2026-05-18 Beantwoording raadsvragen - beheermodel CCB (def)
Een raadslid stelde op 19 mei 2026 schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau (8 vragen).
In het kort
8 vragen en wat het college antwoordt
- Op pagina 4 kopje Beheer en Exploitatie door een (gemeentelijke) BV staat vermeld dat de aandeelhouders (100% gemeente) een aantal belangrijke wettelijke bevoegdheden in… → Een BV-model wordt niet geadviseerd.
- Er wordt aangegeven dat bij zowel de stichting als bij de vennootschap medewerkers in dienst zijn van de rechtspersoon. → Het stichtingsmodel wordt gecontinueerd, de medewerkers blijven dus in dienst van de stichting.
- Op pagina 6 wordt aangegeven dat door de keuze te maken voor een BV-structuur werknemers niet onder de 'dure cao' van de gemeente vallen. → Op pagina 6 van de notitie staat: ‘Bij gemeentelijk beheer hebben de medewerkers de ambtelijke status’.
- Op pagina 6 wordt aangegeven dat er een sociaal plan opgesteld moet worden in verband met Overgang van Onderneming. → Een sociaal plan dient te worden opgesteld indien sprake is van overgang naar een ander beheermodel.
- Wat zijn bij een BV'structuur de extra kosten? → Er wordt niet gekozen voor een BV-model.
- Hoe wordt geborgd dat de statuten zo worden ingericht dat de risico's minimaal zijn? → Er wordt niet gekozen voor een BV-model, er zijn dus geen aandeelhouders en geen Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA).
- Wat als het niet lukt om goede mensen te vinden die in de RvT plaats willen nemen. → Voor de RvT worden profielen en taakomschrijvingen opgesteld.
- Hoe ga je een goede directeur werven voor de functie binnen de BV? → Wij beantwoorden deze vraag met de aanpassing ‘….voor de functie binnen de stichting’.
Overgenomen uit de brief van het college; hieronder staan de volledige vragen en antwoorden.
Aanleiding
Beantwoording raadsvragen Beheermodel CCB Datum
18 mei 2026
Vragen VPB bij voorstel principes en uitgangspunten betreffen beheermodel en exploitatie Cultuurcentrum Baarle - Enclaveraad 19 mei 2026 Vraag 1:
Hoe denkt het college over de impact van het wegvallen van de barinkomsten voor de werking van de verenigingen en hoe wordt dit gecompenseerd?
Welke scenario’s zijn hiervoor in beeld?
Antwoord:
In de nieuwbouw hebben de verenigingen geen eigen bar meer. Dit betekent dat het huidige model van eigen barinkomsten niet kan worden gecontinueerd. Dit staat los van het beheermodel. De nieuwbouw voorziet nu eenmaal in één centrale bar voor alle bezoekers en gebruikers van het CCB.
Via de te overleggen verantwoording van verenigingen die subsidies krijgen is er inzicht in de omvang van de eigen barinkomsten van de verenigingen. Zij kopen de voorraad in bij het CCB met een opslag van doorgaans 15%. Het is niet bekend tegen welke consumptieprijs het wordt ‘doorverkocht’ aan de leden.
Daarmee is de verdienmarge voor de verenigingen ook niet bekend.
Doelstelling is dat in het café marktconforme consumptietarieven worden toegepast. Er wordt wel nagedacht over eventuele kortingen voor de verenigingen bij ‘consumpties op zaal’. Hierbij wordt uitgegaan van zelfwerkzaamheid door de verenigingen. Zij halen de bestelling op bij het café en brengen het leeggoed na afloop weer terug.
Een uitzondering kan worden gemaakt voor specifieke activiteiten met een groot maatschappelijk karakter die in de grote zaal plaats vinden (de grote zaal heeft een eigen bar). Bijvoorbeeld bij de jaarlijkse mosselavond of de wielerzesdaagse.
Voor deze activiteiten kan het huidige model (inkoop met een opslagpercentage en zelfwerkzaamheid door verenigingen) worden gecontinueerd.
