2026-02-25 Beantwoording vragen SGP raadsvoorstel Stedenbouwkundig kader project De Stuw
Een raadslid stelde op 12 maart 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel (54 vragen).
In het kort
54 vragen en wat het college antwoordt
- De raad wordt gevraagd het stedenbouwkundig kader vast te stellen terwijl essentiële gegevens zoals exacte bouwhoogte in meters, breedte, diepte, footprint en bruto… → Antwoord Er is nog geen sprake van een concreet bouwplan.
- Hoe kan de raad zonder deze concrete maatvoering een zorgvuldige ruimtelijke afweging maken over effecten op schaduwwerking, privacy, wind, parkeerdruk en ruimtelijke… → Antwoord Op pag. 15 van de notitie ‘’stedenbouwkundig” is een conceptuele indruk gegeven van de schaduwwerking van een testvolume van 18 tot 23 bouwlagen in maart en juni.
- Wanneer worden de maatvoeringsgegevens beschikbaar gesteld van het hoofdgebouw (de woontoren) en aanpalende gebouwen (zoals de meerlaagse parkeervoorzieningen)? → Antwoord Zie antwoord 2.
- Op basis van welke stedenbouwkundige en ruimtelijke criteria is een bouwhoogte tot 23 bouwlagen passend op deze locatie? → Antwoord Deze prominente plek bij de entree van de gemeente vraagt om een markering in de vorm van een hoog gebouw.
- Waarom is gekozen voor één hoge toren in plaats van meerdere lagere bouwvolumes die gezamenlijk een vergelijkbaar aantal woningen kunnen opleveren? → Antwoord Er zijn meerdere ruimtelijke varianten verkend waarbij duidelijk is geworden dat wanneer lager wordt gebouwd meer ruimte nodig is in de breedte, waardoor de hoek massief wordt en…
- Welke alternatieve varianten met lagere bouwhoogtes of gespreide bouwmassa’s zijn onderzocht, welke beoordelingscriteria zijn daarbij gehanteerd, hoe zijn deze gewogen… → Antwoord Zie antwoord 4 en 5.
- Kunnen deze varianten, inclusief het gehanteerde afwegingskader, onderliggende berekeningen en ruimtelijke onderbouwing, aan de raad ter beschikking worden gesteld? → Antwoord Zie antwoord 6 C.
- Voor deze ontwikkeling wordt afgeweken van de gebruikelijke 1-op-2-regel (1 meter bouwhoogte op 2 meter afstand). → 2 van 13 Antwoord Zie de toelichting op pag. 16 van de notitie ‘’stedenbouwkundig kader”.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Beantwoording vragen raadsvoorstel SGP | raadsvoorstel Stedenbouwkundig kader project De Stuw | 25 februari 2026 A. Besluitvorming en mate van onderbouwing
Vragen en antwoorden
Vraag 1
De raad wordt gevraagd het stedenbouwkundig kader vast te stellen terwijl essentiële gegevens zoals exacte bouwhoogte in meters, breedte, diepte, footprint en bruto vloeroppervlak van zowel het hoofdgebouw als de meerlaagse parkeervoorzieningen ontbreken. Waarom zijn deze gegevens niet opgenomen in het kader?
Antwoord van het college
Antwoord Er is nog geen sprake van een concreet bouwplan. Exacte bouwhoogte in meters, diepte, parkeeroplossing e.d. is dan ook nog niet bekend. Daarvoor stelt de raad nu kaders en uitgangspunten vast. Binnen deze kaders kan de particuliere initiatiefnemer tot uitwerking van een bouwplan komen. De huidige fase van de planontwikkeling van project De Stuw is daarmee goed vergelijkbaar met de mate van concreetheid bij de vaststelling van stedenbouwkundige kaders bij recente voorbeelden als Crimpenersteyn en Hof Driekamp. En wat langer geleden Centrum-Zuid.
