11 juni 2026 · artikel 35-vragen · gemeente Nunspeet

schriftelijke vragen cie AB 11 juni 2026

Een raadslid stelde op 11 juni 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (4 vragen).

In het kort

4 vragen en wat het college antwoordt

  • Klopt het dat de agendacommissie bij het bepalen of een onderwerp als bespreekstuk naar de raad moet, uitgaat van de conclusie in de commissie, maar dat de raad bij… → De vakcommissie bepaalt op verzoek van de commissievoorzitter of een voorstel als hamerstuk of als bespreekstuk naar de raadsvergadering doorgeleid wordt.
  • Zijn er mogelijkheden (bijvoorbeeld in andere gemeenten) om bij gevolgtrekkingen in commissievergaderingen meer rekening te houden met de grootte van de fracties die… → Dit betreft een afweging die aan de raad/Presidium zelf is.
  • Is het juridisch en procedureel mogelijk om in de besluitenlijst of het commissieadvies (van zowel de inhoudelijke commissies als agendacommissie) korter en feitelijker… → Dit is mogelijk; de Gemeentewet laat gemeenten de ruimte dit zelf te regelen.
  • Kan het college bevestigen dat de raad na dit besluit nog een afzonderlijk voorstel ontvangt over de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken, inclusief beoordeling… → Ja, het college kan bevestigen dat de raad na dit besluit nog een afzonderlijk voorstel ontvangt over de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken.

Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.

Aanleiding

Overzicht schriftelijke vragen commissie Algemeen Bestuur 11 juni 2026. ☐ 5b. Verordening op de raadscommissies gemeente Nunspeet.

H.J. Polinder (SGP) Bij de advisering door een commissie wordt niet gekeken naar de achterliggende raadszetels, maar naar de standpunten van de aanwezige commissieleden/fracties.

Vraag:

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Klopt het dat de agendacommissie bij het bepalen of een onderwerp als bespreekstuk naar de raad moet, uitgaat van de conclusie in de commissie, maar dat de raad bij vaststelling van de raadsagenda altijd zelf het laatste woord houdt?

Antwoord van het college

De vakcommissie bepaalt op verzoek van de commissievoorzitter of een voorstel als hamerstuk of als bespreekstuk naar de raadsvergadering doorgeleid wordt. Tijdens de raadsvergadering blijft echter altijd de mogelijkheid bestaan om woordvoering te plegen.

De Agendacommissie heeft als taak om de voorlopige agenda van de gemeenteraad vast te stellen. Daarbij kan de Agendacommissie rekening houdend met de bespreking in de vakcommissie, maar ze heeft daarin wel een eigenstandige rol. Uiteindelijk is het altijd de gemeenteraad die bij aanvang van een raadsvergadering de agenda definitief vaststelt. Op voorstel van een raadslid of de voorzitter kan de raad bij vaststelling van deze agenda bij meerderheid onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren (artikel 8 lid 4 van het reglement van orde).

Vraag:

Vraag 2

Zijn er mogelijkheden (bijvoorbeeld in andere gemeenten) om bij gevolgtrekkingen in commissievergaderingen meer rekening te houden met de grootte van de fracties die vertegenwoordigd worden?

Antwoord van het college

Dit betreft een afweging die aan de raad/Presidium zelf is. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat gevolgtrekkingen procedurele conclusies van de voorzitter zijn over het verloop en

de uitkomst van het debat. Deze gevolgtrekkingen hebben in die zin slechts een adviserend karakter.

Voor zover bekend zijn er geen voorbeelden van andere gemeenten waarbij in de verordening is vastgelegd dat bij gevolgtrekkingen expliciet rekening wordt gehouden met de omvang van fracties, noch dat politieke verhoudingen uitdrukkelijk worden meegewogen bij het formuleren van de conclusie.