De consumptietarieven, eventuele kortingen en het opslagpercentage bij de specifieke activiteiten dienen nog te worden vastgesteld. Hierbij is er samenhang met de nog vast te stellen huurtarieven voor de verenigingen en uiteraard het effect op het exploitatietekort van het CCB en daarmee op de subsidie.
Beide colleges zoeken hierbij naar evenwicht tussen betaalbaarheid voor de verenigingen en het te subsidiëren exploitatietekort van het CCB. E.e.a. zal met de betreffende verenigingen worden besproken. Het komt aan elke gemeente toe om al dan niet te sleutelen aan de subsidie.
De colleges zien het subsidiëren van de consumpties voor de verenigingen niet als overheidstaak.…
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Op pagina 4 kopje Beheer en Exploitatie door een (gemeentelijke) BV staat vermeld dat de aandeelhouders (100% gemeente) een aantal belangrijke wettelijke bevoegdheden in handen heeft. Welke gemeente wordt hiermee bedoeld? Is de gemeente Nassau dan 100% aandeelhouder? Of 50% Nassau en 50% Hertog. Of wordt de BGTS 100% aandeelhouder. Welke rechtskeuze wordt er gemaakt? Is Nederlands of Belgisch recht van toepassing? Er wordt gesuggereerd dat het ontslaan van een bestuurder makkelijk is, waar blijkt dat uit? Hoe kan geborgd worden dat door de BV geen billijke vergoeding of transitievergoeding betaald hoeft te worden bij ontslag?
Antwoord van het college
Een BV-model wordt niet geadviseerd. Het advies en daarmee het voorstel is om het stichtingsmodel te continueren en het hervormen naar een RvTmodel.
Vraag 2
Er wordt aangegeven dat bij zowel de stichting als bij de vennootschap medewerkers in dienst zijn van de rechtspersoon. Hoe is hierbij rekening gehouden met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2012 (ECLI:RBROT:2012:BY3379) waarin de rechtbank stelt dat wanneer de gemeente 100% aandeelhouder is, de werknemer wel degelijk de ambtenarenstatus heeft? Hoe wordt geborgd dat dit niet het geval is? Als zowel Nassau als Hertog aandeelhouder zijn, kan een werknemer dan gaan shoppen bij de meest voordelige werkgever? Hoe wordt geborgd dat we niet in de (financiële) problemen komen hierdoor?
Antwoord van het college
Het stichtingsmodel wordt gecontinueerd, de medewerkers blijven dus in dienst van de stichting.
De uitspraak van de rechtbank waar naar verwezen wordt heeft geen relatie met het stichtingsmodel CCB. De betreffende case betrof een
beoordeling op basis van het (voormalige) Artikel 42b van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Deze wet is niet van toepassing. Het CCB is immers geen onderwijsinstelling.
Vraag 3
Op pagina 6 wordt aangegeven dat door de keuze te maken voor een BV-structuur werknemers niet onder de 'dure cao' van de gemeente vallen. Dit lijkt echter niet het geval, zie vraag 2. Hoe gaan we dit voorkomen?
Antwoord van het college
Op pagina 6 van de notitie staat: ‘Bij gemeentelijk beheer hebben de medewerkers de ambtelijke status’. Dit is dus niet aan de orde. Er is geen sprake van gemeentelijk beheer noch van een BV-model.
Vraag 4
Op pagina 6 wordt aangegeven dat er een sociaal plan opgesteld moet worden in verband met Overgang van Onderneming. Welke kosten zijn daaraan verbonden?
Antwoord van het college
Een sociaal plan dient te worden opgesteld indien sprake is van overgang naar een ander beheermodel. Dit is niet aan de orde.
Indien bij verdere uitwerking van het beheermodel CCB blijkt dat er een andere cao van toepassing is dient voor de huidige medewerkers een overgangsregeling te worden opgesteld. Zij behouden immers hun opgebouwde rechten en arbeidsvoorwaarden.
Vraag 5
Wat zijn bij een BV'structuur de extra kosten? Is er rekening gehouden met kosten voor het opstellen van jaarrekeningen, belastingaangiftes, administratiekosten, kosten van een directeur?