Vraag 2
Hoe kan de raad zonder deze concrete maatvoering een zorgvuldige ruimtelijke afweging maken over effecten op schaduwwerking, privacy, wind, parkeerdruk en ruimtelijke kwaliteit?
Antwoord van het college
Antwoord Op pag. 15 van de notitie ‘’stedenbouwkundig” is een conceptuele indruk gegeven van de schaduwwerking van een testvolume van 18 tot 23 bouwlagen in maart en juni. Hieruit kan worden opgemaakt dat de gevolgen van schaduwwerking van de maximale bouwmassa beperkt zijn. Dat blijkt ook uit een recent uitgebreider onderzoek. Zie daarvoor het antwoord bij vraag 14.
Wanneer een concreet ontwerpplan beschikbaar is – dat architectonisch verder is uitwerkt binnen de maximale bouwcontouren die de raad vaststelt – wordt een nieuwe schaduwstudie gemaakt dat geënt is op het bouwplan. Dat geldt ook voor de parkeernormering. Zodra een concreet ontwerp beschikbaar is kan worden getoetst of het bouwplan voldoet aan de parkeernorm, dat de raad eerder als kader in de verkeers- en vervoersvisie heeft vastgesteld.
Voor privacy, wind e.d. gelden juridische normen. Pas bij een uitgewerkt bouwplan kan daaraan worden getoetst.
Vraag 3
Wanneer worden de maatvoeringsgegevens beschikbaar gesteld van het hoofdgebouw (de woontoren) en aanpalende gebouwen (zoals de meerlaagse parkeervoorzieningen)?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 2. Zodra de particuliere initiatiefnemer een concreet bouwplan heeft uitgewerkt, passend binnen de stedenbouwkundige kaders. De initiatiefnemer kan daarmee aan de slag als de raad de kaders daarvoor heeft vastgesteld.
1 van 13
B. Bouwhoogte en ruimtelijke schaal
Vraag 4
Op basis van welke stedenbouwkundige en ruimtelijke criteria is een bouwhoogte tot 23 bouwlagen passend op deze locatie?
Antwoord van het college
Antwoord Deze prominente plek bij de entree van de gemeente vraagt om een markering in de vorm van een hoog gebouw. Gezien het belang van de plek is het ruimtelijk logisch dat het gebouw minimaal de hoogte heeft van het huidige hoogste gebouw in het centrumgebied (Waardzicht), maar bij voorkeur juist hoger omdat deze locatie direct aan het belangrijkste knooppunt van Krimpen ligt. In de onderzoeken voorafgaand aan de stedenbouwkundige kaders is gebleken dat het verschil tussen 18 en 23 lagen geen zicht belemmert, vanaf het maaiveld beperkt beleefbaar is en maar heel beperkt extra schaduwwerking geeft. De uiteindelijke bouwhoogte is afhankelijk van schaduwwerking, parkeeroplossing op eigen terrein, financiële haalbaarheid en bouwtechnische (on)mogelijkheden.
Vraag 5
Waarom is gekozen voor één hoge toren in plaats van meerdere lagere bouwvolumes die gezamenlijk een vergelijkbaar aantal woningen kunnen opleveren?
Antwoord van het college
Antwoord Er zijn meerdere ruimtelijke varianten verkend waarbij duidelijk is geworden dat wanneer lager wordt gebouwd meer ruimte nodig is in de breedte, waardoor de hoek massief wordt en te dicht bij de bestaande bebouwing komt te staan. Om zichtlijnen zo veel mogelijk te handhaven dient het gebouw rank te blijven.
Vraag 6
Welke alternatieve varianten met lagere bouwhoogtes of gespreide bouwmassa’s zijn onderzocht, welke beoordelingscriteria zijn daarbij gehanteerd, hoe zijn deze gewogen en waarom zijn deze varianten afgevallen?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 4 en 5. Voor het overige wordt verwezen naar de presentatie die op 5 september 2025 aan de raadscommissie is gegeven over de ruimtelijke visie, waarin nadere toelichting is gegeven op de vormstudie.
