RIS320082 Beantwoording technische - schriftelijke vragen cie samenleving 25 september mbt participatie
Een raadslid stelde op 4 december 2024 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (7 vragen).
In het kort
7 vragen en wat het college antwoordt
- Groen Links Vraag 1.1 Hoe kijkt het college naar een toevoeging onder 3.2 Voorwaarden dat tijdens de participatie alle folders, mails enzovoorts in Helder Haags of… → Deze toevoeging is volgens het college overbodig.
- DENK Vraag 2.1 Hoe zullen de belangen evenredig gewogen worden en hoe zal er voorkomen worden dat de ene wijk voorgetrokken zal worden ten opzichte van een andere wijk? → Na vaststelling van de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 is het publiceren van een participatieplan verplicht.
- De samenleving en de impact van participatie in de tweejaarlijkse publicatie de Staat van de Stad. → We zien de periode na vaststelling van de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 als overgang en ingroeitraject.
- PvdD Vraag 4.1 wat als na de eerste participatiebijeenkomsten blijkt dat het beoogde proces niet gaat voldoen? → Zie ook het antwoord op vraag 1.2.
- CU / SGP Vraag 5.1 Maar we kunnen toch juist iedereen uitnodigen wel participatie toe te passen? → Ja.
- VVD Vraag 6.1 Participatie, tenzij… in artikel 2 lid 3 staat dat het bestuursorgaan gemotiveerd kan besluiten van deze verordening af te wijken Wat betekent dat: het… → Zie de tweede alinea voorafgaand aan de beantwoording. 7/9 Gemeente Den Haag Ons kenmerk DPZ/10802867 Vraag 6.2 Wat zou er nu anders zijn gegaan met deze participatieverordening bij een…
- SP Vraag 7.1 Hoe zorgt de gemeente ervoor dat de informatie die rondgedeeld wordt over plannen in participatietrajecten ook feitelijk klopt? → Het college hanteert vanzelfsprekend het uitgangspunt dat de informatie die wordt gedeeld feitelijk juist is.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Typ tekstTyp tekstTyp tekst
Nur Icar Wethouder MKB, Werk en Participatie
dienst: dienstcode
Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag
Ons kenmerk
Aan de voorzitter van de commissie Samenleving
DPZ/10802867 RIS320082 Contactpersoon
Berit Piepgras Dienst
Dienst Publiekszaken Afdeling
DPZ Sector Stadsdelen en Wijken Telefoonnummer
14070 Datum
E-mailadres
1 oktober 2024
Onderwerp
Beantwoording technische vragen commissie Samenleving van 25 september jl.
Geachte voorzitter, Tijdens de behandeling van het raadsvoorstel participatieverordening en handboek participatie in uw commissie op 25 september 2024, is u toegezegd om schriftelijke vragen te beantwoorden. Met deze brief ontvangt uw commissie de antwoorden op de vragen. De ingekomen vragen worden hieronder per fractie beantwoord.
Er zijn tijdens de behandeling in de commissie Samenleving meerdere vragen gesteld over hoe artikel 2.3 (reikwijdte verordening) kan worden gelezen. Daarover het volgende: mocht van de uitzondering gebruik worden gemaakt, dan moet dit worden gemotiveerd en moeten belanghebbenden en belangstellenden alsnog zorgvuldig worden geïnformeerd, zoals ook in de toelichting is aangegeven.
Dit ziet toe op uitzonderlijke gevallen en kan worden gelezen als een hardheidsclausule. De raad heeft altijd de gelegenheid om het college te vragen naar de betreffende motivering waarover het college verantwoording dient af te leggen.
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Groen Links Vraag 1.1 Hoe kijkt het college naar een toevoeging onder 3.2 Voorwaarden dat tijdens de participatie alle folders, mails enzovoorts in Helder Haags of volgens de regels van Direct Duidelijk?
Antwoord van het college
Deze toevoeging is volgens het college overbodig. In deze vraag voorziet de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 in de artikelen Artikel 2.4.1.e.: Het bestuursorgaan zorgt voor een zorgvuldig proces rondom participatie, waarin er naast aandacht voor participatie ook een actieve informatie- en communicatieplicht is van de gemeente aan deelnemers.