Antwoord van het college
Er wordt niet gekozen voor een BV-model. Maar ook dan zijn de kosten redelijk vergelijkbaar maar met de huidige organisatie- en backoffice taken.
Vraag 6
Hoe wordt geborgd dat de statuten zo worden ingericht dat de risico's minimaal zijn? Moet er bijvoorbeeld altijd iemand van de gemeente in de RvT zitten of juist niet? Wie gaan namens de aandeelhouders de AvA houden? Hoe kunnen de beslissingen van de AvA getoetst worden door de Enclaveraad en / of gemeenteraad enz. enz.?
Antwoord van het college
Er wordt niet gekozen voor een BV-model, er zijn dus geen aandeelhouders en geen Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA).
De statuten van de stichting dienen wel via de notaris te worden aangepast naar het RvT-model. De statuten dienen sowieso te worden
aangepast aan De Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR). De wet dient de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij verenigingen, stichtingen en coöperaties te verbeteren. De wet vermindert wanbestuur, regelt tegenstrijdige belangen en beperkt aansprakelijkheid van bestuurders. Uiterlijk 1 juli 2026 moeten statuten aan alle regels voldoen.
Vraag 7
Wat als het niet lukt om goede mensen te vinden die in de RvT plaats willen nemen. Voor een grote stad of gemeente klinkt dit logisch, maar hoe vinden we deze mensen in onze kleine gemeente? En hoe werkt dat met verdeling van Nederlandse vertegenwoordigers en Belgische vertegenwoordigers?
Antwoord van het college
Voor de RvT worden profielen en taakomschrijvingen opgesteld. Na vaststelling hiervan wordt een werving- en selectieprocedure opgestart.
Wij zien in de werving van de leden van de RvT geen grotere uitdagingen of risico’s als in de werving van bestuursleden in het huidige model.
Vraag 8
Hoe ga je een goede directeur werven voor de functie binnen de BV? En wat gebeurt er als er geen directeur (meer) is?
Antwoord van het college
Wij beantwoorden deze vraag met de aanpassing ‘….voor de functie binnen de stichting’.
Zie vorige antwoord. Ook voor de directeur-bestuurder wordt een profiel en taakomschrijving opgesteld. Wij zien in de werving van de directeur geen grotere uitdagingen of risico’s als in de werving van de directeur in het huidige stichtingsmodel.
Naar aanleiding van de Horeca exploitatie hebben wij de volgende vragen:
1. Op pagina 18 van het stuk " Beheer en horecamodel nieuwbouw CCB raadscommissie" staat onder punt e, ii, dat het verhogen van de gemeentelijke subsidie een oplossing zou kunnen zijn voor het verlies van inkomsten voor de diverse verenigingen. Er is geen financiële ruimte aan de zijde van Nassau om dit toe te zeggen, dit zal gezien de huidige en toekomstige financiële status niet veranderen. Hoe is dit meegenomen in dit onderzoek en hoe wordt geborgd dat er geen financiële problemen ontstaan aan zowel de kant van de verenigingen als aan de kant van de gemeente?
Antwoord:
De derving van de clubinkomsten uit de eigen baractiviteiten staat feitelijk los van het beheermodel. Dit brengt de nieuwbouwsituatie met
zich mee met één centrale bar. Voor de verdere beantwoording verwijzen wij naar vraag 1 van VPB
2. Er wordt in het model (pagina 21) aangegeven dat het parttime functies betreft die eventueel gecombineerd kunnen worden. Hoe waarschijnlijk is het dat er mensen gevonden worden voor deze functies? En wat gebeurt er als er geen mensen gevonden worden? Moet de horeca dan alsnog uitbesteed worden?
Antwoord:
In de werving en selectie van nieuwe medewerkers zien wij geen grotere uitdagingen dan werving van medewerkers in de huidige situatie. Het nieuwe gebouw en nieuwe exploitatie zal wel een grotere aantrekkingskracht kunnen hebben.
3. Op pagina 22 wordt aangegeven dat er een keuze kan of moet worden gemaakt tussen een Belgische of Nederlandse horecavergunning. In hoeverre is dat een keuze als je met een NL BV gaat werken? Wat zijn hiervan de risico's?