Vraag 7
Kunnen deze varianten, inclusief het gehanteerde afwegingskader, onderliggende berekeningen en ruimtelijke onderbouwing, aan de raad ter beschikking worden gesteld?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 6 C. Afwijking van de 1-op-2-regel
Vraag 8
Voor deze ontwikkeling wordt afgeweken van de gebruikelijke 1-op-2-regel (1 meter bouwhoogte op 2 meter afstand). Welke concrete argumenten rechtvaardigen deze afwijking?
Antwoord van het college
2 van 13
Antwoord Zie de toelichting op pag. 16 van de notitie ‘’stedenbouwkundig kader”. Hier wordt uitgebreid toegelicht waarom afwijking van de 1-op-2-regel voor deze situatie aanvaardbaar wordt geacht.
Overigens betreft het hier een ‘’vuistregel” en geen Wet van Meden en Perzen.
Vraag 9
Zijn er andere nieuwbouwplannen van de afgelopen 10 jaar waar ook is afgeweken van de 1op-2-regel en wat was daarbij de argumentatie?
Antwoord van het college
Antwoord Voor zover kan worden nagegaan is dat tweemaal gebeurd. Eenmaal bij het noordwestelijke bouwblok in Centrum-Zuid ten opzichte van Waardzicht. Vanwege de meer centrale ligging dicht bij het centrum is hier een wat stadser profiel passend bevonden. Daarbij komt dat de woningen van Waardzicht zich pas op 4,5 meter boven het maaiveld bevinden. Een tweede maal bij Crimpenersteyn. De voornaamste reden om af hier te wijken was dat met het vasthouden aan de 2-op-1-regel de herontwikkeling van de naastgelegen sociale huurwoningen niet mogelijk zou zijn.
Vraag 10
Welke waarborgen bestaan dat deze afwijking geen precedentwerking krijgt voor andere locaties in Krimpen?
Antwoord van het college
Antwoord Het gaat hier om een unieke locatie die met geen enkele andere plek in Krimpen vergelijkbaar is.
Van precedentwerking zal dan ook geen sprake zijn. Bovendien worden eventuele plannen steeds ter beoordeling voorgelegd aan de raad.
D. Term “rank en slank”
Vraag 11
In de stukken wordt herhaaldelijk gesproken over een “ranke woontoren”. Wat wordt concreet verstaan onder deze term?
Antwoord van het college
En kan hiervan een visualisatie worden verstrekt?
Antwoord Een ranke toren is een gebouw met een compacte footprint, een slanke massa en een oriëntatie die zichtlijnen behoudt. In het kader staat: “Het volume van de toren wordt zo slank mogelijk vormgegeven en zodanig gedraaid dat zichtlijnen vanuit de omgeving langs het gebouw behouden blijven.” Een visualisatie kan pas worden gemaakt bij het concrete ontwerp.
Vraag 12
Welke objectieve maatstaven (bijvoorbeeld hoogte-breedteverhouding) worden hiervoor gehanteerd?
Antwoord van het college
Antwoord De slankheid wordt gestuurd door:
• een beperkt bouwvlak;
3 van 13
•
minimale afstanden: 30 meter tot Cascade I, 95 meter tot Cascade II, 57 meter tot Bleuland;
•
oriëntatie-eis: zichtlijnen moeten behouden blijven;
•
schaduwnorm: max. 1–2 uur schaduw op gevels.
Deze criteria dwingen een smal volume af.
Vraag 13
Welke mogelijkheden zijn er om een maximale maatvoering inclusief de footprintmaten vast te leggen in het kader, zodat “rank” geen vrijblijvende term blijft?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 11 en 12. Het kader laat bewust ontwerpvrijheid om de haalbaarheid niet te belemmeren.
In het vervolgtraject kan de maatvoering met footpintmaten worden geborgd via:
• een voorwaardelijke verplichting in de BOPA;
•
een anterieure overeenkomst;
•
een bindend inrichtingsplan.