Artikel 2.4.2.a: Deelnemers mogen rekenen op een toelichting in begrijpelijke taal op het beleidsvoornemen, het beleid of project waarop de participatie ziet.
Vraag 1.2 Wat ziet de wethouder nog aan mogelijkheden om ook creatiever na te denken over het verhogen van de deelname aan de participatie?
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
Telefoonummer 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
Antwoord:
De Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 en het Handboek Samenwerking met de stad zijn opgebouwd rondom het kunnen leveren van maatwerk. Daarbij staan de belangen centraal. De ambtelijke organisatie zal worden toegerust om dit maatwerk te kunnen leveren, met voorbeelden, handleidingen en afwegingskaders die helpen in het vormgeven van het participatieproces, inclusief de passende participatie- en communicatiemiddelen. Hierbij is er aandacht voor creativiteit en experimenteerruime.
Vraag 1.3 Kan de wethouder participatie toch nog eens naar de motie [“Participatie mag lonen”] kijken in het kader van de nieuwe participatieverordening? Kunnen we dit nu echt op kleine schaal uitproberen, in plaats van een lijst met projecten waar vrijwilligers gefaciliteerd worden?
Antwoord:
Het college is gestart met de voorbereidingen van een gemeentebrede aanpak rondom vrijwilligersbeleid waar het vraagstuk van vrijwilligersvergoeding ook in terugkomt.
Vraag 1.4 Wij vonden het idee van een jongeren top erg leuk. Hoe staat de wethouder tegenover het idee om een eerste keer met jongeren uit het VMBO en MBO te doen?
Antwoord:
We hebben aandacht voor de stem van kinderen en jongeren, Zo is er bijvoorbeeld een jongerenraad in oprichting en betrekken we kinderen en jongeren bij het ontwikkelen van het actieplan voor de kindvriendelijke stad (Child Friendly 070) en bij het maken van de omgevingsvisie Den Haag 2050.
Hierbij focussen we, net als bij volwassenen participatie, op inclusie.
Vraag 1.5 wanneer komt die [beleidsregel voor ontwikkelaars]?
Antwoord:
In het vierde kwartaal van 2024.
Vraag 1.6 is de Participatiegids iets anders dan die beleidsregel, of helpt die bij de beleidsregel?
Antwoord:
De Participatiegids is een hulpmiddel voor het uitvoeren van de participatie. De Beleidsregel is een indicatie hoe de gemeente omgaat met beoordeling van de participatie. De participatie moet passen bij de omvang van de effecten op de Leefomgeving. Zie de participatiecheck.
Vraag 1.7 Wat was het doel van de geannoteerde participatie, bijlage 1.1.1 en hoe verhoudt deze zich tot de “concept inspraak en participatieverordening”, ook wel bijlage 1?
Antwoord:
Deze verwarring is begrijpelijk. De stukken zijn ondertussen aangepast, zodat de tekst van de vast te stellen Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 in het raadsvoorstel staat.
Vraag 1.8 Komt dat [de vraag “weten we welke manier van participeren, ons het best gaat helpen om met een goed voorstel te komen?”] bv verplicht in het participatie plan?
Antwoord:
Zie antwoord op vraag 1.2.
2/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
Vraag 1.9 Als er het niveau “meedenken” wordt gekozen, laten we dat dan altijd meedenken noemen.
En dat altijd op dezelfde manier omschrijven. Is de wethouder dit met ons eens?
Antwoord:
Het nodige maatwerk is leidend, maar kan het gebruik van de begrippen uit de Trap van eigenaarschap kunnen hierin zeker in helpen. Zie ook antwoord 1.1 en 1.2.
Vraag 1.10 Doe ik het handboek nu onrecht aan of is het college het met GroenLinks eens dat we dit [toon en houding] nog meer kunnen benadrukken?
Antwoord:
Het Handboek Samenwerking met de stad is de basis en wijst de weg voor participatie in Den Haag.
Hierachter gaan waarden schuil, zoals inclusie, representativiteit, wederkerigheid, transparantie en aandacht voor de lokale context.