Vraag:

Vraag 3

Is het juridisch en procedureel mogelijk om in de besluitenlijst of het commissieadvies (van zowel de inhoudelijke commissies als agendacommissie) korter en feitelijker vast te leggen welke fracties doorgeleiding naar de raad wensen, zodat ook zichtbaar blijft of daar een raadsmeerderheid achter zit?

Antwoord van het college

Dit is mogelijk; de Gemeentewet laat gemeenten de ruimte dit zelf te regelen. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat de voorzitter de conclusie zorgvuldig formuleert, bijvoorbeeld door expliciete standpunten van fracties duidelijk samen te vatten zodat die als zodanig in de besluitenlijst opgenomen kunnen worden. ☐ 5c. Het (gedeeltelijk) opheffen van de geheimhouding van documenten zoals vermeld in het geheimhoudingsregister.

H.J. Polinder (SGP) Vraag:

1. Kan het college per dossier waarbij de geheimhouding in stand blijft aangeven welk concreet herbeoordelingsmoment geldt, bijvoorbeeld na afronding onderhandelingen, financiële afwikkeling of decharge, in plaats van alleen de jaarlijkse evaluatie?

Antwoord:

Het college kan waar mogelijk per dossier een concreet herbeoordelingsmoment benoemen, bijvoorbeeld na afronding van onderhandelingen of de financiële afwikkeling (zie het onderstaande voorstel). Omdat het echter niet in alle gevallen mogelijk is om vooraf een duidelijk moment vast te stellen, is bewust gekozen voor een vast jaarlijks evaluatiemoment als structurele waarborg (beoogd in september).

Daarbij speelt ook dat onderhandelingen, zoals die met betrekking tot ’t Hul Noord, naar verwachting nog geruime tijd zullen voortduren. Juist om die reden is een jaarlijkse evaluatie wenselijk: dit biedt een vast en voorspelbaar moment waarop alle dossiers in samenhang worden herbeoordeeld.

Tegelijkertijd kan het college voorstellen om alle dossiers in de jaarlijkse evaluatie mee te nemen en, zodra zich tussentijds een logisch moment voordoet, zoals afronding van onderhandelingen of financiële afwikkeling, het opheffen van de geheimhouding afzonderlijk aan de raad voor te leggen. In het onderstaande voorstel is daarom gezocht naar aanvullende, dossier gebonden momenten van herbeoordeling, zodat wordt voorkomen dat een jaarlijkse evaluatie net heeft plaatsgevonden terwijl kort daarna bijvoorbeeld onderhandelingen worden afgerond.

Daarnaast geldt dat bij een eventueel Woo‑verzoek steeds per dossier opnieuw wordt getoetst of de geheimhouding nog gerechtvaardigd is.

Dossier

Herbeoordelingsmoment

Agenda en besluitenlijst besloten

Jaarlijkse evaluatie (beoogd in september)

commissievergadering Algemeen Bestuur d.d. 21 mei 2024 ondermijning Aankoop 't Hul Noord verbreding –

Afronding onderhandelingen binnen het

Bovenweg 2 te Nunspeet

project ’t Hul Noord

Vertrouwelijke stukken inzake het realisatiebesluit Na de financiële afwikkeling project verbetering Stationsgebied Stukken inzake strategische aankoop perceel

Afronding onderhandelingen binnen het

Diepeweg 20 te Elspeet

project ’t Hul Noord

Stukken inzake aankoop 't Hul Noord verbreding Afronding onderhandelingen binnen het Bovenweg, aankoop Bovenweg 14

project ’t Hul Noord

Financieringsplan nieuwbouw VV Nunspeet ad- Jaarlijkse evaluatie (beoogd in september) viesmemo Marxman Vraag:

2. Bij het Stationsgebied wordt aangegeven dat financiële afronding vermoedelijk in het derde kwartaal van 2026 plaatsvindt en dat daarna decharge aan de raad wordt gevraagd.

Wordt bij dat dechargevoorstel automatisch ook een voorstel tot opheffing of herbeoordeling van de geheimhouding gevoegd?