E. Schaduwwerking, wind en privacy
Vraag 14
Het kader bevat slechts een globale schaduwverkenning. Waarom is geen volwaardige jaarrond schaduwstudie opgesteld voordat maximale bouwhoogtes worden vastgelegd?
Antwoord van het college
Antwoord Om een idee te krijgen van de gevolgen van de bouwmassa volgens het stedenbouwkundige kader zijn de gevolgen van schaduwwerking in maart en juni in beeld gebracht. Een dergelijk globaal onderzoek is passend bij het opstellen van stedenbouwkundige kaders en ruimtelijke uitgangspunten en in lijn met de TNO-normering voor dergelijke studies. Om meer zicht te hebben op de gevolgen voor de bezonning tijdens de andere jaargetijden is het onderzoek recentelijk uitgebreid. Per adres is daarmee inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de bezonning zijn. De conclusie luidt dat de gevolgen van bezonning voor de omliggende bebouwing zeer beperkt zijn en er ruimschoots voldaan wordt aan de geldende (TNO)-normen voor nieuwbouw. Dit rapport is met de beantwoording van deze vragen bijgevoegd.
Vraag 15
Op welke momenten van de dag en in welke seizoenen zijn de schaduweffecten onderzocht?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 14.
Vraag 16
Wat zijn de schaduweffecten van de meerlaagse parkeervoorzieningen?
Antwoord van het college
4 van 13
Antwoord De parkeergarage is lager dan de huidige bebouwing waardoor ten opzichte van de huidige situatie nagenoeg geen verandering plaatsvindt.
Vraag 17
Waarom zijn de effecten op specifieke omliggende gebouwen (Cascade I, Cascade II en Bleuland) niet afzonderlijk en inzichtelijk gepresenteerd?
Antwoord van het college
Antwoord In zowel het globale onderzoek zoals weergegeven op pag. 15 van de notitie ‘’stedenbouwkundig kader” en het aanvullende uitgebreide rapport zijn de gevolgen voor álle gebouwen inzichtelijk.
Voor het overige zie antwoord 14.
Vraag 18
Wordt een windhinderonderzoek uitgevoerd gelet op de hoogte van het gebouw?
Antwoord van het college
Antwoord Zo’n onderzoek vindt plaats bij de verdere uitwerking van het bouwplan. Dan kunnen de concrete gevolgen van het gebouw worden onderzocht. Mogelijke windhinder of windgevaar wordt dan in kaart worden gebracht en betrokken bij de beoordeling van de te zijner tijd in te dienen aanvraag om omgevingsvergunning (BOPA).
Vraag 19
Op welke wijze worden privacy en inkijk objectief onderzocht en inzichtelijk gemaakt?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 2
Vraag 20
Op welke wijze worden de uitkomsten van schaduw-, wind- en privacyonderzoeken getoetst en juridisch bindend verankerd in het vervolgtraject?
Antwoord van het college
Antwoord De onderzoeken worden onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning (BOPA). De vergunning kan alleen worden verleend als wordt aangetoond dat:
• bezonning voldoet aan de normen;
•
windhinder acceptabel is;
•
privacy voldoende is gewaarborgd.
Deze eisen worden juridisch bindend doordat zij worden opgenomen in de vergunningvoorschriften.
F. Parkeren
Vraag 21
Het kader bevat een overzicht van parkeernormen per woningtype. Welke bandbreedte in woningtypes wordt hierbij verondersteld?
Antwoord van het college
5 van 13
Antwoord Het staatje op pag 13 van de notitie ‘’stedenbouwkundig kader” geeft de geactualiseerde crownormen weer voor het centrumgebied, waar locatie De Stuw volgens de Verkeers- en Vervroersvisie van de gemeente onder valt. Bij de vaststelling van deze visie door de raad zijn de parkeernormen voor het centrumgebied, waar de locatie van De Stuw dus onder valt, echter vastgesteld volgens deze staat:
In de stedenbouwkundige kaders is dan ook sprake van een omissie. Het staatje op pag. 13 moet daarom vervangen worden door bovengenoemde staat. Deze normering kent geen nadere bandbreedtes. Overigens zijn deze normen per woningtype een stuk ruimer dan momenteel geldt volgens de laatste gewijzigde crow-normering voor het centrumgebied.
