6 november 2025 · artikel 35-vragen · gemeente Zeist

VRG25.036 Beantwoording Schriftelijke vragen (PvdA) onrechtmatige aanbesteding Figi (VRG5.031)

Een raadslid (PvdA) stelde op 6 november 2025 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

Brief van het college

Deze brief is niet in losse vragen en antwoorden uit te lezen. Hieronder staat de tekst; het origineel staat via de link.

Nummer vraag Datum vraag Datum beantwoording college Datum raad

: : : :

VRG25.036 7 oktober 2025 31 oktober 2025

Zaaknummer:

FORMULIER (BEANTWOORDING) SCHRIFTELIJKE VRAGEN op grond van artikel 39 RvO Beantwoording Vragensteller Onderwerp

: : :

Portefeuillehouder

:

Schriftelijk Wilma Breddels PvdA Aanvullende vragen Figi, verwijzing naar eerder gestelde vragen VRG25.031 (Onrechtmatige aanbesteding theatercontract Figi)

Naar aanleiding van de beantwoording van de raadsvragen over onrechtmatigheid aanbesteding contract Figi (VRG25.031) hebben wij nog aanvullende vragen. We hebben er voor gekozen om dit schriftelijk te doen, waarbij we verzoeken om de vragen z.s.m. te beantwoorden, zodat we die eventueel kunnen bespreken in het Vragenuur Lijst Ingekomen Stukken van 6 november a.s.

Vraag 1 Uit de beantwoording van vraag 3 blijkt dat er sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht conform artikel 400 e.v. van boek7 BW en artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012. De Aanbestedingswet geldt voor alle aanbestedingen van overheidswege, los van het bedrag van de aanbesteding. Het doel van de aanbestedingswet is dat alle ondernemers een gelijke kans krijgen en dat het proces transparant is.

Deelt het college de mening dat hier niet alleen sprake is geweest van schending van de Europese aanbestedingsregels maar ook van de Aanbestedingswet 2012?

Antwoord:

Europese aanbestedingsrichtlijnen van de Uniewetgever zijn geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012. Voor deze casus is Richtlijn 2014/24/EU relevant. Deze Richtlijn is omgezet in deel 2 van de Aanbestedingswet 2012. Op grond van deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 geldt een Europese aanbestedingsplicht voor de gemeente Zeist voor overheidsopdrachten voor diensten wanneer de geraamde waarde van de overheidsopdracht gelijk is aan of hoger ligt dan EUR 221.000,--. Voor zogeheten sociale en andere specifieke diensten genoemd in bijlage XIV bij Richtlijn 2014/24/EU geldt een hoger drempelbedrag van EUR 750.000,-. Deze drempelwaarden worden mogelijk in 2026 weer herzien. Het is evident dat de (geraamde) waarde van de opdracht aan Figi maakt dat er een Europese aanbestedingsplicht gold voor de opdracht.

Indien in strijd wordt gehandeld met een Europese aanbestedingsplicht, handelt de gemeente in strijd met de plicht die geldt op grond van de Aanbestedingswet 2012. Een direct beroep van een derde dat er in strijd met een plicht uit de Europese Richtlijn 2014/24/EU is gehandeld, is juridisch niet mogelijk. Dat zou alleen mogelijk zijn, wanneer de Richtlijn niet, of niet tijdig, door onze nationale wetgever zou zijn omgezet naar nationale wetgeving én de verplichtingen uit de Richtlijn voldoende duidelijke verplichtingen met zich mee zouden brengen. In zo’n situatie is een direct beroep op bepalingen in de Richtlijn mogelijk. Deze laatste situatie is niet aan de orde. Er is in strijd gehandeld met de Aanbestedingswet 2012 maar derden kunnen zich niet op het standpunt stellen dat er in

strijd met de Richtlijn wordt gehandeld, omdat een rechtstreeks beroep op de Richtlijn niet aan de orde is.

Vraag 2 Als er sprake is van een overeenkomst van opdracht, is in de overeenkomst de werking van artikel 7: 408 lid 1 (De opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst opzeggen) uitgesloten en zo ja, zijn er andere opzeggingsbepalingen opgenomen? De beantwoording op de eerdere vragen spreekt alleen van nietigheid/vernietigbaarheid.

Antwoord:

Hier is uiteraard bij stilgestaan. Uitgangspunt is dat op grond van art. 7:408 lid 1 BW de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst van opdracht kan opzeggen. Bij deze opzeggingsbevoegdheid maakt het inderdaad geen verschil of de overeenkomst voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd is aangegaan. Voor partijen is artikel 7:408 lid 1 BW regelend recht. Een professionele opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen andere afspraken maken. Zij kunnen bijvoorbeeld afspreken dat de overeenkomst niet tussentijds opzegbaar is of dat de opzegging alleen mag met inachtneming van een (lange) opzegtermijn. Ook de redelijkheid en billijkheid kunnen met zich meebrengen dat er eisen worden gesteld aan een opzegging. Dan moet gedacht worden aan de vaste jurisprudentie bij onbenoemde duurovereenkomst zoals aan de orde in de arresten Ronde Venen/Stedin, Auping/Beverslaap etc. Worden deze eisen niet in acht genomen dan is de opzeggende partij schadeplichtig. In een uitzonderlijk geval kan het zelfs zijn dat een overeenkomst nooit opzegbaar is.