Met de komst van het handboek en de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 zijn we er nog niet. Voor de gemeentelijke organisatie zullen we een leertraject starten met workshops en trainingen om de kennis en expertise op participatie binnen de organisatie te vergroten. In dit traject is er aandacht voor het vakmanschap.
Hierdoor denken we de achterliggende waarden in de uitvoering een plek te geven.
Vraag 1.11 Is het bijzonder dat we asielopvang uitzonderen?
Antwoord:
Over de relatie tussen de leidraad controversiële voorzieningen en de inspraak en participatieverordening verwijst het college naar de separate commissiebrief (kenmerk DPZ/10802252) Nee. In andere gemeenten in NL wordt de opvang van asielzoekers ook uitgezonderd van de participatieverordening. Het zou juist bijzonder zijn als we anders zouden doen.
Vraag 1.12 Waarom niet de VVD-procedure opzetten voor asielopvang?
Antwoord:
Het college verwijst naar de nadere toelichting op het pre-advies bij het initiatiefvoorstel van de VVD (RIS317236)
Vraag 2
DENK Vraag 2.1 Hoe zullen de belangen evenredig gewogen worden en hoe zal er voorkomen worden dat de ene wijk voorgetrokken zal worden ten opzichte van een andere wijk?
Antwoord van het college
Na vaststelling van de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 is het publiceren van een participatieplan verplicht. In dit participatieplan staat informatie over minimaal:
a. het doel en de reikwijdte van de participatie;
b. de (voor)geschiedenis, verbanden met andere beleidsvoornemens, ander beleid en andere projecten en de relaties en verbindingen die er in dat deel van de stad zijn waar het effect op heeft; c. de financiële, juridische en beleidsmatige kaders voor participatie;
d. de verschillende belangen en daaruit volgende belanghebbenden in de participatie, inclusief het belang van de gemeente;
e. de mate van invloed van deelnemers en de manier waarop het bestuursorgaan de belangen van de deelnemers weegt;
3/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
f. de gekozen manieren waarop deelnemers invloed kunnen uitoefenen;
g. de planning, stappen en fasen van de besluitvorming, inclusief de momenten van participatie;
h. de manier waarop het bestuursorgaan met deelnemers communiceert.
Zie ook artikel 3.2.2 van de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024.
Vraag 2.2 Op welke manier zal de effectiviteit van de nieuwe participatieverordening gemonitord en geëvalueerd worden, en hoe zullen de resultaten gedeeld worden met de gemeenteraad en de inwoners?
Antwoord:
Door te leren met en van elkaar krijgen alle betrokkenen het Haags Samenspel steeds beter in de vingers. In het Participatiekompas en de Participatiewerkwijze liggen de indicatoren besloten om uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit van participatie. Die kwaliteit wordt op drie niveaus gemonitord en beschreven: 1.
Het programma Haags Samenspel (activiteiten en resultaten) in de jaarlijkse programmarekening.
2. De gemeentelijke organisatie en (het effect op) de werkwijze in het jaarlijkse participatiejaarverslag.
Vraag 3
De samenleving en de impact van participatie in de tweejaarlijkse publicatie de Staat van de Stad. Zie ook hoofdstuk 5 in het Handboek Samenwerking met de stad. Vraag 2.3 wanneer zal de eerste evaluatie plaatsvinden; is dit na één jaar of na 2 jaar?
Antwoord van het college
We zien de periode na vaststelling van de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 als overgang en ingroeitraject. Dat betekent dat we niet vandaag op morgen aan deze kwaliteitseisen zullen voldoen. Het handboek en de participatieverordening worden twee jaar na inwerkingtreding geëvalueerd en indien nodig, aangepast. Zie ook antwoord op vraag 2.2.
Vraag 2.4 Is de wethouder bereid toe te zeggen dat in de toekomst dit [de evaluatie] gedeeld zal worden met de raad?
Antwoord:
Zie hat antwoord op vraag 2.2. en 2.3.
3. D 66 Vraag 3.1 Voor onderscheid Belanghebbenden vs. belangstellenden in de verordening niet even duidelijk in deze inspraak- en participatieverordening. Kan de wethouder verduidelijken wat het onderscheid is?
Antwoord:
De verordening maakt een onderscheid tussen belanghebbenden en belangstellenden. Bij belanghebbenden wordt aangesloten bij de Algemene wet bestuursrecht. Dat is een beperktere kring dan belangstellenden.