Vraag 22
Hoeveel parkeerplaatsen resulteert dit minimaal en maximaal?
Antwoord van het college
Antwoord Het aantal- en type woningen is nog niet bekend. Dat wordt duidelijk als het (financieeleconomische haalbare) bouwplan is uitgewerkt. Uit de diverse oppervlaktes van de huur- en koopwoningen volgt dan in hoeveel parkeerplaatsen (op eigen terrein) het bouwplan moet voorzien. Hieruit volgt dan ook de grootte van de parkeerkelder.
Vraag 23
Waarom zijn deze aantallen niet expliciet in het kader opgenomen?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 22
Vraag 24
Hoe groot worden de twee gebouwde parkeervoorzieningen in vierkante meters en bouwvolume?
Antwoord van het college
En kan daarvan een visualisatie worden gemaakt?
Antwoord Zie antwoord 22
Vraag 25
Waarom is ondergronds parkeren niet als uitgangspunt gekozen, terwijl omwonenden hier expliciet om hebben gevraagd?
Antwoord van het college
Antwoord Uitgangspunt bij een dergelijke facilitaire ontwikkeling is dat de particuliere initiatiefnemer de parkeervraag oplost op eigen terrein. De wijze waarop is aan de initiatiefnemer. De ontwikkeling
6 van 13
is immers voor zijn rekening en risico. Ondergronds parkeren is financieel niet haalbaar vanwege de bodemgrondslag. Door op het dak van de garage en in de gevel groen toe te passen zal de parkeergarage juist een kwalitatieve waarde hebben.
Vraag 26
Op welke wijze wordt beoordeeld of de parkeerdruk in de omliggende wijken aanvaardbaar blijft?
Antwoord van het college
Antwoord Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verstrekt voor het uitgewerkte bouwplan dienen de eventuele gevolgen van parkeren voor de omgeving in beeld te worden gebracht. Om dit te kunnen beoordelen zal -op basis van het uitgewerkte bouwplan- nader onderzoek moeten plaats vinden. O.a. door middel van een parkeerdrukmeting op de nabijgelegen parkeerterreinen. Doordat de initiatiefnemer op eigen terrein in het parkeren voor bewoners en bezoekers moet voorzien op basis van op onderzoek gebaseerde normen, wordt geen extra parkeerdruk verwacht. De parkeerdrukmeting maakt de gevolgen toetsbaar.
Vraag 27
Kan een parkeerdrukmeting in de omgeving worden uitgevoerd?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 26
Vraag 28
Wat is het effect op de parkeerdruk in de directe omgeving als er een nieuw zwembad wordt gerealiseerd?
Antwoord van het college
Antwoord Dit kan worden beoordeeld zodra meer zicht is op de plannen voor het nieuwe zwembad en de hieruit voortkomende – mogelijk gewijzigde - parkeervraag. Bij de planvorming is het een vereiste dat hierin de benodigde parkeeroplossingen – net als bij De Stuw - zijn meegenomen.
G. Impact op omgeving, verkeer en logistiek
Vraag 29
Is onderzocht wat de toename van verkeersbewegingen (auto, fiets en voetganger) zal zijn als gevolg van deze ontwikkeling?
Antwoord van het college
Antwoord Bij de verdere uitwerking van het bouwplan worden de gevolgen van verkeer nader onderzocht.