Antwoord:
Of sprake is van Belgische of Nederlandse horecavergunning dient nog te worden onderzocht. Dit staat los van het beheermodel. Zowel een stichting, een BV of een horecapachter zullen een vergunning moeten aanvragen.
4. Er werd tijdens de commissieavond aangegeven dat er nu een omzet wordt behaald van € 80.000,00 en dat de prognose is dat deze omzet (in de nieuwe structuur) verhoogd zal worden naar minimaal € 200.000,00.
Hoe is dit berekend? Waar blijkt deze prognose uit?
Wat gebeurt er als deze omzet niet behaald wordt, wie gaat de kosten dan betalen? Hoe wordt geborgd dat er geen extra geld vanuit de gemeente bijgestort moet worden?
Hoe wordt deze omzet gehaald als er geen reclame gemaakt mag worden voor de horeca in het CCB?
Antwoord:
In het voorstel staat dat het in de huidige situatie lastig is om een horeca-omzet te prognosticeren. Dit hangt samen met de tarieven, kortingen aan verenigingen, het cafébezoek door de verengingen en door bezoekers en toeristen.
Het is experimenteren door in een maximale variant van start te gaan met een ingroeimodel c.q. een aanloopperiode. Het horecaconcept moet immers direct aanslaan en alle bezoekers verleiden om het CCB en het
café te bezoeken. Vanuit de ervaringen in het eerste jaar dient het horecaconcept worden bijgesteld door:
• bijstellen van openstellingstijden per dag/ per week en beperken van de ‘jaarrond’ exploitatie.
• aanpassen van de personele bezetting (de perioden met dubbele bezetting). Dit betekent starten met een flexibele schil van medewerkers naast het huidige team.
• aanpassingen in het inhoudelijk horecaconcept
5. Er werd gesproken over het aannemen van een horeca-manager. Wie gaat deze kosten betalen? Waarom is dat nodig?
Antwoord:
Het betreft een functie met een meewerkend karakter.
Het huidige CCB heeft geen café/barfunctie. In het beoogde organisatiemodel zal sprake zijn van één team beheerders/horecamedewerkers. De functies zijn overlappend en het is niet efficiënt en juist kostenverhogend om twee teams (team beheerders en team horeca) samen te stellen.
Het exploitatieconcept van de horeca dient vorm te worden gegeven en de huidige en nieuwe medewerkers dienen te worden begeleid in de nieuwe functies. Dit is de opdracht aan de horecamanager.
De kosten, evenals de baten, zijn opgenomen in de (indicatieve) exploitatiebegroting van het CCB.
6. Voorkomen we niet heel veel (extra) kosten, risico's en problemen door een horeca-exploitant in te schakelen die al van de hoed en de rand weet? Waarom kosten maken voor het aannemen van een manager, omscholing van personeel e.d.?
Antwoord:
Het uitbesteden van de horeca exploitatie heeft voordelen en kansen maar zeker ook nadelen en risico’s. Deze zijn opgenomen in de matrix op pagina 16 en 17.
• Ook de horeca-exploitant zal medewerkers moet rekruteren en opleiden.
• Uitbesteden brengt inefficiency’s met zich mee: een team beheerders van het CCB en een horecateam van de exploitant. Dat maakt het voor het CCB duur.
• De horecaexploitant zal er zijn brood mee moeten verdienen. Dus commerciële consumptietarieven en geen kortingen voor verenigingen tenzij de horecaexploitant door de gemeenten worden gecompenseerd.
• Het is de vraag of er voldoende horeca-omzet gerealiseerd kan worden voor een verdienmodel voor een ondernemer.
•
•
Geen garanties in openstelling van café/bar. Indien het rustig is op daluren gaat de horeca dicht als er te weinig omzet is om de kosten te dekken.
Voor gebruik van de horeca door derden (bijvoorbeeld verenigingen in de grote zaal) dan zal de exploitant daar een vergoeding voor vragen of gecompenseerd willen worden.
7. Er werd gesproken over het plaatsen van een professionele keuken. Hoe worden deze kosten terugverdiend? Kan dit niet beter neergelegd worden bij een professionele partij die ook weet hoe ze voldoende omzet moeten draaien om deze keuken rendabel te maken? Als er enkel gebruik van wordt gemaakt voor kookcursussen, is het de investering dan wel waard?