Antwoord:

Bij het dechargevoorstel wordt, als uw raad zich kan vinden in het hiervoor genoemde voorstel, ook beoordeeld of de geheimhouding nog noodzakelijk is. Dit betekent dat bij het dechargevoorstel ook een voorstel tot opheffing dan wel herbeoordeling van de geheimhouding wordt opgenomen, voor zover de gronden daarvoor zijn vervallen.

Vraag:

3. Kan worden toegelicht hoe wordt voorkomen dat de procedure met zienswijzen van derdebelanghebbenden ertoe leidt dat de feitelijke openbaarmaking onnodig lang wordt uitgesteld?

Antwoord:

De zienswijzenprocedure wordt noodzakelijk geacht en maakt integraal onderdeel uit van het proces, maar wordt zo ingericht dat onnodige vertraging wordt voorkomen, onder meer door het hanteren en bewaken van termijnen en tijdige voorbereiding. Het voorstel voor feitelijke openbaarmaking wordt in het najaar aan de raad voorgelegd. In dit voorstel worden de dossiers uit het geheimhoudingsregister meegenomen waarvan de geheimhouding geheel of gedeeltelijk is opgeheven. De ontvangen zienswijzen met daarbij een inhoudelijke beoordeling worden hieraan toegevoegd.

Vraag:

Vraag 4

Kan het college bevestigen dat de raad na dit besluit nog een afzonderlijk voorstel ontvangt over de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken, inclusief beoordeling van eventuele zienswijzen? Zo niet, hoe is dan de procedure m.b.t. het vervolg?

Antwoord van het college

Ja, het college kan bevestigen dat de raad na dit besluit nog een afzonderlijk voorstel ontvangt over de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken. Dit is ook expliciet aangegeven in het commissievoorstel. Dit voorstel wordt in het najaar aan de raad voorgelegd en bevat de dossiers waarvan de geheimhouding geheel of gedeeltelijk is opgeheven, inclusief de ingediende zienswijzen en de inhoudelijke beoordeling daarvan.

G. Pluim (ChristenUnie) Vraag

1. Het college heeft in februari geconcludeerd dat bij afgesloten en oudere dossiers het economisch en financieel belang (art. 5.1 lid 2 sub b Woo) vaak niet meer doorslaggevend is.

Kan het college toelichten wat in deze tranche wezenlijk anders is, nu er in een aantal dossiers (een aantal zelfs uit 2019 en 2020) voor wordt gekozen om bedragen wél vertrouwelijk te houden?

Antwoord:

Bij eerdere beoordelingen van dossiers is het economisch en financieel belang als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, Woo in een aantal gevallen niet langer doorslaggevend geacht, met name waar dossiers als afgerond konden worden beschouwd. Die beoordeling zag echter op de toen voorliggende dossiers. Voor de nu beoordeelde tranche is dezelfde toets toegepast, maar dit leidt gelet op de aard en status van deze dossiers tot een andere uitkomst.

Een deel van deze dossiers kan, ondanks de ouderdom van sommige stukken, nog niet als afgerond worden aangemerkt en maakt onderdeel uit van lopende, samenhangende onderhandelingstrajecten. De gemeenteraad heeft op deze stukken eerder geheimhouding bekrachtigd; de daarbij gehanteerde weigeringsgronden, waaronder artikel 5.1, tweede lid, onder b, Woo, zijn aangehouden en in deze tranche opnieuw getoetst. Daarbij is bepalend of de opgenomen bedragen en waarderingen nog van invloed zijn op de actuele onderhandelingspositie.

Het onderscheid zit daarmee niet zozeer in de ouderdom van de stukken, maar in de huidige status van de dossiers en de doorwerking van de financiële informatie. In deze gevallen wordt geadviseerd de financiële gegevens vooralsnog onder de geheimhouding te laten vallen, omdat openbaarmaking kan leiden tot financiële nadelen of een verzwakking van de onderhandelingspositie. Na afronding van de betreffende trajecten wordt opnieuw beoordeeld of de grond voor geheimhouding nog aanwezig is en kan opheffing van de geheimhouding aan de orde zijn.