Dan is ook meer zicht op het aantal en type woningen en het aantal extra verkeersbewegingen dat dat genereert. De afgelopen jaren is de grote kruising met de reconstructie goed ingericht op de optimale afhandeling van verkeer. De kruising heeft voldoende capaciteit. Daarnaast hebben de andere bestaande wegen en kruisingen een goede maatvoering en inrichting, waardoor de verwachting is dat deze ontwikkeling goed kan worden gefaciliteerd. De ontsluiting op de Nieuwe Tiendweg vervalt voor gemotoriseerd verkeer. De effecten op fietsers, voetgangers en logistiek worden in dit onderzoek meegenomen.
7 van 13
Vraag 30
Is specifiek gekeken naar de effecten op de Nieuwe Tiendweg, Van Ostadelaan en Cascade, gelet op de huidige drukte en files op piekmomenten?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 29
Vraag 31
Is beoordeeld of de bestaande fiets- en voetgangersinfrastructuur voldoende capaciteit en veiligheid biedt voor het extra gebruik?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 29
Vraag 32
Is beoordeeld wat de extra logistieke bewegingen zijn via de Cascade?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 29
Vraag 33
Kunnen deze verkeerskundige onderbouwingen met de raad te worden gedeeld vóór besluitvorming?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 29 H. Groen en openbare ruimte
Vraag 34
Hoeveel vierkante meter openbaar groen wordt in de nieuwe situatie gerealiseerd binnen het plangebied?
Antwoord van het college
Antwoord Het kader bevat nog geen exacte oppervlaktematen. Wel staat erin: “Het uitgangspunt is een groene binnenruimte die aansluit op de Cascade, waarbij de openbare ruimte een groen en geluidluw karakter krijgt.” De huidige situatie bestaat grotendeels uit verharding. In de nieuwe situatie neemt het aandeel groen substantieel toe door:
• groene binnenruimte;
•
groene parkeervakken;
•
groene gevels en daktuinen;
•
natuurlijke oevers.
Exacte m² worden bepaald in het inrichtingsplan.
8 van 13
Vraag 35
Hoeveel vierkante meter openbaar groen is in de huidige situatie aanwezig binnen hetzelfde plangebied?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 34
Vraag 36
Wat is het netto verschil in groenoppervlak tussen huidige en toekomstige situatie?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 34
Vraag 37
Welk percentage van het totale plangebied blijft onverhard in de nieuwe situatie?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 34
Vraag 38
Hoeveel bestaande bomen blijven behouden en hoeveel verdwijnen?
Antwoord van het college
Zoveel mogelijk bestaande bomen worden behouden. Bij de uitwerking wordt een bomenbalans opgesteld, waarin per boom wordt aangegeven of deze wordt behouden, verplant of gecompenseerd.
Vraag 39
Wordt hiervoor een bomenbalans opgesteld?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 38
Vraag 40
Wat is de minimale breedte en omvang van de beoogde “groene binnenruimte” en waar wordt deze ruimtelijk vastgelegd?
Antwoord van het college
Antwoord De minimale afstand van 30 meter tot Cascade I en de compacte footprint van de toren garanderen een ruime groene zone. De exacte maatvoering wordt vastgelegd in het inrichtingsplan.
Vraag 41
Op welke wijze wordt de kwaliteit van het groen (bijvoorbeeld volwaardige bomen, struiklaag, biodiversiteit) geborgd in het stedenbouwkundig kader?
Antwoord van het college
Antwoord De kwaliteit wordt geborgd door:
• groene gevels en daktuinen;
•
natuurlijke oevers;
•
biodiversiteitsmaatregelen (nestkasten, verticale beplanting);
•
aansluiting op de groenstructuur van Centrum-Zuid.
9 van 13
Vraag 42
Is er een mogelijkheid om minimale kwantitatieve eisen voor groen (bijvoorbeeld minimaal aantal m² of minimaal percentage onverhard oppervlak) vast te leggen in het kader?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord 34
Vraag 43
Hoe wordt voorkomen dat de ruimte voor groen in de verdere uitwerking onder druk komt te staan door de meerlaagse parkeervoorzieningen, technische installaties of logistieke functies?