Antwoord:
Voor de keukeninrichting is een extern adviseur ingeschakeld. De inrichting is gebaseerd op het horecamodel dat nu voor ogen is. Zie pagina 15 van de presentatie. Dus zeker niet alleen voor kookcursussen.
De rode lijn van de vragen: hoe (financiële) risico's voorkomen kunnen worden en hoe geborgd wordt dat de gemeente niet jaarlijks extra financieel bij moet dragen om de kosten te dekken.
Antwoord rode lijn:
De exploitatie in het nieuwe CCB met kostendragers als de horeca dient juist te leiden tot een efficiëntere bedrijfsvoering met lagere kosten dan in het huidige model.
Niet alleen de keuzes in de bedrijfsvoering is daarvan afhankelijk maar ook de keuzes in de huurtarieven, kortingstarieven op consumpties voor verenigingen, het al dan niet blijven toestaan van eigen barinkomsten voor de verenigingen, de nu hoge mate van dienstverlening door de beheerders (met dito kosten) in relatie tot de lage huurtarieven voor verenigingen, het gesubsidieerde en nietgesubsidieerde cultuur- en cursusaanbod etc, etc.
Vraag CDK over opbrengsten buffet/horeca CCB
cijfers van de drank-/barinkopen CCB, zowel bier/wijn/fris als koffie en thee, … de huurprijzen die het CCB nu hanteert (deze kan ik wel zelf uit docu van Fons halen)
Antwoord In onderstaande tabel is aan de hand van de jaarrekeningen 2023 tot en met 2025 de inkoopwaarde horeca afgezet tegen de horecaopbrengsten. Hieruit kunnen de kengetallen als inkoopmarge en brutowinst worden afgeleid.
Ter toelichting:
• De inkoopwaarde is het totaal bedrag aan inkopen + begin voorraad – eindvoorraad van betreffende jaar
• Brutoresultaat = opbrengsten – inkoopwaarde
• Brutowinst = brutoresultaat gedeeld door opbrengsten
• Inkoopmarge = inkopen gedeeld door opbrengsten
ExploitatieCultureel CentrumBaarle
2023
2024
2025
Realisatie
Realisatie
Prognose
Baten Opbrengst buffet € Opbrengst overige buffetartikelen € Diverse opbrengsten buffet €
43.287 € 17.748 € 161 €
40.148 € 18.988 € 82 €
42.426 25.364 117
Opbrengsten buffet / horeca
€
61.196 €
59.218 €
67.907
Inkoop drank Inkoop diverse buffetartikelen Kosten bar/koeling Overige kosten buffet / keuken Overige inkoop Inkoopwaarde
€ € € €
35.020 9.210 1.487 415
32.442 8.997 1.005 129
€ € € €
33.716 9.282 1.100 516
€
46.132 €
42.573 €
44.614
Brutoresultaatbuffet/horeca Brutowinst
€
15.064 € 25%
16.645 € 28%
23.293 34%
75%
72%
Inkoopmarge
€ € € €
66%
De inkoopmarge is een veel gebruikt kengetal voor horeca-exploitaties. Ter vergelijking met benchmarkcijfers:
• Inkoopmarge commerciële horeca: 25% tot 30%
•
Inkoopmarge maatschappelijke accommodaties (sport en cultuur): 35% tot 40%
Voor de toekomstige horeca-exploitatie is vooralsnog gerekend met twee percentages:
• Inkoopmarge voor de horecaverkopen aan verenigingen en maatschappelijke organisatie die een korting gaan ontvangen: 70% inkoopmarge
•
Inkoopmarge bij overige horeca-activiteiten met marktconforme tarieven: 35% inkoopmarge
Bekijk de brief: 2026-05-18 Beantwoording raadsvragen - beheermodel CCB (def)
Bron: raadsinformatie van de gemeente Baarle-Nassau (Open Raadsinformatie). De vragen en antwoorden zijn automatisch uit de brief gelezen; het origineel is leidend.