Tegen deze achtergronden wordt de vraag beantwoord of de gemeente en Figi andersluidende afspraken maakten over de wettelijke bevoegdheid voor opdrachtgever om op te zeggen. In 11.2 van de overeenkomst met Figi staan enkele gevallen genoemd waarin de overeenkomst met onmiddellijke ingang kan worden beëindigd. Het gaat om surseance of faillissement (eigen aanvraag), faillietverklaring, change of control en verloren gaan van het theater. In 11.3 staat in welk geval de overeenkomst met in achtneming van een opzegtermijn van 2 maanden kan worden opgezegd. Dan gaat het om de BTW problematiek als dit zich na de periode van artikel 10 openbaart. Gevolg van deze opzegging is de afspraak dat parttijen dan aangepaste afspraken maken over de periode tot aan het einde van de looptijd.

De meest voor de hand liggende uitleg van artikelen 11.2 en 11.3 is dat partijen bedoeld hebben om tussentijdse opzegging aan banden te leggen, althans om dit te beperken. Het is dan niet logisch dat partijen daarnaast bedoeld hebben om de ruimere wettelijke bevoegdheid voor beëindiging op grond van artikel 7:408 lid 1 BW door de gemeente te laten bestaan.

Afgaande op de tekst van de overeenkomst bestaat er een redelijke kans dat als de gemeente de overeenkomst alsnog opzegt, dat die opzegging leidt tot schadeplichtigheid, zelfs als daarbij een lange opzegtermijn in acht wordt genomen en/of de opzegging gepaard gaat met een redelijk aanbod tot vergoeding van schade.

Vraag 3 Uit de beantwoording van vraag 4 blijkt dat de gemeente niet alleen betaalt voor de programmering en de promotieactiviteiten maar ook voor het in stand houden van het theater. Is ‘het in stand houden van het theater’ geen rare eend in de bijt als het gaat om een overeenkomst van opdracht welke wordt gedefinieerd als: De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het

tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. Het gaat bij een overeenkomst van opdracht om het verrichten van arbeid zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding. Wat wordt er dan bedoeld met ‘het in stand houden van het theater’?

Antwoord: In artikel 1 van de overeenkomst met Figi is geduid wat er bedoeld wordt met de instandhouding van het Theater. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat de instandhouding van het theater op een zodanig niveau geschiedt dat de fysieke en technische entourage in redelijkheid representatief en bij de tijd is. Dit maakt een bezoek aan het theater tot een bijzondere beleving. Voor zover het college bekend, zijn er geen andere documenten (zoals een onderhoudsbestek) die een verdere duiding geven wat exact verstaan moet worden onder het in stand houden van het theater.

Vraag 4 In de beantwoording van 5 vraag staat: Bepaalde onderdelen van het contract met Figi zouden ook door andere marktpartijen dan Figi uitgevoerd kunnen worden, bijvoorbeeld de programmering en daaraan verbonden promotie.

Welke onderdelen van het contract kunnen dan niet uitbesteed worden aan andere partijen?

Antwoord: Het college wil ten aanzien van deze vraag verduidelijken dat de gehele opdracht aan Figi Europees aanbesteed had moeten worden (niet slechts onderdelen daarvan). Het is wel zo dat wij voor de toekomst moeten nagaan welke onderdelen wel/niet aanbesteed (zouden) moeten worden. Zo is het bijvoorbeeld bij het huren van (ruimten van) bestaande gebouwen verdedigbaar een beroep te doen op een uitzondering op de Europese aanbestedingsplicht (artikel 2.24 aanhef en onder b Aanbestedingswet 2012). De gedachte achter de uitzondering op de aanbestedingsplicht voor huur van bestaande gebouwen is dat locaties op zichzelf uniek zijn, zodat deze niet aanbesteed kunnen worden. Promotionele activiteiten en activiteiten rondom de programmering kunnen daarentegen in beginsel prima aanbesteed worden. Daarvoor is het niet noodzakelijk om zaken te doen met een partij naar keuze.

Vraag 5 In de beantwoording van de vragen komt aan de orde dat Figi periodiek, op hoofdlijnen, verslag doet van de technische en economische staat van het theater (voldoet het theater nog aan de wensen van de tijd),van de investeringen, onderhoud en vervanging die zijn gedaan. Is dit een verslag op basis van art.…

Bekijk de brief: VRG25.036 Beantwoording Schriftelijke vragen (PvdA) onrechtmatige aanbesteding Figi (VRG5.031)

Bron: raadsinformatie van de gemeente Zeist (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.

Meer vragen aan het college van Zeist

Alle artikel 35-vragen in Zeist