Antwoord van het college
Antwoord Door:
•
parkeren grotendeels in een gebouwde voorziening op te lossen;
•
een compact bouwvlak;
•
minimale afstand tot omliggende bebouwing;
•
verplichting tot een groene binnenruimte;
•
technische installaties op dak of in de parkeervoorziening te plaatsen.
I. Betaalbaarheid en doelgroepen
Vraag 44
In de stukken wordt aangegeven dat geen sociale woningbouw onderdeel uitmaakt van dit project. Waarom is hiervoor gekozen?
Antwoord van het college
Antwoord Zoals eerder gezegd betreft het hier een facilitaire ontwikkeling. De eigenaar van de locatie - niet zijnde een woningcorporatie - heeft plannen om tot transformatie van deze plek te komen. Zijn voornemen is om de huidige bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats marktwoningen te realiseren. Zijn business model voorziet niet in sociale woningbouw. De gemeente kan wel vragen en stimuleren om meer betaalbare koop/huur te realiseren. Dat is in de achterliggende periode ook gebeurd. Het voorliggende woonprogramma voorziet in een aanmerkelijk aantal betaalbare koop- en middeldure huurwoningen, waarbij voor de initiatiefnemer - zoals het er nu naar uitziet - sprake is van een haalbare business case.
Uitgangspunt bij facilitaire ontwikkelingen is dat de ontwikkeling voor de gemeente budgettair neutraal verloopt.
Vraag 45
Hoe sluiten de type woningen aan op de diverse uitgevoerde analyse en onderzoeken naar de behoefte aan nieuwe woningen in Krimpen?
Antwoord van het college
Antwoord Zoals gezegd vindt de ontwikkeling en de afzetbaarheid van de woningen geheel voor rekening en risico plaats van de particuliere initiatiefnemer. Het business model van de initiatiefnemer is gericht op een financieel-economisch haalbare ontwikkeling. Daarvoor verricht hij
10 van 13
marktonderzoek en voert hij gesprekken met beleggers over de financieel-economische haalbaarheid van de ontwikkeling en de afzetbaarheid van de koop- en huurwoningen. In dat verband heeft hij een globale indicatie gegeven van het voorgenomen woningbouwprogramma:
Dit voorlopige programma sluit goed aan op de grote behoefte in Krimpen aan kleinere appartementen voor jongeren en ouderen zoals verwoord in de gemeentelijke Woonvisie. Met het voorgenomen programma is een huurprogramma (niet sociale, maar wel middeldure huur) voorzien, dat we in Krimpen (historisch gezien) niet of nauwelijks hebben. In het vervolgtraject bij de uitwerking van het bouwplan wordt het programma -in overleg met de initiatiefnemer- verder uitgekristalliseerd.
Vraag 46
Welke garanties heeft de raad dat starters en senioren uit Krimpen daadwerkelijk worden bediend?
Antwoord van het college
Antwoord Harde garanties dat woningen uitsluitend worden verkocht en verhuurd aan Krimpenaren zijn niet te geven. Zoals gezegd betreft het een marktontwikkeling waarvan het marktrisico geheel bij de initiatiefnemer ligt. Het is in Krimpen overigens wel gebruikelijk om te stimuleren dat dergelijke marktwoningen in eerste instantie aan Krimpenaren worden aangeboden. Dit vindt o.a. plaats door de eerste weken te adverteren in de lokale media. En pas na verloop van tijd – in het geval de woningen nog niet zijn verkocht – buiten Krimpen te adverteren. De ervaring leert dat dergelijke afspraken met particuliere initiatiefnemers/ontwikkelaars goed zijn te maken. En dat het overgrote deel van bewoners van recente nieuwbouwprojecten ook uit Krimpen afkomstig is.
Vraag 47
Waarom zijn in het kader geen harde afspraken opgenomen over het aantal en betaalbaarheid van koop- en huurwoningen?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord vraag 45 en 46
Vraag 48
Is er een mogelijkheid om minimale percentages voor betaalbare koop en middeldure huur vast te leggen?