Vraag

2. Kan het college toelichten waarom hierbij is gekozen voor een meer generieke motivering van het financieel belang, in plaats van een nadere onderbouwing per document of per type informatie (zoals taxaties, koopprijzen of grondexploitaties) Antwoord De beoordeling heeft zowel op dossier- als op documentniveau plaatsgevonden. Voor een aantal dossiers, met name rond de aankoop van percelen, is ervoor gekozen deze in onderlinge samenhang op dossierniveau te beoordelen. Dit hangt samen met de inhoudelijke en financiële verwevenheid binnen deze trajecten: gegevens uit afzonderlijke stukken (zoals bedragen en waarderingen) kunnen niet los worden gezien van lopende onderhandelingen, de strategische positie van de gemeente en, in een specifiek geval, de nog lopende financiële afwikkeling van een project.

Na afronding van de betreffende onderhandelingen en, waar van toepassing, de financiële afwikkeling van het project wordt opnieuw beoordeeld of de geheimhouding nog kan worden gehandhaafd en of opheffing daarvan aan de orde is. ☐ 5d. Ontwerpbegroting 2027 & Meerjarenraming 2028 - 2030 van het Noord-Veluws Archief.

H.J. Polinder (SGP) Vraag:

1. In de begroting wordt aangegeven dat NoVA binnen de gestelde kaders risico’s loopt rond continuïteit, doorontwikkeling van dienstverlening en collectiebeheer. Welke concrete gevolgen kan dit voor Nunspeet hebben?

Antwoord:

Dit kan betekenen dat de dienstverlening aan burgers en onderzoekers niet meer of onvoldoende kan worden uitgevoerd. Onvoldoende collectiebeheer kan leiden tot onherstelbare schade aan archieven of collecties. Daarnaast kan het leiden tot het niet voldoen aan

wettelijke archiefnormen, waardoor er bijvoorbeeld vertraging in de (wettelijke) overdracht en/of beschikbaarstelling van archieven ontstaat. Dit kan uiteindelijk financiële risico’s met zich meebrengen.

Vraag:

2. In 2028 wordt gewerkt aan een nieuwe kostenverdeelsystematiek. Kan worden aangegeven welke financiële bandbreedte of risico’s dit voor Nunspeet kan opleveren?

Antwoord:

Op basis van de huidige situatie is de verwachting dat de bijdrage van Nunspeet op basis van een nieuwe kostenverdeelsystematiek (of deze nu gebaseerd is op inwoneraantal of strekkende meters archief) eerder lager dan hoger zal zijn. Wel een aandachtspunt is de borging van het duurzaam informatie- en archiefbeheer zoals dit verwoord is in de aan de raden gerichte brief van dr. R.A.A. Bosch van 15 april jl.

Uit de hierin genoemde thema’s is het reëel te verwachten dat er de komende jaren, mede afhankelijk van de te maken keuzes, een hogere financiële bijdrage van de deelnemende gemeenten wordt gevraagd.

Vraag:

3. Het positieve resultaat over de tweede helft van 2025 wordt toegevoegd aan de algemene reserve. Wat is na deze toevoeging de omvang van de algemene reserve ten opzichte van de maximale 10% van de begroting?

Antwoord:

Het toegevoegde positieve resultaat 2025 bedraagt € 122.684,-. Dit is de omvang van de algemene reserve per 31 december 2025. In de financiële verordening artikel 13 is bepaald dat de totale omvang van de reserves niet meer dan 10% van de begroting mag zijn. Het begrotingstotaal 2026 bedraagt € 1.905.200,-. Dit betekent dat de totale omvang van de reserves niet meer dan € 190.000,- mag bedragen.