Bij belanghebbenden gaat om bewoners of ondernemers die een persoonlijk, actueel en objectief belang hebben bij een besluit en door dat besluit ook direct worden geraakt. Wie dat precies is, is afhankelijk van het besluit. Bij het kappen van het boom zijn het degenen die de boom kunnen zien, maar bij het ontwikkelen van een zwembad of het beleid rond vervoersvoorzieningen voor gehandicapte kinderen is dat een veel bredere kring bewoners. Dat kan ook stadsbreed zijn.
Een participatieplan wordt eerst getoetst bij de rechtstreeks betrokken bewoners omdat dit een
4/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
duidelijk te bepalen groep is en zij in elk geval goed betrokken moeten worden, maar de gemeente denkt natuurlijk wel steeds na over wie de belangstellenden zijn. Dus wie zouden er nog meer bij het kappen van die boom, het ontwikkelen van dat zwembad of het beleid rond vervoersvoorzieningen moeten worden betrokken?
Vraag 3.2 Beleidsregel verplichte participatie uit het handboek, de Vrienden van Den Haag hadden het daar al over: Wanneer verwacht het college de Beleidsregel Verplichte participatie met de raad te kunnen delen?
Antwoord:
In het vierde kwartaal van 2024.
Vraag 3.3 En graag een reactie over de mogelijkheden van participatie daarop als gevraagd door de inspreker. En kunnen we daarin opnemen dat gemeente omgevingsvergunning opschort zolang de initiatiefnemer geen participatie heeft gedaan?
Antwoord:
Participatie is verplicht bij Buitenplanse Omgevingsactiviteiten (BOPA). Het is een indieningsvereiste.
De indiener krijgt een kans om de aanvraag aan te vullen en als dit niet gebeurt, dan wordt een aanvraag buiten behandeling gesteld.
Vraag 3.4 Betrokken SV: plaatsing ORAC’s, hoe past dat in deze participatieverordening?
Antwoord:
Het plaatsen van ORAC’s valt onder project- en beleidsparticipatie. Daarmee vallen dergelijke trajecten na vaststelling van de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024 onder de spelregels van deze verordening. Het bestaande participatiebeleid ten aanzien van ORAC’s zal daarbij worden betrokken.
Vraag 3.5 Is het college bereid om hiernaast of in plaats van deze formele inspraak ook, desgewenst een participatie hieromheen organiseren?
Antwoord:
Zie antwoord op vraag 3.4.
Vraag 4
PvdD Vraag 4.1 wat als na de eerste participatiebijeenkomsten blijkt dat het beoogde proces niet gaat voldoen? Waar kan een ambtenaar dan vinden wat de vervolgstappen zijn?
Antwoord van het college
Zie ook het antwoord op vraag 1.2. Is het belangrijk dat er twee of meer participatievormen zijn toegepast om zo inclusief mogelijk de gelegenheid te geven om te kunnen participeren. Het participatieplan zou kunnen worden herzien en n.a.v. voortschrijdend inzicht worden aangepast. Of er wordt in het participatieverslag aandacht gegeven.
5/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
Vraag 4.2 Zijn die stukken sindsdien nog geüpdatet, wil ik graag weten van de wethouder?
Antwoord:
Meerdere hulpmiddelen, waaronder de participatiewerkwijze, zijn regelmatig aan verandering onderhevig om zo goed als mogelijk op de praktijk aan te sluiten. De instrumenten worden geüpdatet op gebruiksvriendelijkheid, en niet op inhoud. De Participatiewerkwijze (bijlage 2.1 van RIS319848) is zo ook geüpdatet. De Nota van beantwoording geeft een volledig inzicht in de wijzigingen, die naar aanleiding van de ter inzagelegging zijn uitgevoerd.
We volgen hierbij het proces dat we met de gemeenteraad hebben afgesproken. Dit staat in de Roadmap Participatieverordening (RIS310732 bijlage 2). We hebben in 2022 en 2023 vooral geleerd van projecten. Daar gebruikten we het Participatiekompas en de -werkwijze. We hebben deze documenten aangevuld met onze ervaringen. Ook gebruiken we deze twee documenten bij het maken van de nieuwe regels in het handboek.
