikbaar of reconstrueerbaar is. Ook gaat het onderzoek uitgebreid in op de tijdgeest, de positionering van de afdeling Vastgoed en wat dit heeft betekent in onderhavige casus. Dit hebben wij onderkend in onze reactie op het rapport.
Omdat wij uw conclusie niet kunnen volgen is het voor ons niet mogelijk stellige en absolute conclusies te verbinden aan het volledige feitencomplex. Wij hebben daarom bewust gekozen voor een andere benadering: niet het heropenen van oude standpunten, maar het benutten van de lessen die het rapport biedt om herhaling in de toekomst te voorkomen.
H). Wie bepaalt of het dossier Ardesch politiek is afgesloten?
Antwoord Uw Raad bepaalt dit tenslotte. Wij hebben ons standpunt met een brief aan uw raad laten weten. Dat betrof specifiek het tweede deel van de motie ‘’ het minnelijke traject’’.
In de kamer Bestuur & Middelen hebben wij vervolgens hierover met u het debat gevoerd.
In de beantwoording van de artikel 35-vragen en in de daaropvolgende communicatie wordt vanuit het college de indruk gewekt dat het dossier Ardesch als afgerond kan worden beschouwd. Er is zelf al de kwalificatie gebruikt dat het dossier "politiek gesloten" zou zijn.
Deze kwalificatie is opmerkelijk, omdat uit de beantwoording van de artikel 35-vragen juist blijkt dat er nog wezenlijke vragen bestaan over onder meer de volledigheid van het feitenbeeld en de toepassing van de in 2015 vastgestelde vastgoedkaders. Daarnaast bestaat er een verschil tussen de huidige conclusie van het college en de bevindingen van Pro Facto over de toepassing van deze kaders.
Verdiepende vragen:
Vraag 8
Op grond van welk formeel Raadsbesluit of welke andere besluitvorming concludeert het college dat het dossier Ardesch politiek is gesloten?
Antwoord van het college
Antwoord Wij menen dat met het opleveren van het Pro Facto-rapport, de vaststelling van de aanbevelingen door uw Raad, de afronding van het minnelijke traject en de uitkomsten hiervan neergelegd in onze brief van 3 juni 2026, uitvoering is gegeven aan alle onderdelen van de motie 'Orde op zaken in het stadhuis'.
Wij verbinden aan de uitvoering van deze motie niet de conclusie dat het dossier daarmee eenzijdig of formeel "politiek gesloten" zou zijn. Die kwalificatie is uiteindelijk aan de raad zelf.
Gelet op deze stappen is ons oordeel dat uitvoering is gegeven aan de opdrachten die voortvloeiden uit de motie. Tegelijkertijd respecteren wij dat uw raad zelfstandig bepaalt op welke wijze en op welk moment het dossier politiek mag worden beschouwd als afgerond. Wij blijven ons volledig richten op de uitvoering van de lessen en aanbevelingen die uit het onderzoek zijn voortgekomen.
B).Is het college van mening dat het college zelfstandig kan vaststellen dat een dossier politiek is afgesloten, of is het uiteindelijk aan de gemeenteraad om te bepalen of de politieke en controlerende behandeling van een dossier kan worden afgerond?
Antwoord Deze vraag hebben we hierboven beantwoord.
B.) Hoe verhoudt de kwalificatie "politiek gesloten" zich tot de door het college zelf erkende beperkingen in de beschikbare informatie, de constatering van Pro Facto dat bepaalde informatie onvolledig is gebleven en het verschil van inzicht over de naleving van de vastgoedkaders?
C).Hoe verhoudt deze kwalificatie zich tot de nog niet inhoudelijk beantwoorde vragen en de nog lopende of aangekondigde verbetermaatregelen naar aanleiding van het Pro Facto-rapport en de brief van 6 maart 2026?
Antwoord Deze vragen hebben we hierboven al beantwoord.
C.)Welke concrete criteria hanteert het college om te bepalen dat een dossier bestuurlijk of politiek als afgerond kan worden beschouwd?
Antwoord Ons oordeel dat uitvoering is gegeven aan de motie is gebaseerd op de inhoud van de motie zelf en de daarin opgenomen opdrachten.
Het eerste deel van de motie had betrekking op het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek naar de casus-Ardesch en het trekken van lessen voor bestuur en organisatie. Dat heeft geresulteerd in het Pro Facto-rapport van 10 november 2025 en de daaropvolgende vaststelling van de aanbevelingen door de Raad op 15 december 2025.
Het tweede deel van de motie zag op het minnelijk traject met de heer Ardesch. Wij hebben uw Raad in de brief van 3 juni 2026 en tijdens de behandeling in de commissie Bestuur & Middelen geïnformeerd over het verloop en de afronding van dat traject. Over de uitvoering van de aanbevelingen gericht op de ambtelijke organisatie uit het Pro Facto-rapport wordt de Raad periodiek geïnformeerd door de gemeentesecretaris.
Op grond van deze feiten zijn wij van mening dat uitvoering is gegeven aan de opdrachten die voortvloeien uit de motie. Dat oordeel staat los van de vraag of uw raad aanleiding ziet om op enig moment opnieuw met elkaar over het dossier in debat te gaan.
We zullen altijd met u hierover in gesprek blijven. Op dit moment richten wij ons vooral op de uitvoering van de aanbevelingen en het versterken van de ambtelijke organisatie op basis van de geleerde lessen.
Enschede, 7 oktober 2026 Burgemeester en Wethouders van Enschede, de Secretaris, de Burgemeester, M.W. de Graaf R.W. Bleker
Bekijk de brief: Beantwoording art. 35 vragen BvE, FvD en PVV
Bron: raadsinformatie van de gemeente Enschede (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.