Antwoord van het college
11 van 13
Antwoord Als de raad de stedenbouwkundige kaders heeft vastgesteld kan gestart worden met de vervolgfase. Die fase bestaat uit het verder uitwerken van een bouwplan door de initiatiefnemer passend binnen deze kaders. Onderdeel van deze fase is het sluiten van een anterieure overeenkomst. Voor een facilitair project worden dan afspraken gemaakt over onder andere:
•
proces/planning
•
financiële afspraken over het verhaal van gemeentelijke planbegeleidingskosten
•
ruimtelijke kwaliteitseisen zoals genoemd in het stedenbouwkundig kader
In theorie is het ook mogelijk om in de anterieure overeenkomst minimale percentages van betaalbare koop en middeldure huur vast te leggen. De business case moet echter wel haalbaar blijven. Dat laat zich in de praktijk aan de voorkant lastig beoordelen, aangezien dit onder het marktrisico valt van de initiatiefnemer en onderhevig is aan wisselende marktomstandigheden.
Daarbij komt dat de gemeente momenteel niet beschikt over gemeentelijke regelgeving om dergelijke percentages af te dwingen bij particuliere ontwikkelingen (bijv. doelgroepenverordening). Zoals gezegd past het voorgenomen programma van deze particuliere ontwikkeling goed aan op de behoefte in Krimpen. Met dit initiatief ligt er nu een kans om deze prominente plek op te knappen en een substantieel aantal woningen toe te voegen waar grote vraag naar is. Het eventueel opnemen van afdwingbare percentages zet de haalbaarheid verder onder druk waarmee mogelijk deze kans verloren gaat. Voor het overige zie antwoord vraag 44, 45 en 46 J. Participatie en draagvlak
Vraag 49
Op basis van welke criteria is geconcludeerd dat sprake is van “breed draagvlak”?
Antwoord van het college
Antwoord Er is breed draagvlak voor woningbouw op deze locatie. Bewoners gaven aan dat de plek een kwaliteitsimpuls kan gebruiken. Zorgen over parkeren, verkeer, privacy en hoogte zijn verwerkt in het kader door:
• parkeren op eigen terrein te verplichten;
•
de toren minimaal 30 meter van Cascade I te plaatsen;
•
een slank volume te eisen;
•
zichtlijnen te behouden;
•
een groene binnenruimte te creëren;
•
de ontsluiting op de Nieuwe Tiendweg te laten vervallen.
Niet alle wensen konden worden overgenomen, zoals het volledig uitsluiten van hoogbouw. De locatie is in de ruimtelijke structuur zodanig belangrijk dat een markant gebouw passend is.
Voor het overige zie het participatieverslag.
12 van 13
Vraag 50
Hoe zijn zorgen over hoogte, parkeren, verkeer, privacy en dorpse schaal concreet meegewogen in het principebesluit?
Antwoord van het college
Welke concrete aanpassingen in het kader zijn rechtstreeks het gevolg van deze zorgen?
Antwoord Zie antwoord vraag 49
Vraag 51
Op welke onderdelen heeft de participatie concreet geleid tot bijstelling van het oorspronkelijke ruimtelijke concept?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord vraag 49
Vraag 52
Welke wensen of zorgen van inwoners zijn níet overgenomen en waarom niet?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord vraag 49
Vraag 53
Hoe verhoudt de conclusie dat het principe van een hoge toren niet ter discussie staat zich tot de vele reacties waarin juist zorgen over hoogte en schaal zijn geuit?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord vraag 49
Vraag 54
Welke criteria zijn gehanteerd bij de beoordeling of uit participatie opgehaalde zorgen aanleiding geven tot heroverweging van het principe van de ontwikkeling?
Antwoord van het college
Antwoord Zie antwoord vraag 49
13 van 13
Bron: raadsinformatie van de gemeente Krimpen aan den IJssel (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.