Vraag 4.3 Kan de wethouder uitleggen wat dit ongewenste effect [p4 werkwijze] behelst?
Antwoord:
De tekst uit de werkwijze wijst erop dat sommige onderwerpen waarover wordt geparticipeerd bestuurlijk en/of politiek gevoelig kunnen zijn. Deze sensitiviteit moet in acht worden genomen in het procesontwerp van participatie.
Het doel hiervan is niet om belangen en stemmen uit te sluiten, maar om er vanaf het begin bewust van te zijn in het besluitvormingsproces. De participatiecheck gaat hierop ook in.
Vraag 4.4 Gaat de wethouder de breed gedragen wens van de raad uit onze motie [Participatie, een bord voor je kop] in deze beleidsregel opnemen?
Antwoord:
In de afdoening van de motie RIS318334 staat hoe “het bord” wordt meegenomen in de instructies en de hulpmiddelen.
Vraag 5
CU / SGP Vraag 5.1 Maar we kunnen toch juist iedereen uitnodigen wel participatie toe te passen?
Antwoord van het college
Ja. De Participatiecheck gaat met de “Voordat je start”-tip in op de artikel 2.3 Reikwijdte verordening van de Inspraak- en Participatieverordening Den Haag 2024. Dan volgt de participatie artikel 2.3.
Vraag 5.1 Kan in het participatieplan, maar ook in de participatieparagraaf bij elk raadsvoorstel worden genoemd wie specifiek zijn aangeschreven als belanghebbende?
Antwoord:
Het is belangrijk om zo veel als mogelijk in het participatieplan duidelijk te maken wie de belanghebbenden zijn. Zie ook antwoord op vraag 3.1.
6/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
Vraag 5.2 Krijgen zij [wijkorganisaties] hier een vaste rol? Zo nee, hoe worden deze dan gedefinieerd en kan in de participatieverslagen ook worden ingevuld wie hier zijn geconsulteerd?
Antwoord:
Op p.18 en 19 van het Handboek is specifiek aandacht besteed aan de rol van vertegenwoordigende organisaties, bijvoorbeeld bewonersorganisaties. Bij participatietrajecten met veel impact krijgen deze organisaties een grotere stem.
Vraag 5.3 Kunnen we dat [vb structuurvisie CID] behapbaarder maken, duidelijker maken waar invloed zit of een betere leeswijzer standaard maken?
Antwoord:
In het maken van het participatieplan moet aandacht zijn voor de juiste kennis en bepalen van invloed van de participanten.
Vraag 5.4 En is het mogelijk om grotere stukken ook fysiek te verstrekken aan mensen die minder digitaal vaardig zijn?
Antwoord:
In elk participatietraject moet aandacht zijn voor het verzorgen van de kennis bij de deelnemers. Als het gewenst is om in een bepaald project de grotere stukken fysiek te verstrekken dan moet hier aandacht voor zijn.
Vraag 5.4 Ziet de wethouder mogelijkheden om drempels verder te verlagen?
Antwoord:
Ja. Dit kan bijvoorbeeld door vormen van digitale participatie, maar ook door mensen actief op te zoeken (straatgesprekken, creatieve werkvormen en ‘aanbel-acties’ bijvoorbeeld).
Vraag 5.5 Gaat de wethouder deze vorm van participatie (uitdaagrecht) naast vastleggen in een verordening ook daadwerkelijk faciliteren?
Antwoord:
Dat hangt van de wensen van de initiatiefnemers af.
Vraag 5.6 Wil de wethouder dit [right to bid] ook in Den Haag mogelijk maken?
Antwoord:
Dat is niet bepaald in de Inspraak- en participatieverordening Den Haag 2024. De vormgeving van dit artikel in de praktijk geeft in de ogen van dit college in de praktijk al genoeg uitdagingen.
Vraag 6
VVD Vraag 6.1 Participatie, tenzij… in artikel 2 lid 3 staat dat het bestuursorgaan gemotiveerd kan besluiten van deze verordening af te wijken Wat betekent dat: het college kan er van afwijken als het hen uitkomt?