Vraag:

4. Wanneer wordt de raad geïnformeerd als blijkt dat NoVA wettelijke taken of afgesproken dienstverlening niet binnen de huidige financiële kaders kan uitvoeren?

Antwoord:

Als zich deze situatie zou voordoen wordt de raad z.s.m. geïnformeerd.

☐ 5f. Aanwijzingsbesluit Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv).

H.J. Polinder (SGP) Vraag:

1. Hoe wordt de raad geïnformeerd wanneer teammanagers op basis van het mandaat bijlage 1 wijzigen, bijvoorbeeld door kanalen toe te voegen, te wijzigen of te verwijderen?

Antwoord:

De raad wordt in de toekomst niet actief geïnformeerd over wijzigingen in de diensten en kanalen zoals opgenomen in bijlage 1. Het mandaat voor de teammanagers is juist zo ingericht dat zij de bevoegdheid hebben om snel en flexibel te handelen bij het toevoegen, wijzigen of verwijderen van kanalen. Dit draagt bij aan een efficiënte dienstverlening en maakt het mogelijk om snel in te spelen op ontwikkelingen, zonder dat hiervoor telkens een afzonderlijk besluitvormings- of informatieproces richting de raad nodig is.

Vraag:

2. Wat gebeurt er als een inwoner een formeel bericht via een niet-aangewezen of verkeerd digitaal kanaal indient? Blijft de ontvangstdatum dan behouden?

Antwoord:

Als een inwoner een formeel bericht via een niet‑aangewezen digitaal kanaal indient, gebeurt dit in principe niet via de voorgeschreven weg en wordt het bericht niet in behandeling genomen. De inwoner wordt vervolgens gewezen op het juiste kanaal. De ontvangstdatum is het moment waarop het bericht via het officiële kanaal is ingediend.

In de Wmebv zijn echter enkele uitzonderingen opgenomen. Als sprake is van een van de volgende gevallen, wordt het bericht toch in behandeling genomen, ook als het via het onjuiste kanaal is ingediend:

• het bericht kan in de ontvangen vorm zonder nadere bewerking worden behandeld;

• het bericht betreft een bezwaarschrift of een administratief beroepschrift;

• voor het type bericht is geen specifieke wijze van verzending aangewezen.

Vraag:

3. Hoe wordt geborgd dat inwoners die niet digitaal vaardig zijn ook praktisch gezien gebruik kunnen blijven maken van telefoon, balie of schriftelijke indiening?

Antwoord:

De borging volgt uit de zorgplicht in de Wmebv. Naast de digitale weg blijft de gemeente ook op andere manieren bereikbaar. Dit betekent dat inwoners terechtkunnen aan de balie en telefonisch via het KCC. Daarnaast kunnen formulieren op papier worden opgestuurd of

afgehaald bij de balie, en wordt waar nodig ondersteuning geboden. Hiermee blijft de dienstverlening ook voor niet-digitaalvaardige inwoners praktisch toegankelijk.

Vraag:

4. Hoe wordt bij storingen vastgelegd vanaf welk moment sprake was van verminderde elektronische bereikbaarheid en welke wettelijke termijnen daardoor worden verlengd?

Antwoord:

Bij storingen wordt vastgelegd vanaf welk moment sprake is van verminderde elektronische bereikbaarheid door te registreren wanneer de storing begint en hoelang deze duurt. Van verminderde elektronische bereikbaarheid is in de praktijk sprake wanneer een storing langer dan één dag aanhoudt, omdat dit gevolgen kan hebben voor de vaststelling van de ontvangstdatum van elektronische berichten. De wettelijke termijn voor het indienen van officiele berichten wordt in ieder geval verlengd met de duur van de storing.

Bekijk de brief: Beantwoording schriftelijke vragen cie AB 11 juni 2026

Bron: raadsinformatie van de gemeente Nunspeet (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Nunspeet

Alle artikel 35-vragen in Nunspeet