Antwoord van het college
Zie de tweede alinea voorafgaand aan de beantwoording.
7/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
Vraag 6.2 Wat zou er nu anders zijn gegaan met deze participatieverordening bij een situatie als het Haga ziekenhuis?
Antwoord:
Zoals aangegeven in het debat, is de verordening van toepassing op toekomstige casuïstiek vanaf het moment dat de verordening in werking treedt.
Vraag 6.3 Is de wethouder bereid alle aanbevelingen van de Rekenkamer alsnog over te nemen en zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Zie de separate beantwoording op de aanbevelingen van de Rekenkamer in de commissiebrief (Kenmerk DPZ/10802282) Vraag 6.4 Ook aandacht voor de grote groep die niet naar participatie avonden gaat omdat ze overdag een baan hebben en s avonds kinderen naar de sport moeten brengen. Op welke manier is hierin voorzien?
Antwoord:
Dit gaan over de noodzaak om maatwerk per project te betrachten. Het is essentieel dat alle belanghebbenden in staat worden gesteld om deel te kunnen nemen. Een vorm van digitale participatie zou daar bijvoorbeeld ook behulpzaam kunnen zijn.
Vraag 6.5 Kan de site van de gemeente hier op [duidelijkheid over mogelijkheden tot aankaarten van een onderwerp] worden aangepast?
Antwoord:
Het college zal onderzoeken of dat mogelijk is.
Vraag 6.6 Hoe maken we participatie laagdrempelig, kunnen we mensen op een digitale manier sneller betrekken?
Antwoord:
Ja, in de gemeente Den Haag wordt steeds vaker een vorm van digitale participatie toegepast.
Vraag 6.7 Kan de verordening hierop [participatie externe initiatiefnemers in verhouding omvang project] worden aangepast?
Antwoord:
Nee. De verordening is van toepassing op participatie van de gemeente. Niet op participatie van externe initiatiefnemers.
Vraag 6.8 De motie “bord voor je kop “moet gewoon worden uitgevoerd (gebeurt nu niet): borden op braakliggend terrein over de ontwikkelplannen?
Antwoord:
In de afdoening van de motie RIS318334 staat hoe “het bord” wordt meegenomen in de instructies en de hulpmiddelen.
8/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10802867
Vraag 6.9 Wanneer vinden we een participatie traject geslaagd en hoe wordt dat gemeten?
Antwoord:
Als het Participatiekompas en de Participatiewerkwijze zijn toepast, is er in elk geval een kwaliteitscheck gedaan. Zie verder het antwoord op vraag 2.2.
Vraag 7
SP Vraag 7.1 Hoe zorgt de gemeente ervoor dat de informatie die rondgedeeld wordt over plannen in participatietrajecten ook feitelijk klopt? Is hier een check voor?
Antwoord van het college
Het college hanteert vanzelfsprekend het uitgangspunt dat de informatie die wordt gedeeld feitelijk juist is.
Vraag 7.2 Over de beleidsregel verplichte participatie: wat gebeurt er met een aanvraag voor een omgevingsvergunning zolang niet aangetoond kan worden dat er aan participatie is gedaan? Wordt deze opgeschort?
Antwoord:
Participatie is verplicht bij Buitenplanse Omgevingsactiviteiten (BOPA). Het is een indieningsvereiste.
De indiener krijgt een kans om de aanvraag aan te vullen en als dit niet gebeurt, dan wordt een aanvraag buiten behandeling gesteld.
Vraag 7.3 Wanneer wordt duidelijk binnen welke domeinen het uitdaagrecht wel of niet van toepassing is?
Antwoord:
In artikel 5.1, eerste lid, is aangegeven dat elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen taken of hierop het uitdaagrecht wordt toegepast.
Vraag 7.4 Hoe zorgen we dat de doelgroep jongeren voortaan altijd een terugkoppeling krijgt op hun deelname aan participatietrajecten en wat hier concreet mee is gedaan (denk bijvoorbeeld aan de jongerenambassadeurs)?
Antwoord:
Een juiste terugkoppeling via het participatieverslag geldt voor alle belanghebbenden en dus ook voor jongeren.
Bron: raadsinformatie van de gemeente Den Haag (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.